banner
Jun 10, 2021
1755 Views

Flarden van zinloosheid

Written by
banner

27 maart 1916. Niemand realiseerde zich vermoedelijk meer de complete zinloosheid om verslag uit te brengen over een moderne veldslag, op een manier waarop de lezer zich werkelijk een beeld kon vormen van wat er zich in realiteit had afgespeeld. In geen enkel woordenboek kon ik voldoende woorden aantreffen om de menselijke emoties en gedachten tijdens de lange dagen en nachten van verschrikking te omschrijven. De impact op de geest van het voortdurend exploderen van de granaten, het afkalven of de totale vernietiging van onze borstweringen en dug-outs, het begraven en besprenkeld worden met slijk en bloed met overal om zich heen dode en gewonde menselijke wezens, werkelijk overal rondom en nog het ergst van allemaal het meelijwekkende geraaskal van de manschappen van wie hun zenuwen het begeven hadden van de ‘shell shock’.

Geen enkele verbeelding kon die beelden werkelijk vastgrijpen, geen enkele foto kon amper wat meer dan er een flard van weergeven. Wie het zelf beleefd had wist wat ik wou zeggen. De medewerkers van ziekenhuizen en hulpdiensten zagen er aan de achterkant van de linies de resultaten van, maar zelfs zij konden zich ook maar enige inbeelding maken van hoe het werkelijk voelde om zich aan het front te midden van storm en hellevuur te bevinden. Ik kon dus onmogelijk – hoe zeer ik dat ook wenste – een waarheidsgetrouwe omschrijving neerpennen over onze militaire operaties.

Ik beschikte niet over de noodzakelijke data i.v.m. de actuele posities van de diverse eenheden en hun individuele resultaten, dat zou allemaal het werk zijn voor historici achteraf. Wat ik wou neerschrijven beperkte zich tot mijn persoonlijke waarnemingen die natuurlijk vrij beperkt waren in de totaliteit van de oorlog. Vermoedelijk moest ik toch wel in staat zijn om mijn deel in de slag om Sint-Elooi te vertellen, een gevecht waarvan ik zo gelukkig was om er pardoes in te belanden.

Op een bepaalde plaats aan de zuidelijke uitkant van de Ieperboog, waar de frontlinies een scherpe bocht maakten in oostelijke richting bevond zich het dorp van Sint-Elooi. Niet veel meer dan een gehucht met misschien vijftien of twintig gebouwen, voornamelijk gebouwd in baksteen zoals dat gebruikelijk was in alle Vlaamse steden en gemeenten. Sint-Elooi lag op de kruising van de twee hoofdwegen – voorzien van granieten blokken – waarvan de ene naar Ieper en de andere door Voormezele liep.

Het feitelijke dorp, op uitzondering van twee of drie buitengebouwen bevond zich binnen onze linies. Het deel dat gehouden werd door de vijand bevatte evenwel een prominente hoogte die we kenden als zijnde de ‘Mound’ of de heuvel. En die domineerde de hele frontlijn over een lengte van minstens anderhalve kilometer. De heuvel was al meer dan een jaar het been waar om gevochten werd tijdens diverse wanhopige pogingen om die in te nemen.

Vooral in februari en maart 1915 was dat het geval geweest toen de mannen van de Princess Pat’s zo vreselijk aan stukken werden geslagen en er hun eerste bevelhebber kolonel Farquhar verloren. Maar al de geallieerde pogingen hadden gefaald. Onze ingenieurs probeerden nu tunnels te graven en mijnen aan te brengen – zes om precies te zijn – om deze plek van de Duitse frontlijn over een afstand van zeshonderd meter op te blazen.

Alles stond nu in gereedheid, met de mijnladingen op scherp. Het tijdstip van de grote ontploffing was vastgelegd vandaag 27 maart 1916 bij het gloren van het eerste ochtendlicht. De mijnladingen stonden klaar om simultaan af te gaan en de explosie zou gevolgd worden door een directe aanval van de Royal Fusiliers, de Northumberland Fusiliers en een bataljon van de West Yorkshires. Onze brigade, die van de 4th Canadian bevond zich direct rechts van het punt van de aanval, maar aangezien de keizerlijke troepen hun machinegeweren omgeruild hadden voor de lichtere automatische Lewis-geweren die ze zouden gebruiken in samenhang met de oprukkende troepen leek het ons aangeraden om alle beschikbare machinegeweren van de zwaardere types als ondersteuning aan te brengen.

