Anno 1915, op de 23ste april, vrijdag. Enkele dagen geleden hadden de West Surreys zwaar strijd geleverd voor Hill 60 en hun bataljon was zo goed als weggeveegd. De Duitsers hadden hun veldgeschut dichterbij gesleept en ze hamerden nu van dichtbij op de Britse borstweringen. Een officieel Duits rapport beschuldigde ons nota bene van gifgassen te hebben gebruikt. Een bericht dat toch maar een vreemde voorloper bleek in het licht van de opeenvolgende gebeurtenissen die zich vandaag zouden afspelen. Want op 23 april plaatsten de Duitsers wel degelijk hun eerst gasaanval. De ochtend ontpopte zich als een perfecte lentemorgen, helder en klaar. Het duurde niet lang voor we geruchten hoorden dat de Duitsers door de Franse linies gebroken waren tussen Bikschote en Langemark.
De 1st Cavalry Division kreeg het bevel om zich te concentreren tussen Eecke en Godewaarsvelde en zich moest klaarmaken om steun te komen bieden. De Duitsers hadden in het grijs van de ochtend hun eerste gifgassen gelekt, verstikkende dampen die de Franse 78th French Reservist Division teisterden in zijn loopgraven. Het succes van dit manoeuvre was buitengewoon en overtrof zelfs de meest optimistische plannen van de vijand. Dat werd duidelijk toen de Duitsers blijkbaar maar over weinig troepen beschikten om voordeel te halen uit de grote bres die ze geslagen hadden in de geallieerde linies.
De Duitse cavalerie bevond zich te veraf om te kunnen ingezet worden. Die vaststelling werd duidelijk toen er al enkele uren later enkele cavaleriekorpsen opgeschoven waren vooraleer de Duitsers een tweede gasgolf zouden lossen. Maar ze hadden hoe dan ook de kans gemist. Het effect van gas bij een compleet onwetende tegenstander was maximaal geweest maar nu waren onze mannen verwittigd waardoor een tweede grote verrassing niet meer zo cruciaal was geweest. Natuurlijk had het stikgas totaal demoraliserend gewerkt en functioneerde hun systeem nog wel eens lokaal maar we konden ons voorbereiden met gasmaskers zodat de mannen in hun loopgraven konden blijven.
Het waren vooral de arme Franse reservisten die gewikkeld werden in die vreemde groengele mist die hen deed snakken naar adem in hun wurgende dood. Deze eerste gifwolk met zijn niet te definiëren horror zou elke doorwinterde soldaat van de Franse en Britse legers bij de keel gegrepen hebben. In de afloop van die eerste aanval ontmoette ik wanhopige Britse veteranen, de verschrikking van het gasbad was voor onze mannen die het meemaakten een ware ramp geweest.
De toestand op vrijdag 23 april om 10u leek bijzonder ernstig. Van achter de lijn Bikschote-Langemark waren de Fransen achterwaarts gestrompeld tot aan het kanaal dat ten zuiden van Steenstrate naar Ieper leidde. Op een positie niet ver van Boezinge hadden de Hunnen al de westelijke kant van het kanaal bereikt en stonden ze aan de voordeur van Boezinge-dorp. Het Sas en het noordelijker gelegen Lizerne bevonden zich al in Duitse handen. Lizerne lag wel aan de westkant van het kanaal en lag naast de hoofdweg Diksmuide-Ieper.
De 1st Cavalry Division ontving boodschappen met uitleg over de militaire toestand. Die info ging ook naar de Cavalry Corps, Indian Cavalry, 2nd Army en de New Northumbrian Territorial Division. Alle vermelde eenheden zouden heel binnenkort mogen deelnemen aan de gevechten. Generaal De Lisle haastte zich naar zijn 5th Corps hoofdkwartier in Poperinge en arriveerde er al voor 11u.
