banner
Jun 25, 2018
14819 Views

Van de Brugse Metten naar Groeninge

Written by

1 mei 1302. Jan Breydel, een Brugse vleeshouwer krijgt het in het kasteel van Male aan de stok met een knecht van de kastelein die hem verwijt dat al de Bruggelingen ruziezoekers zijn. Breydel steekt hem ter plekke een mes in zijn ribben waarop de kasteelheer zich wil revancheren.

banner

1 mei 1302. Jan Breydel, een Brugse vleeshouwer krijgt het in het kasteel van Male aan de stok met een knecht van de kastelein die hem verwijt dat al de Bruggelingen ruziezoekers zijn. Breydel steekt hem ter plekke een mes in zijn ribben waarop de kasteelheer zich wil revancheren. Mijn beide bronnen blijven erg op de vlakte over deze Jan Breydel en dus ga ik op zoek naar een extra betrouwbare bron. Die vind ik ongetwijfeld in een boek uit 1873 van een zekere Pieter Harme Witkamp. Zijn ‘Geschiedenis der zeventien Nederlanden’ brengt me zeker extra inzichten. De in Brugge bekende vleeshouwer Jan Breydel gaat inderdaad een pint drinken in de gelagkamer van het kasteel van Male. Deze voormalige burg van de graven van Vlaanderen is zoals gezegd door Filips de Schone in leen gegeven aan zijn adept Robert l’ Espinoy.

De kastelein van de nieuwe eigenaar heeft een deel van het ruime gebouw ingericht als een herberg. Breydel vraagt er een kan bier en terwijl hij zijn kroes ledigt hoort hij een van de bedienden zeer denigrerende taal over de Bruggelingen rondstrooien. Die verwijt hen nietsnutten en oproerkraaiers te zijn. Breydel beschikt blijkbaar zelf maar over een kort lontje en gaat er verbaal tegenaan. Van woorden komt het echter tot daden en op het eind van de steekt hij die knecht effectief neer. De caféruzie is nu compleet. De kastelein probeert Jan Breydel vast te grijpen. Iets wat hem niet echt lukt van onze vleeshouwer is echt wel een beer van een vent. Wat later staan beide kampen in dat kasteel van Male lijnrecht tegenover elkaar en vechten voor- en tegenstanders dat het stuift. De uit de hand gelopen ruzie is ondertussen al doorgedrongen tot in de binnenstad.

Op geen tijd staan er zevenhonderd Bruggelingen onder leiding van tempelier en ridder Willem van Bornem klaar om hun stadsgenoten te gaan helpen in Male. Het spel eindigt met een totale liquidatie van de leliaards daar in taveirne ‘van Male’. Voortaan ligt de macht te Brugge in de handen van Pieter de Coninck en Jan Breydel en die wenst niets liever dat heel Vlaanderen zich bij hen zal aansluiten en dat de Klauwaards een aanvoerder mogen vinden met wie ze tegen de Fransen ten strijde kunnen trekken. Samen met Jan van Namen en Gwijde van Namen, de tweede oudste zonen van Gwijde komen ze uit bij hun neef Willem van Gulik, een van de wakkerste kleinzonen van de graaf. Pieter de Coninck gaat van Gulik opwachten aan de Vlaamse grens en daarna doen ze samen hun blijde intrede in Brugge dat nu wel helemaal de Vlaamse zaak lijkt toegedaan te zijn.

De Bruggelingen zien het met plezier gebeuren dat Damme en Aardenburg hun afgevaardigden sturen om Willem hun medewerking te verlenen. Het duurt niet lang vooraleer de Brugse Klauwaards in actie schieten. Onder aanvoering van hun grafelijke jongeman (van Gulik is zevenentwintig jaar) steken ze het kasteel van Sijsele in brand omdat de eigenaar ervan zich al eerder getoond heeft als een fanatieke voorstander van het Frans gezag. Daarna trekken ze naar Male waar ze met zevenhonderd kloeke en gewapende mannen stormenderhand het kasteel innemen. Geen enkele Fransman die zich daar in veiligheid wilde brengen overleeft de raid van de Bruggelingen.

