Vanuit hun haast ondoordringbare schuilplaatsen drongen de Morinen en de Menapiërs het legerkamp van de Romeinen te Roeselare binnen. Een plotse aanval bij de Nerviërs in het jaar -57 was geslaagd, maar Julius Caesar, de beroemde veldheer, had de tactiek van de inwoners door en in een minimum van tijd stond zijn leger (ongeveer 80.000 man) slagvaardig. Ondanks de heldenmoed van de streekbewoners moesten ze terugtrekken tot in de bossen en van daar verder.
Ze zijn er met lichten binnengegaan en vonden daarbinnen een ijzeren koffer met ijzeren banden beslagen, welke koffer ze hebben opengeslagen en daarin hebben gevonden een groot deel zilveren penningen. Allemaal in de vorm van een kroonstuk, op welke penningen aan de ene kant gegraveerd stond een portret van een keizer met een kroon en een scepter in zijn handen.