We reden tijdens onze tocht bataljon na bataljon voorbij, mannen die naar het noorden in de richting van Ieper sjokten of in de velden naast de weg lagen om even adem te halen. In Poperinge was het een constant aanrijden van ambulancen die gevuld waren met gewonde of vergaste Tommies. Majoor Moore van de Canadian Division vertelde me dat de Canadezen er volop in gezeten hadden en heldhaftig verzet geboden hadden. In hun dug-outs voor Wieltje en ten westen van Sint-Juliaan waren een deel Canadezen zich niet bewust van de gasaanval tot de Duitsers die de Fransen teruggedreven hadden en hun grijze lijnen nu plots duidelijk werden voor de Canadese ogen.
Ze hadden hun geweren en hun munitiezakken vastgegrepen, niet eens de formatie van hun eenheid of bataljon afgewacht maar waren integendeel zonder tijd te verliezen opgerukt in de richting van de vooruitstormende Hunnen. Ze zochten dekking waar mogelijk en openden van op korte afstand het vuur op de Duitsers. Het aangeboren karakter van die mannen, opgegroeid in de natuur waarbij geweren nooit veraf waren had spontaan hun instincten aangeboord om in actie te treden. Ze verdreven de Hunnen en konden daardoor de linies redden. Ze hadden de meubelen gered voor de geallieerden tijdens die eerste uren van de dag en de Canadezen zouden zich settelen in een halvemaanvormige lijn van aan het kanaal tussen de zuidoostkant van Boezinge tot een positie juist ten noorden van Sint-Juliaan, de halve maan boog zuidwaarts af vermits hun loopgraven op een bepaalde plaats tot over de weg Ieper-Langemark reikten.
Vanuit hun linies zouden ze nu stelselmatig naar het zuiden teruggedrongen worden door zware Duitse aanvallen. Het hoofdkwartier van onze divisie bleef tussen 13u en 14u aan de kant van de weg aan de westzijde van Poperinge en wachtte op de komst van de drie brigades. We maakten ons klaar om naar de scene van de oorlog te verhuizen. Het bleek een pauze vol nieuws en beweringen over hoe hard er wel gevochten werd. Enkele dozijnen van onze Du Cros ambulancen gierden voorbij met verbrijzelde mannen, op weg naar Hazebrouck. Met een hospitaaltrein van twaalf wagons en in alle hoeken uitpuilend van de verwondde Tommies westwaarts stoomde. Het geraas van de gemotoriseerde omnibussen die haastig oostwaarts reden in de richting van het geluid van de kanonnen, gevolgd door elke kakikleurige bus die ter beschikking stond.
Met daartussen vluchtelingen die terugkeerden en houten kisten meezeulden, geladen fietsen voortduwden, of karren meesleepten met stapels huishoudspullen en nu ook al zorgden voor serieuze verkeersopstoppingen. Afdelingen infanteristen marcheerden naar Ieper, munitietreinen forceerden zich hun toegang maar brachten alleen meer meer congestie. Langs deze hoofdweg die volgestouwd was met twee verkeersstromen in elke richting kwam de 1st Cavalry Division met al zijn materiaal, forceerde zich een doorgang door Poperinge waar treinen hele ladingen blauwgetinte Fransen ontscheepten en hen op weg zetten naar het oosten, richting Elverdinge.
Generaal de Lisle besliste om eerst naar Woesten te trekken. En we vonden de plaats gevuld met Franse territoriale troepen. Die ochtend waren er granaten neergedonderd op het dorp, maar bij onze aankomst was dat niet geval. We reden vervolgens de weg op richting Elverdinge en waren nog maar amper vertrokken toen we al geconfronteerd werden met het snorren van shrapnelkogels die met een scherp gekraak insloegen in de kasseiweg voor ons. Het was duidelijk dat de weg aandacht kreeg van de Duitse schutters.
Ik gaf een flinke portie gas en we kregen al direct twee nieuwe shrapnels die explodeerden op amper een halve meter boven de oppervlakte van de baan voor ons terwijl hun inhoud zich met een gemene smak insloeg, als ware die een statement van de vijandelijke precisie. Een van onze regimenten was aangewezen als reserve bij de Belgische linkerflank, niet zo ver ten noorden verwijderd van waar we reden. Een ander regiment moest dienen als reserve-eenheid om de Fransen voor ons te helpen en de rest van onze divisie diende als algemene reserve die kon ingezet worden volgens de eventuele noodzaak die er kon rijzen.
Een blik op Elverdinge bewees dat het dorp zwaar gebombardeerd was, de kerk stak vol met grote gaten. Onze linie was teruggedreven naar de oostkant van de parochie. Een chauffeur van een ambulance gaf aan dat onze mannen weldra zouden terugkeren tot in dit hol. Later zou blijken dat hij geen slechte profeet was geweest. De Canadezen waren teruggedrongen maar de steunlijn hield zich als een rots op zijn posities. Tegen het einde van de dag gingen onze mannen heldhaftig in de tegenaanval. De ‘rumff, rumffs’ van de houwitsergranaten verhoogden hun tempo en de kanonnade zwol aan in volume toen de nacht inviel. Een redelijk groot kasteel tussen Poperinge en Elverdinge werd uitgekozen als hoofdkwartier voor onze staf.
Anno 1915, op de 24ste april, zaterdag. Bij dageraad moest ik vanuit het kasteel van Elverdinge een tocht ondernemen naar Cassel. Een gekmakende ervaring, met de baan tussen Steenvoorde en Poperinge die compleet vastgelopen was met allerhande paarden- en motortransporten. Een grote vijftons-lorrie was in panne gevallen en moest verwijderd worden van de nauwe weg, een toestand die zorgde voor een volledig geblokkeerde doorgang. Duizenden lichte Franse vrachtwagen stonden te Cassel te wachten terwijl de ene na de ander trein Franse troepen aanbracht vanuit Arras. Het 9th Corps dat nog onlangs Ieper achter zich gelaten had na een verblijf van meerdere maanden werd nu als de bliksem teruggeroepen, zo snel als stoom en benzine hen konden brengen.
Die ochtend kreeg ik van de Franse korpsoverste een boodschap mee voor generaal de Lisle. De Britse cavalerie werd dringend gevraagd aan de frontlijn. Er kwam een tijdelijk divisiehoofdkwartier aan de 4km-steen van de Elverdingestraat zodat alle regimenten of brigades ons vlot konden komen berichten. Bij mijn terugkeer in de Westhoek gaf ik mijn Franse boodschap door een majoor Fitzgerald en ik ging dan op zoek naar generaal de Lisle die blijkbaar op verkenning was in de linies van ofwel Woesten of Elverdinge.
Ik koos voor dat laatste, overal op de weg – kilometers aan een stuk – kwam ik Franse ruiters gezeten op prachtige zwarte paarden tegen, gekleed in een soort bonte overtrekken en wonderlijke hoofddeksels. Bij het naderen van Elverdinge verdween elk teken van leven. Een bizarre stilte broedde over de dichte omgeving, een wiegende rust in de maalstroom van het geluid van de granaatexplosies die voorbije nacht gewoed hadden enkele kilometer verder naar het oosten toe. Ik pauzeerde instinctief aan de uithoek van Elverdinge, een moment van intens luisteren dat me een onwezenlijk en huiverig gevoel van eenzaamheid bezorgde.
Terwijl ik twijfelde of ik nu nog verder moest doordringen in het dorp of moest terugkeren naar Woesten brak de stilte brutaal met het weergalmen van een aanstormende 200-er houwitsergranaat die nog eens vergezeld was van een shrapnel, beide met hun typische geluiden die dan nog eens als een perfect koppel explodeerden. Gevolgd door een andere, nog een andere granaat en dan een verblindende ontploffing. Ik draaide mijn voertuig om terwijl een bom ontplofte in de hoek vlakbij en ik besproeid werd met een regen van scherven en puin. De fragmenten klapten op het metaal van de carrosserie en een flinke steen denderde op de achterkant van mijn wagen.
Ik racete mijn weg naar veiligheid, richting Poperinge terwijl de granaten maar bleven komen, in het dorp van Elverdinge en in zijn omgeving, en op de weg achter me, ik kon niet snel genoeg wegraken. Een met rode, witte en blauwe cirkels getooid vliegtuig – ongetwijfeld een vermomd Duits toestel – cirkelde boven een van onze batterijen die nu plots gezegend werden met een half dozijn shrapnels. Daarna kwam de vlieger overvliegen boven een boerderij met het hoofdkwartier van de 18th en een andere hoeve die onderdak bood aan het merendeel van het A eskadron. Direct daarna regende het granaten op beide doeningen waar meerdere manschappen getroffen werden.