Het aantal strijders voor Vlaanderens zelfstandigheid neemt toe met de dag. Wie nooit getwijfeld heeft aan zijn genegenheid voor de oude graaf sluit zich aan bij het leger van Willem van Gulik. Dat is ook het geval met de Gentenaars die een hoofdrol speelden bij het verzet tegen de bieraccijns. Spijtig genoeg is hun steun van korte duur. De Gentse hulpbenden in Brugge krijgen vanuit hun thuisbasis de dringende oproep om naar Gent terug te keren. Het stadsbestuur zit vol met Leliaards die er niet voor zullen terugdeinzen om represailles te nemen tegen hun rebellie. Daarbij belooft Jacques de Châtillon hemel en aarde aan de Gentenaars. Met de teruggekeerde rust in Gent kan de Fransman zich nu concentreren op Brugge. Hij neemt de nodige maatregelen om een einde te maken aan de Brugse opstand. De Châtillon roept de hoofden van de Leliaards samen in een vergadering te Kortrijk. Er komt direct versterking. De edelen uit Henegouwen, Vermandois en de andere grensgebieden tekenen eveneens present op de zitting. Tijdens de Kortrijkse landdag gaat het natuurlijk over de immense ondankbaarheid van de Klauwaards en bespreken de Franskiljons al de mogelijkheden om een einde te maken aan de opstand van het noorden.

Willem van Gulik ziet de bui al hangen en keert naar Namen terug. Pieter de Coninck wankelt niet. Hij plaatst zich aan het hoofd van zestienhonderd Bruggelingen en vertrekt naar Gent om zijn zusterstad ertoe te bewegen de Vlaamse zijde te kiezen. Zijn pogingen vallen in het water. Door al de beloften van de Châtillon voelen ze die Bruggelingen aan als een risico en een dreiging die ze enkel met de scherpte van hun wapens kunnen afkeren. Onder aanleiding van hun baljuw komen de Gentenaars massaal naar buiten om de Bruggelingen te verdrijven. Pieter de Coninck is zo verstandig om geen directe confrontatie aan te gaan en zo mensenlevens te sparen. Het is natuurlijk een terugkeer in mineur en de sfeer verbetert er niet op als ze na aan komst in Brugge vernemen dat Aardenburg zich ook terug onder de gehoorzaamheid van de koning heeft geplaatst.

Zijn leger vertrekt zonder dralen ernaartoe. ‘Op naar Aardenburg’ roept hij uit en de Bruggelingen volgen hun leider tot aan deze versterkte stad aan de Eede. Hier moet de lelie wel zwichten voor de Vlaamse leeuw. Op een blijde terugkeer in zijn thuisstad moet Pieter de Coninck echter niet rekenen. Hier hebben ze vernomen dat er een omvangrijk leger op komst is om het Frans gezag in Brugge te komen herstellen. Terwijl de fanatieke medestanders van de Vlamingen mee op vadrouille zijn met de Coninck zijn de twijfelgevallen thuis gebleven. De geschiedenisboeken hebben het over weifelaars, lafaards en verraders die het zinloze van het verzet tegen de Franse koning dik in de verf zetten. Hun geschreeuw haalt de boventoon in dit Brugge dat nu plots zijn deuren sluit voor zijn bevrijders.

16 mei 1302. Jacques de Châtillon stelt zoals te verwachten zijn eisen. Een stel weifelende onderhandelaars gaat de Franse afgevaardigden tegemoet. Ze krijgen hen zo ver dat al de mannen die betrokken waren bij de jongste omwentelingen nu ongestoord en met hun eigendommen mogen vertrekken uit de stad. Pierre Flotte, de kanselier van de Châtillon zegt toe dat dit geen probleem zal zijn en dat ze trouwens met niet meer dan honderd ongewapende ruiters zullen binnentrekken te Brugge.