Die zouden dan helpen bij het oprukken van onze mannen en weerstaan aan de onvermijdelijke Duitse tegenprikken. Onze machinegeweren – twaalf in aantal – werden neergepoot op de meest voordelige posities aan de flanken van de oprukkende troepen. Op dat moment diende ik nog maar als sergeant maar omdat ik in het verleden ooit officier geweest was en over meer mitrailleurservaring dan de rest beschikte, kreeg ik de supervisie over deze twaalf machinegeweren en hun schutters.

De nacht van de 26ste op de 27ste maart hadden we ze in stelling gebracht. Onze mannen brachten aansluitend nog een deel mortierlanceerders van diverse kalibers aan met enorme hoeveelheden munitie. We stonden nu te wachten op het ‘zero’ uur, dat was de tijd wanneer de show zou gaan beginnen. Ik had mijn positie gekozen aan de uiterste linkerkant want ik wilde het hele gebeuren nauwkeurig gadeslaan.

Stipt op het aangewezen tijdstip explodeerden de mijnen, gevolgd door het verschrikkelijkste en meest verblindende zicht waar ik nooit eerder getuige van was geweest. Van lawaai viel het best mee maar de hele aarde onder ons begon nu plots in volle agonie te kronkelen en te beven. En dan, zo leek het toch in het zwakke morgenlicht leek de grond opgetild te worden tot finaal alle verbindingen, aarde, bomen, gebouwen, loopgraven en mannen in de lucht gekatapulteerd werden. Direct gevolgd door enorme wolken van vlammende gassen die zich in de lucht verspreidden en uitgroeiden zoals gigantische roze rozen die op een seconde tijd in volle bloei schoten.

Wat ik zag leek op een aardbeving, direct gevolgd door een vulkaanuitbarsting. Nog voor de rondvliegende steenbrokken en restanten de grond bereikten waren de Fusiliers al over de top gelopen en vochten ze zich een toegang door de jungle van prikkeldraad en granaatkraters. De feitelijke bezetting van de mijnkraters botste begrijpelijkerwijze op geen tegenstand omdat er niemand meer was om die nog te bieden. Toch bleven de manschappen kennismaken met viriele weerstand terwijl ze nu in contact traden met de Duitse versterkingstroepen die van achteraan opgerukt kwamen.

Even later kwamen beide kampen tot stilstand achter de ‘Mound’ waar elkeen zich zo goed mogelijk probeerde te verschansen. En dan brak de hel los. Dat begon met onze artillerie, machinegeweren, mortierlanceerders die zorgden voor ononderbroken geschut. De Duitsers werden op snelheid gepakt maar op amper enkele minuten tijd kwamen ze al op hun positieven. En toen ze dat deden gaven ze ons een perfecte demonstratie van hun accuraat en onbegrensd artillerievuur zoals ik en niemand bij ons ooit in ons leven hadden meegemaakt.

De lucht leek letterlijk vol van de ontploffende granaten gelijkend op een miljoen vuurvliegjes. Onze borstweringen waren op wel honderd plaatsen plat geblazen en de lucht rondom gevuld met vliegende zandzakken, stalen balken en houten kepers. Een granaat ontplofte onder het machinegeweer waar ik bij stond en keilde het geweer, de standaard, munitiebox en al de rest de hoogte in. Zelfs in deze omstandigheden kon ik het niet helpen om te lachen met het idiote zicht van dat machinegeweer dat daar in de lucht rondcirkelde en om zijn as spinde met de poten van zijn statief stijfjes omheen tollend met daarbij nog eens de munitieriem die zich er rollend en ontrollend als een serpent tussendoor slingerde.

Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw

Article Tags:
· · · · ·
Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *