19 januari 1492. De Gentse kapiteinen Jan Denys en Meukin Bollaert maken zich met hun mannen meester van Diksmuide. Ze doden er allen die het riskeren om weerstand te bieden, plunderen de woningen, stellen de rijke burgers gevangen en op rantsoen. Acht dagen later keren ze terug naar Gent en laten Diksmuide terug over aan de graaf van Nassau wiens aanval ze liever niet wensen te ondergaan. In Gent kunnen ze helemaal niet lachen met de laffe terugtocht uit Diksmuide. Jan Denys kan zijn leven redden door op de vlucht te slaan.
Een vredesvergadering op 10 februari in Mechelen mislukt omdat Gent en Sluis koppig vasthouden aan de deal van Tours en niet willen weten van een nieuwe vrede. Na die mislukte poging lanceren de Sluizenaars een vernielingsronde in en rond Aardenburg waar de sterktes allemaal in de vlammen verdwijnen. Ze leggen de hand op 22 binnenlandse schepen met koren, wijn en fruit. De vaartuigen kwamen uit Nieuwpoort en Oostende en waren onderweg naar Brugge. Ook de Gentenaars laten zich gelden met een verwoestende aanval op het klooster van de kartuizerinnen buiten Brugge.
De Duitse gouverneur in Brugge, een zekere Theuteville dreigt er mee om de stad in brand te steken als de wethouders hem niet voorzien van één maand soldij voor zijn krijgsvolk. Als hij dat geld dan toch in handen krijgt besteedt de klootzak het aan een verkwistend avondmaal. Heel het voorjaar van 1492 laat zich opmerken door schermutselingen in Kortrijk, Wingene, Tielt, Geraardsbergen en Hulst. Zowel de Gentenaars als de Duitsers leveren zich uit in de wildste uitspattingen van geweld waarbij ze vriend noch vijand sparen. Van een patsituatie gesproken!
Er moet boter bij de vis zijn
8 mei 1492. Albrecht van Saksen komt vanuit Holland binnen in Brugge. Tijdens een vergadering met de gemeente kan hij maar zo duidelijk zijn: hun stad moet niet rekenen op een verbetering van de toestand zolang de haven van Sluis gesloten blijft. En omdat Filips van Kleef-Ravenstein niet wil horen van vrede zal dat alleen maar kunnen gebeuren met de wapens. Hij wil zich daartoe engageren maar dat zal geld kosten aan de Bruggelingen. Die gaan ermee akkoord maar wensen boter bij de vis.
Van zodra de haven van Sluis open is zullen ze met guldens over de brug komen. Twee dagen later trekt hertog Albrecht met zijn krijgsvolk naar Gent in een poging om de stad te veroveren. Een hoogst idiote onderneming die natuurlijk faliekant mislukt. Bij zijn terugkeer eist de Duitser al direct de beloofde fondsen op, wat de Bruggelingen uiteraard weigeren. Ondertussen gaan de verwoestingen her en der verder. Het hele gebied tussen Kortrijk en Gent is een heuse oorlogszone. Buitzoekers en opportunisten genoeg. Vooral de bende Gentenaars onder het bevel van kapitein Arnold De Klerck, bekend als ‘Ploegenaar’ laat zich hierbij opmerken.
Daar kunnen ze van meespreken in het Land van Waas en de hele regio tussen Gent en Antwerpen. Ploegenaar ontpopt zich tot een heuse ster in Gent. Zijn populariteit is niet naar de zin van de andere kapiteinen. Mannen als Jan en Francis Coppenolle, Remigius Hubert, Meukin Bollaert en Jan Vanden Broucke kunnen zijn barbaarsheid niet langer verdragen en beslissen om Gent op 24 juni in handen te stellen van Albrecht van Saksen. Ploegenaar komt het verraad te weten en zorgt op zijn beurt voor een hinderlaag door de sluizen te openen waardoor het wachtende Duitse leger in het water belandt en de hertog en zijn volk al zwemmend hun leven moeten redden. Eerder al is Remigius Hubert al gedood en werden Jan en Francis Coppenolle opgepakt. De volgende dag ondergaan ze op de Vrijdagmarkt een ronde folteren waarbij ze hun verraad opbiechten. De logische volgende stap is dan natuurlijk de onthoofding.
–
Uit Deel 9 van ‘De Kronieken van de Westhoek – het Oud Verhaal van Vlaanderen –