23 mei 1302. Vanaf de pui van de lakenhalle krijgen de Bruggelingen te horen dat allen die deelgenomen hebben aan de jongste onlusten en die nu natuurlijk met de schrik zaten, de volgende morgen voor 9u de stad zullen kunnen verlaten en vrij mogen beschikken waar ze naartoe gaan. Enkele complete buurten maken gebruik van deze vergunning. Zeker vijfduizend volwassen mannen kiezen ervoor om hun thuisstad te verlaten. Het is niet te verwonderen dat ook Jan Breydel zich onder hen bevindt.

24 mei 1302. De meeste bannelingen begeven zich naar de havens aan het Zwin of in andere naburige plaatsen. Velen kiezen Oostburg als locatie en bij hun aankomst ontstaan er gevechten in regel met de Franse bezetters daar. De vreemde huurlingen moeten echter het onderspit delven, hun magazijnen met levensmiddelen die ze moesten bewaken worden nu door de Bruggelingen leeggeplunderd. En nu ga ik terug naar Brugge. Wanneer de Châtillon in de vooravond binnenrijdt in Brugge beseffen de ingezetenen al direct welke bok ze geschoten hebben door de stad gesloten te houden voor Pieter de Coninck en zijn Vlamingen.

Een weerloze bevolking ziet met alle angsten van dien hoe er in de plaats van honderd ongewapende ruiters een leger voetknechten en ruiters binnen marcheert. Duizenden manschappen. De burgers proberen Jacques de Châtillon beleefde te groeten maar de Franse gouverneur beantwoordt hun verwelkomingen met een boosaardige blik, met scheldwoorden en verwijten. Zijn somber uiterlijk voorspelt niets anders dan onheil.

De angst maakt zich meester van de Brugse geesten en die zwelt nog verder door het geroezemoes dat de zes wagens met vaten die door de Franse soldeniers binnengevoerd zijn niet meer of minder bevatten dan honderd in Kortrijk verzamelde stroppen die zullen dienen om de burgers die bij het bestuur op een slecht blad staan buiten de venster van hun woningen aan staken op te knopen. Wat aanvankelijk wordt verspreid als een gerucht lijkt meer en meer bloedige realiteit te worden. De vaten bevatten geen wijn maar touwen en stroppen. De Fransen verspreiden zich tegen dan al door de straten van de binnenstad waar ze zich aan verregaande baldadigheden schuldig maken. Ze vangen aan het het plunderen van de huizen van de uitgeweken Bruggelingen. Ze sparen niets of niemand, roven naar hartenlust en brengen iedereen om het leven die hen daarvan wil tegenhouden. De poorters zijn wanhopig en zenden enkele boodschappers naar de vanmorgen vertrokken stedelingen met het dringend verzoek om terug te keren en de Fransen mores te leren want die zullen niets of niemand sparen. De boodschap is duidelijk: ‘overrompel de vijand terwijl ze straks allemaal dronken zullen zijn. Al wie in Brugge gebleven is zal met wapens voor de dag komen.’

25 mei 1302. Hoewel Pieter de Coninck alle redenen heeft om kwaad en verongelijkt te zijn op zijn ondankbare stadsgenoten, schaart hij zich toch meteen in de voorste gelederen van de Bruggelingen die ingaan op de dringende vraag om hulp. Jan Breydel is eveneens van de partij. Breydel en de Coninck stellen zich aan het hoofd van twee benden die samen ongeveer zevenduizend manschappen bevatten en ze haasten zich in het holst van de nacht naar het geteisterde Brugge. Bij het krieken van de dag (het moet zo rond 2u30 zijn) vallen ze er binnen. Pieter de Coninck baant zich een weg door de Kruispoort terwijl Jan Breydel zijn intrede doet via de Speiepoort (de Dudzelepoort). De achtergebleven burgers maken zich tezelfdertijd meester van de Boeverie, de Katelijne, de Gentpoort en de Smedenpoort.

De tijd voor vergelding breekt aan. De slogan ‘walsch is, valsch is, slaat dood’ zal de volgende uren niet meer uit de lucht zijn. Hoe talrijk de Fransen ook mogen zijn, tegen dergelijke overmacht zijn ze niet opgewassen. De briesende Bruggelingen vallen hen op het lijf op een moment dat ze beschonken en dommelend hun roezen uitslapen. Van veel Franse weerstand is geen sprake. Tegen die tijd zijn al de poorten al hermetisch gesloten zodat er niet aan vluchten moet gedacht worden. De mannen van Jan Breydel haasten zich naar de Snakkerstraat het hof van Jacques de Châtillon (het latere klooster van Sarepta) waar ze alles kort en klein slaan.

Hijzelf is al gaan vliegen. Dan zetten ze hun raid verder door het Genthof en de beurs. Idem dito voor Pieter de Coninck, die dringt door naar het centrum via de Hoogstraat, de Burg, de markt, de Steenstraat voorbij de Sint-Salvatorskerk, de Dweersstraat en de Noordzandstraat. Pieter de Coninck en Jan Breydel vervoegen elkaar op de grote markt. ‘Vlaanderen de Leeuw’, schreeuwt de Coninck tot drie keer toe. Zijn kreet wordt daar in het centrum overgenomen door de hele meute. Meer dan indrukwekkend toch hoe het uit duizenden kelen klinkt: ‘Vlaanderen de Leeuw, al wie goede Vlaming is kome bij ons, want al dat Walsch is, vals is, slaet dood!’

De Brugse razzia gaat onverdroten verder zijn bloedige gang. Ze doorzoeken al de plaatsen waar ze dachten van verscholen Fransmannen te vinden en sparen niemand. Die 25ste mei brengen die van Brugge zeker vijftienhonderd ruiters en tweeduizend voetknechten om het leven. Er worden ook zeker honderd gevangenen gemaakt. Jacques de Châtillon heeft daarbij een flinke portie geluk dat hij niet bij de slachtoffers valt. Hij verschuilt zich aanvankelijk in het huis van een edelman waar hij zich tot 22u gedeisd houdt. Hij hoopt dat de Brugse furie tegen dan al uitgeraasd is, trekt de kleren van zijn kapelaan over. Rond de Smedenpoort zwemmen ze met drie de vestingen over, de Châtillon, zijn kanselier Pierre Flotte en zijn kamerheer. Dat de ontsnapping best de nodige risico’s inhoudt ondervindt die laatste wanneer hij tijdens de overtocht de verdrinkingsdood sterft. Flotte en de Châtillon haasten zich naar Rijsel.

Het statement van Brugge maakt indruk in Vlaanderen. Een heuse riem onder het hart voor iedereen die zich Klauwaard noemt. Niemand twijfelt dat de wraak van de Franse koning niet op zich zal laten wachten maar de Vlamingen beseffen nu wel dat ze niet bang moeten zijn van de Walen en de Fransen, zolang ze hun krachten maar bundelen en eendrachtig blijven. Willem van Gulik haast zich naar Brugge waar ze hem op gejuich onthalen. Ze volgen hem geestdriftig naar het volgende obstakel: de bezetters van het kasteel van Wijnendale. Bij hun aankomst ter plekke beseffen de Bruggelingen dat ze niet zomaar in een twee drie het kasteel in handen zullen krijgen. Ze hebben zeker geen tijd te verliezen om de rest van het Westland onder hun controle te krijgen. Drie weken later hebben de Vlamingen het hele gebied tot aan de Nieuwe Gracht in hun macht en hebben de Leliaards Wijnendale na felle bestokingen overgegeven. Daarna volgt nog de bevrijding van Sint-Winoxbergen en Cassel. Het versterkt kasteel van Cassel blijft echter in de macht van de Fransen. Hier bijt Willem zijn tanden op stuk.

1 juni 1302. Het aantal strijders voor de Vlaamse onafhankelijkheid neemt toe met de dag. In de loop van deze 1ste juni arriveert Gwijde van Namen in Brugge met een lading Duitse hulptroepen. Guillaume van Juliers heeft zich tegen die tijd ook al vervoegd bij de Bruggelingen. In Vlaanderen zelf durven de wakker Klauwaards het nu al aan om het welbezette Kortrijk aan te tasten. De geestdrift en het nationalistisch ontwaken verricht wonderen. De Fransen ruimen in allerijl de plaats maar weten zich wel te handhaven in het plaatselijk kasteel. Het Vlaams leger zwelt zodanig aan dat Gwijde van Namen de mannen kan opsplitsen in verscheidene regimenten.

Een deel vecht verder voor het kasteel van Kortrijk waar Jean van Lens de Fransen aanspoort om het hier vol te houden. Een ander Vlaams leger verplaatst zich in de richting van Oudenaarde en van Ieper waar het niet lang zal duren vooraleer de vlag met de Vlaamse Leeuw aan hun torens zal wapperen. De Ieperse Klauwaards hebben ook al hun goed en bloed veil voor de bevrijding van het vaderland en ze sturen dadelijk een hulpbende van elfhonderd in het rood geklede mannen in het veld om het Vlaams leger te komen versterkingen.

1 juli 1302. Jacques de Châtillon is natuurlijk gaan bleiten in Frankrijk over de ongehoorde schande die de Vlamingen hem hebben aangedaan. De tijdingen over de Vlaamse beweging verwekken daarbij extra grote ergernis bij de Franse koning die nu elke gematigdheid verliest. Filips de Schone laat het er natuurlijk niet bij en mobiliseert een groot Frans leger rond Atrecht en stelt de mannen onder het bevel van Robrecht van Artois. Hij wordt daarbij zeker gepusht door zijn hautaine ega, koningin Johanna die aanstuurt op een bloedige wraak.

Die Robrecht van Artois blijkt haar oom te zijn en de opdracht die ze hem geeft laat aan onduidelijkheid niets te wensen over: ‘ga en neem wraak op dat Vlaams leger, laat die oproerlingen duizenden doden sterven, ruk de Vlaamse zeugen hun borsten af, rijg de jonge varkens aan het spit en sla de Vlaamse honden dood!’ Na die verschrikkelijke opdracht beginnen de Fransen aan hun veldtocht richting Vlaanderen. Tienduizend ruiters, tienduizend boogschutters en veertigduizend speerknechten zijn op weg om ons land in het bloed te komen verstikken.

In Kortrijk groeit het leger van de Vlamingen ondertussen uit tot een leger van zestigduizend manschappen, vooral boeren en ambachtslieden die feitelijk nog nooit van hun leven wapens bediend hebben. Sommige geschiedschrijvers minimaliseren het Vlaams leger bij Kortrijk, volgens de Brugse kronieken is dit onmogelijk als men bedenkt dat er alleen al tijdens de Brugse Metten al zevenduizend Bruggelingen actief waren.

Ietwat zuidelijker manifesteren de Fransen zich al aan onze grenzen. Overal waar dit leger zijn voet zet veranderen de bloeiendste oorden in woestijnen. Geen huis, kasteel of klooster blijft nog overeind. De hoofden van de heiligenbeelden langs de wegen en in de kerken worden over afgeslagen. De kerksieraden geroofd, de heiligdommen met de voeten getreden. De Vlamingen die in Franse handen vallen mogen het vergeten. Dat is zeker ook het geval voor vrouwen en kinderen. Ze worden allen vreselijk afgeslacht. De gangen van de kloosters, de vloeren van de kapellen zijn bezaaid met de lijken van de monniken, voor de altaren van de vrouwenkloosters worden de nonnen onteerd. De Franse soldaten sjorren sprokkelhout aan hun lansen en gebruiken die brandende bezems nu om overal in de velden en de bossen de oogsten te vernielen en de bomen tot as te verteren. De Franse woede beperkt zich niet tot het voetvolk. Nagenoeg al de adellijke geslachten van Frankrijk hebben zich aangesloten bij het leger van Robrecht van Artois. Tot overmaat van ramp voor de Vlamingen hebben zesduizend Henegouwse soldaten van graaf Jan van Avennes zich bij de Leliaardtroepen aangesloten.

