Herbergen in Zonnebeke
Volgens wijlen Jozef Dehouck waren de best beklante herbergen op het dorp ‘’t Jagershof’, ’t Hof van Commerce’, ‘De Hertog van Brabant’ in de Langemarkstraat en ‘Het Gildhof’ in de Ieperstraat.
De zondag na de mis ging geen enkele man dadelijk naar huis. De cafés deden dan goede zaken. Ook in de week gingen de welstellende burgers dagelijks hun pintjes drinken in een of meerdere herbergen in het dorp. Vooral de brouwers, bakkers, beenhouwers, vlas- en varkenshandelaars en renteniers trof men vaak overdag aan in een of andere herberg.
Een gebruik dat aardig in de mode was in die tijd was het geven van lapnamen, die herinnerden aan een of andere herberg. Zo kenden de mensen Mon en Aloïs Lemahieu veel beter als Mon en Aloïs van de Krone. Alle Phlypo’s kregen de bijnaam Povers omdat zij opgegroeid waren in herberg ‘Au Pauvre Diable’ op de wijk ‘Het Vergif’ net voorbij de Molenaarelst (grondgebied Beselare). Tot aan zijn dood enkele jaren terug, sprak iedereen van Fiel van de ‘Nachtegaal’, weinigen van Theophiel Dumolein. ‘De Nachtegaal’ was een herberg op Langemarks grondgebied langs de Langemarkstraat net over de grens met Zonnebeke waar nu het Engels kerkhof ‘Dochy Farm’ ligt.
Voor 1914 moet een herberg er ongeveer zo hebben uitgezien: de ‘voorplatse’ was de herberg. Dikwijls gaf de voordeur toegang tot de gang. Aan de ene kant in de gang was de deur naar het café, aan de andere kant de deur naar de woonkamer of soms een winkeltje. Hoekcafés of alleenstaande landelijke herbergen hadden meestal een ‘oeil de boeuf’, een ovalen venstertje in de zijgevel om ’t wuf te zien ofkom’n en ol achtern weg te schop’n’. Op de gevel was het ensign geschilderd.
Slechts enkele tafels – met marmeren blad in de betere herbergen – en stoelen bemeubelden het interieur. Op de toog stond een pomp om het bier vanuit de kelder naar de toog te pompen. Op een geëmailleerde afdruipplaat stonden de gewassen glazen. De vloer werd met zaagmeel of zand bestrooid want sjiekende klanten spuwden liever naast de geuten ‘spugbak’.
In de winter werd midden de herberg een ‘buzestove’ geplaatst. Rond de kachel werden de wildste verhalen verteld. Naast de toog was een pijperek waar de pijperokers hun breekbare pijp in achterlieten. Op de schoorsteenbank stond een vuurpot met gloeiende bakkerskool of later een luciferpot. Tabak werd bewaard in een ‘zwieneblaze’ aan het plafond. Naast de toog hing ook een kaartenbakje, want kaartspelen – bien, whisten, jassen, manillen – waren de voornaamste caféspelen.
In veel herbergen hing ook een pijlblok en een pietjesbak was ook overal aanwezig. Naast de toog hing ook soms een spaarkastje waarin stamgasten spaarden voor een jaarlijkse ‘keune-souper’. Op de vensterbank stond een met bier gevulde glazen vliegenstolp en boven de toegangsdeur hing steevast de spreuk ‘God ziet u…, hier vloekt men niet’.
Het bruin bier dat geleverd werd in vaten werd in kappers (1/4 liter) of pinten (1/2 liter) geschonken. De druppels, meestal jenever, waren nooit ver uit de buurt (doorgaans in de pompbak).
Eenmaal per jaar had ieder café zijn eigen kermis. Een ‘mei’, een tak versierd met linten, werd door het bovenvenster uitgestoken om iedereen te verwittigen. Er werden prijskampen ingericht in kaarten, bollen, flesschieting, mastklimming, vogelpikken of hanekampen. Op de eerste pint werd door de bazin een koekje gelegd. Daarom sprak met ook van ‘pintje-dek’.
In veel herbergen was het ‘maandags-pintje’ een gebruik. De waard trakteerde het eerste pintje. W+ie binnenkwam geraakte dikwijls niet meer aan het werk die dag.
Enkele herbergen waren ook gekend als afspanning. Aan de voorgevel stond een paardebak en de voerder bond zijn paard vast aan een ring in de muur. Terwijl de paarden aten, konden de boevers hun dorst lessen. Sommige paarden hielden instinctief halt aan de dagelijkse herbergen. In sommige van die cafés kon het paard gestald worden. Paard en boever konden overnachten, het paard in het ‘sliet’, de boever op den ‘dilt’.
Het lijkt wel een ydillisch plaatje. Niets is minder waar, want veel herbergiers moesten zich tevreden stellen met enkele schaarse klanten uit de buurt. Zij zorgden voor een kleine bijverdienste voor de waardin en zoals gezegd, veel stamgasten ‘zaten met hun kot vol kinderen’ en verzopen hun laatste cent op café in een poging om hun armoede even te vergeten.
Uit ‘Zonneheem’ van 1994


