Toen ik in 1941 na gedane studies naar huis terugkeerde, hadden mijn ouders een pensiongast opgenomen. De jongeman in kwestie was een militair in vast verband die na enkele weken krijgsgevangenschap, zoals tal van zijn collega’s, ergens op een rantsoeneringsdienst werd geplaatst.
Een oud wijf dat hout ging rapen, ontmoette onderweg een klein jongske.
— Kom met mij mee, sprak zij, ik heb veel koeken en veel speelgoed.
In plaats van voorts hout te rapen, laadde zij het kind in een zak op haar rug en trok er mee huiswaarts.