De Leliaards in Gent, Oudenaarde en op andere plaatsen proberen wel stokken in de wielen te’ steken maar ze kunnen hoegenaamd niet op tegen de geestdrift, de ijver en de opoffering die die Klauwaards tentoon spreiden. De kreet ’te wapen, te wapen’ weerklinkt van de Nieuwe Gracht tot aan de Hont en wordt overal herhaald door elke Vlaamse gezinde patriot. Al de standen sluiten zich aan bij het verzet. De Vlamingen krijgen ook gehoord in Duitse hoeken, de Germanen kunnen de aanmatigende houding van de Walen en de Fransen maar matig appreciëren en schieten hun stamgenoten ter hulp. Vanuit het noorden snellen Jan van Renesse en andere Hollandse ridders toe om de ambities die het Henegouwse geslacht koestert in Zeeland in de kiem te smoren. Bij de Hollanders bevindt zich eveneens Hugo Botterman van Arkel, genoemd ‘Butter’, een beer van een vent die best te vergelijk is met Jan Breydel.

Hoewel vijftig Vlaamse edelen in Frankrijk gevangen zitten en dat anderen de kant van de Leliaards hebben gekozen en zich als snoodaards achter Robrecht van Artois scharen, staat de gemeentebevolking die de basis uitmaakt van het Vlaams leger niet alleen. De Zevekotes, Zomergems, Waesberges, Maldegems, Deinzes, Zeverens, Airhoves, Aarseles, Dacknams, Landegems, Vorselaars, Baeldes, Meulebekes, Moeres en veel andere edele geslachten zijn vertegenwoordigd in het leger van Gwijde van Namen. Willem van Saaftinge, als lekenbroeder opgenomen in de abdij van ter Doest meent dat hij niet kan achterblijven. Monnikspij of niet.

Hij neemt twee paarden uit de stal, rijdt ermee naar Brugge en verkoopt een ervan en koopt met de opbrengst de nodige wapenuitrusting. Daarmee zal hij deelnemen aan de vrijheidskamp. Die wapenuitrusting is trouwens summier: een zwaard en een goedendag. Later in de strijd zal hij tonen hoe verdomd handig hij daarmee weet om te springen. Het beoefenen van wapens wordt door de Vlamingen trouwens hoog in eer gehouden. De stedelingen behoren wel allemaal tot een of andere gilde waar ze zich van jongs af aan vervolmaken met het hanteren van slingers, kruisbogen, zwaarden, pieken, morgensterren en goedendags.

De Vlamingen vernemen dat Robrecht van Artois de strijd wil openen door eerst en vooral het kasteel van Kortrijk te ontzetten. De Vlamingen kiezen de omgeving van Groeninge aan de Leie als hun verzamelplaats. Het terrein biedt alleen maar voordelen. Achteraan beveiligd door de Leie, vooraan en links zijn er diepe grachten gegraven die nu bedekt zijn met zoden en takken. De rechterflank is ook al helemaal verschanst. Gwijde van Namen heeft inderdaad het opperbevel over het leger aanvaard en roept al zijn troepen naar Groeninge. Willem van Gulik breekt zijn beleg van Cassel op en haast zich naar Kortrijk. De Bruggelingen rukken aan onder leiding van Pieter de Coninck en Jan Breydel, de mannen van Veurne melden zich onder het bevel van Eustachius Sporteyn, die van Aalst onder Dirk en Boudewijn van Papenrode. Gent bevindt zich in de Franse invloedssfeer maar desondanks stomen vijfduizend Gentenaars op onder leiding van Jan Borluut. Arnold van Oudenaarde is ook van de partij hoewel zijn vader op dat moment in Frankrijk gevangengehouden wordt.

10 juli 1302. Het Frans leger komt in het zicht van de Vlamingen. Die zullen vermoedelijk wel happen naar hun adem. Veruit het schoonste leger dat Filips de Schone ooit te velde bracht. Over de berg van Weelde, de Pottelberg, tussen de Leie en de weg naar Zwevegem breidt het zich in brede drommen uit terwijl de soldaten zich klaarmaken om de Vlamingen te vernietigen. Voor de Fransen is het nu al een uitgemaakt feit dat ze die bende wevers, beenhouwers en brouwers weldra in de pan zullen hakken. Aan Vlaamse kant verschansen de Vlamingen zich achter de Groeningebeek. Hun priesters zegenen de troepen en zwaaien met hun Heilig Sacrament als ultieme wapen. Volgens de kroniekschrijvers mankeert het ook hier niet aan geestdrift. Van kleine hartjes wordt er niet gesproken. Breydel & de Coninck krijgen alvast hun beloning voor bewezen diensten. Ze worden door Gwijde van Namen ter plekke publiekelijk tot ridder geslagen. Kluiten Kortrijkse grond krijgen een kus en een knuffel: op deze vaderlandse grond zullen ze zegevieren of het leven laten.

11 juli 1302. Bij het eerste ochtendlicht laat Robrecht van Artois zijn leger oprukken. De Vlamingen staan dan al in slagorde langs de vier meter brede Groeningebeek. Gwijde van Namen voert het bevel over de linkervleugel waar onder andere die van Veurne en de leden van de kleine Brugse gilden de dienst uitmaken. Centraal staan de Gentenaars van Jan Borluut met naast zich de Brugse wevers en de Vrijlaten onder Willem van Gulik. De rechtervleugel aan de kant van de Kortrijkse wallen staat onder leiding van Jan van Renesse die kan rekenen op een leger van Zeeuwse ballingen en de Brugse beenhouwers. De meeste edelen positioneren zich tussen de gelederen op plekken waar ze denken een toegevoegde waarde te kunnen bewijzen. De lucht oogt somber, een dikke mist hangt over de vlakte waar straks de strijd zal losbarsten. ‘De hemel is met ons’, roept Gwijde van Namen, ‘we zullen geen last hebben van de zon, zo zullen we gemakkelijker kunnen winnen.’

En dan is het eindelijk zo ver. Robrecht van Artois geeft het teken van de aanval. De Italiaanse boogschutters die aangetrokken werden door Filips de Schone trekken op tegen hun Vlaamse collega’s. Die vormen de voorhoede aan de Mosscherbeek en staan onder hetbevel van Salomo van Zevekote. Het Franse chauvinisme komt al direct naar boven als een Franse ridder bij zijn legerleiding protesteert dat het toch wel godgeklaagd is dat de Italianen met de pluimen zullen gaan lopen. Artois kan niet veel anders dan ook de Franse ruiters in het veld te sturen. Dwaas natuurlijk want hun paarden verpletteren de Italiaanse schutters nog voor ze aan hun werk kunnen beginnen. De Vlaamse voorhoede trekt zich al onmiddellijk terug tot achter Groeningebeek, de Franse ruiters worden door hun paarden meegesleurd, storten in de beek die zich vult met hun lijken. De berg lijken transformeert zich al gauw tot een soort pad voor het gros van de ruiters. Het ziet er helemaal niet goed uit voor de Vlamingen? Een uitval van de bezetters uit het kasteel van Kortrijk brengt nog meer angst bij de Klauwaards.

Maar de gildebroeders van Brugge en Gent staan zo vast als muren. Ze vormen allen samen een hechte en aaneengesloten dam tegen de prachtig uitgedoste Franse ruiters. Nadat ze de grootste Franse driftkikkers in het stof hebben doen bijten rukken ze op hun beurt vooruit. Hun goedendags vallen en dreunen verpletterend op de lichamen van de ruiters en de voetknechten. De strijdt ontaardt in een lijf-aan-lijf gevecht. Robrecht van Artois moet op een bepaald moment ingrijpen om zijn broer te ontzetten en hij stort zich in het midden van de strijders. Hij springt van zijn strijdros en verscheurt de Vlaamse standaard. Maar had dit beter niet gedaan want op dat moment bezorgt Willem van Saaftinge, de dappere lekenbroeder van Ter Doest hem een kanjer van een knotsslag op de borst.