Maanden later kreeg ik in het dagboek van kapitein Thompson zijn bewogen verslag van dat bewust bombardement te lezen. ‘Een eskadron lag in de nabijgelegen hofstede en alle mannen sliepen er rustig in de zonneschijn tegen de muur van een schuur toen er plots zonder enige verwittiging een kolenbak naar beneden plofte en boven op een van de mannen neerkwam. Ze zouden van het slachtoffer enkel een arm, een been en zijn hoofd terugvinden. Een volgende bom verwondde twee mannen. In inwoners van de boerderij zetten het op een lopen en enkele Franse Territorialen die hier al zeven maanden verbleven hadden gingen er als de gesmeerde bliksem vandoor.
Kolonel Burnett, adjudant Neame en kapitein Holdsworth stapten een meter of dertig op de weg toen de laatste twee geraakt werden door de splinters van een granaat, de ene in de hand en de andere in de rug. En de kolonel had geluk dat zijn riem hem beschermd had maar wel een wonde aan de dij opliep. De Duitsers bleven maar hun granaten rondstrooien op de weg en ze begonnen nu opnieuw het dorp zelf te bestoken met hun beestachtige 210mm hoog-explosieve projectielen die ze deponeerden tot bij ons aan de weg naar Poperinge.
Zes paarden liepen op deze baan toen een granaat insloeg op een afstand van 15 meter en dat resulteerde in een zwaargewonde en een dode koetsier die weggekatapulteerd in een boom bleef hangen langs de kant van de weg. Dan kwamen de 4th Dragoon Guards voorbij door de straat en het dorp, ook zij werden op de plaats door granaten verwelkomd. Ze verlieten direct de weg en spoedden zich naar een soort hol bij de waterloop, onze richting uit. Een eskadron dat er twee-aan-twee achteraan stapte langs een gracht en een lange haag werd het slachtoffer van een genadeloze bom die pardoes in de gracht denderde en vier soldaten tot 20 meter hoog in de lucht zwierde. Nog twee anderen werden gedood. Luitenant Brown was een van de vier ongelukkigen. Zijn hand werd teruggevonden in de stroom 50 meter verder weg.’
Op de keper beschouwd mocht ik dus best gelukkig zijn dat ik die ochtend ongedeerd had kunnen wegkomen uit Elverdinge. Ik kwam generaal de Lisle tegen toen hij uit Woesten terugkeerde in het gezelschap van kapitein Nicholson en reed dan terug naar Woesten met een boodschap voor generaal Briggs. Generaal de Lisle zag zich geconfronteerd met de wetenschap dat hij moest dienen als reserve aan de Britse linkerzijde en suggereerde aan de Franse commandant dat men beter eerst de Franse reservetroepen zou inzetten en dat de Britse cavalerie pas zou opgeroepen worden om de Franse voorste loopgraven te gaan bezetten indien er niet langer Franse reservetroepen ter beschikking zouden staan. Een strategie die geïnspireerd was door generaal French die de zaken slim bekeken had.
Bij onze terugkeer uit Woesten moesten Nicholson en ik een omweg maken door een smalle landweg die volledig dicht zat met Franse paardentransporten. Tijdens ons dolle rit richting Poperinge werden we verrast door het zicht van de stadsbewoners die in dichtere en dichtere drommen, allen verschrikt en verward op de vlucht geslagen waren. Zes grote granaten waren vanop grote afstand vanuit de vijandelijke linies afgeschoten op Poperinge. Volgens een doodsbange Belgische getuige was dat nog maar kort geleden gebeurd. Ik verloor geen tijd en reed op hoge snelheid door de Elverdingseweg. Amper aanbeland in het centrum kregen we ook al te maken met de Hunnengranaten die gemeen boven onze hoofden floten onderweg naar het treinstation en welke ietwat achter ons met een geweldige schudding tot ontploffing kwamen. De Duitsers gebruikten duidelijk hun grote kaliber kanonnen.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw


