1. Het drinken van koffie, waarbij men veel honig, gewone siroop of suiker, doch geen melk gedaan heeft.
2. ’s Morgens nuchteren ete men vruchten zoals als kersen, druiven, frambozen, aardbeien, bessen, enz.
3. Honig in plaats van boter op het brood gegeten.
4. Het gebruiken van enige theelepels van het stijve, korrelige gedeelte van de honing verwekt ontlasting, het dunnere gedeelte minder.