Er zal vermoedelijk wel geen kroniek bestaan die dat illuster en symbolisch gevecht aan de Groeningebeek niet met veel ijver niet zal geromantiseerd en bijgekleurd hebben. Ik schrijf alleen maar neer wat zij te vertellen hadden over de strijd. Het vallen van de massa Franse ridderwimpels, van vanen en vlaggen drijft het geloof in eigen kunnen nog verder op bij de Vlamingen. De vertwijfeling groeit bij het Franse voetvolk wanneer ze al hun heren in het zand zien bijten. Schrik en ontsteltenis is hun deel. De Vlamingen zegevieren. Hugo van Arkel maakt zich meester van de Franse standaard, hun fameuze oriflamme. De bodem aan de beek is bezaaid met het bloed en de lijken van gesneuvelde soldaten en ridders, bekleed met de kostelijkste wapenuitrustingen die hen niet konden vrijwaren van de slacht.

‘Vlaanderen de Leeuw’ roepen de Vlaamse winnaars. ‘Sauve qui peut’, weerklinkt het dan bij de Fransen, want de ‘Redde wie zich redden kan’ die de kroniekschrijvers ervan maken zal wel te hooggegrepen zijn voor onze zuiderburen. ‘De zege is aan ons’ scanderen de Vlamingen. De resterende Walen en de Fransen proberen nu te allen prijze hun hachje te redden en slaan op de vlucht naar datzelfde zuiden. Een vlucht die de Vlamingen niet zomaar laten gebeuren. De achtervolgende Vlamingen zorgen er voor dat velen onder hen ooit nog de grenzen van Frankrijk zullen bereiken.

De Vlamingen komen als duidelijke overwinnaars uit de veldslag. De Fransen verloren daarbij drieënzestig prinsen, hertogen en graven. En daarnaast nog driehonderd baanderheren, drieduizend edelen en vierentwintigduizend ruiters en voetknechten. Tot de meest gerenommeerde slachtoffers behoren Robrecht van Artois, Jacques de Châtillon, Rudolf en Guido van Neslé, graaf Jean van Tancarville, Jean de Pontheu, de graven van Marche, van Vendôme, van Bourbon, van Estampes, van Bar en van Albe. De hertog van Berry, de oudste zoon van de hertog van Bretagne, de erfgenaam van de kronen van Henegouwen, Holland en Zeeland, de oom van de Brabantse hertog, de bloem van Franse, Lotharische en Henegouwse notabelen. Er is geen kasteel in al die landstreken waar niet getreurd wordt om het verlies van een echtgenoot, van een vader, een broer, een zoon, neef of vriend.

Op het achtergebleven slagveld ligt een kostbare buit van zilver, goud en kostbaarheden zomaar te rapen. De Vlamingen weten niet weer eerst te kijken. Er liggen werkelijk duizenden blinkende sporen, op zich al voldoende reden voor de latere kroniekschrijvers om de slag in Kortrijk te vereeuwigen als ‘De Slag van de Gouden Sporen.’ Na deze eclatante zege brengen de Vlamingen hulde aan de Heilige Maagd, Gwijde van Namen heeft haar hulp ingeroepen in de moeilijkste momenten van de strijd en ze heeft warempel geluisterd naar hem. Als er al goud en sporen te rapen vallen dat moeten als die kostbaarheden aan deze beschermvrouw geschonken worden. Het grootste deel ervan blijft dus achter in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Kortrijk waar tussen de zesduizend en achtduizend sporen ten toon worden gesteld. De rest wordt gebruikt om de kosten van het leger te vergoeden. Veel gevangen Franse paarden worden buitgemaakt door onze stedelingen.

…zal verschijnen eind 2019 … in deel 9

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *