Zwart van de kruisen 10 december 1918. Prachtig weer! ’s Ochtends vertrokken we uit De Panne in volle vaart over Veurne, tussen Avekapelle en Booitshoeke naar Pervijze. We begaven ons op een dam bij de statie. Hier kenden de woorden hun ware betekenis niet. Als men zegde ‘aan de statie gelegen’ wilde dat doodeenvoudig zeggen op de plaats waar vroeger de statie stond. Want die bestond niet meer, enkele brokstukken uitgezonderd, al niet meer sinds de gevechten die hier in oktober 1914 hadden plaatsgevonden.
Na de terugtocht van Antwerpen was het Belgisch leger voor de Ijzer gekomen en moest het onder druk van de vijand de bocht van Tervate ontruimen. Op 26 oktober 1914 had heel de Belgische artillerie die bocht gebombardeerd. De Duitsers die er twee divisies in hadden gepositioneerd zagen die zowat volslagen vernield.
Ondanks die afschuwelijke offers kwam de vijand vooruit tot tegen de statie van Pervijze. ’s Namiddags kwamen er tot op 30 meter vandaan. Het was een kritiek moment geweest. Indien de vijand daar zou doorgebroken zijn dan zou Veurne vallen en kreeg de vijand vrije toegang tot de Franse kust. Het Belgisch leger had beslist om hier stand te houden: de Duitser zou hier voor wat hen betrof niet doorkomen en ze zouden dat ook niet doen. Troepen van de 3de legerdivisie – onder het bevel van de latere generaal Jacques – gingen in het tegenoffensief en sindsdien was de vijand geen meter meer vooruitgekomen.
Pervijze was de hele oorlog in ons bezit gebleven. Rond de statie zag men niets anders dan loopgraven met duizenden meter verroeste prikkeldraad. De plek maakte een van de sterkste punten van onze verdediging uit en werd daarom door de Duitsers systematisch in puin geschoten. Hier zagen we wat er van de overstroming overbleef. De waters waren al enorm gezakt en slechts hier en daar zag men er nog sporen van.
Van die prachtige uitgestrekte weiden, de rijkdom van de streek was niets meer te bespeuren. Arme wereldberoemde ‘vette bilken’ waarin duizenden melkkoeien getuigden van de bloei van het land van Diksmuide. En men moest nu eens kijken! Daar, waar vroeger geen plaatsje onbebouwd was, zag men alleen maar het akelige slijk, de ‘kliette’ zoals men dat hier zegt.
Ginder, op een honderdtal meter van ons wandelde een reiger statig op de verstijfde modder. De bocht van Tervate kon onmogelijk gehouden worden omdat hij van weerskanten door flankvuur bedreigd was. We maakten nu halt achter de spoorweg van Nieuwpoort naar Diksmuide. Ook in noordelijke richting was de toestand ernstig geweest. De Duitsers zaten in Ramskapelle en drongen door tot aan de waterpartij van het Koolhof. Ook van daar was het zo gewichtig bruggenhoofd bedreigd.
Op 31 oktober 1914 hadden Belgische regimenten van de 2de legerdivisie en Franse regimenten de Duitsers verdreven uit Ramskapelle. De Duitsers meenden hier het zwak punt van de geallieerde legers gevonden te hebben. En op het eerste zicht had het er ook wel alle schijn van.
Hadden ze immers niet te doen met een afgemat en slecht uitgerust Belgisch leger? Met troepen zonder schoenen aan hun voeten? Zonder voldoende munitie. De Fransen die elders aangevallen waren konden geen hulp bieden, met uitzondering van de 6.000 marine-fusiliers van admiraal Ronarc’h.
De toestand was hachelijker dan ooit, zelfs na de veldslag. Ieder kanon had nog maar zeven of acht granaten te verschieten. Gelukkig was de vijand evenzeer uitgeput. Men kon zonder overdrijven en met fierheid zeggen dat ons leger hier iets bovenmenselijks had gepresteerd. Hier werd een van de meest glorierijke bladzijden van de hele oorlog geschreven.
De bewerkbare korst was natuurlijk totaal doordrongen door het zeewater. De granaten hadden er ontelbare kraters geschapen die de grond op een maanlandschap deden gelijken. De overstromingen hadden niet alleen zout water maar ook zand op het land gesleept. Men had te Diksmuide een hogere stafofficier met eigen ogen gezien hoe garnalen gevangen werden in volle stad.
Hoe ver het oog kon reiken ontwaarde men overal graven. De meesten zonder naam. Hoe groots leken ze die naamloze kruisjes in deze barre woestenij. Hier en daar was een resterende muur gebetonneerd om te dienen als bewakingspost. Zo bijvoorbeeld de pastorie van Diksmuide en de meeste bouwvallen van de kerktoren. Uren en dagen zou ik wel hebben willen kijken naar die ongelukkige streek.
Maar de onverbiddelijke tijd verplichtte ons de weg in te slaan naar Diksmuide, na een vluchtig bezoek aan het kerkhof van Pervijze, zwart van de kruisen, waaronder zo veel landgenoten of vijanden van hun laatste slaap genoten. Eén enkel kruis droeg als opschrift ‘Aan 200 Duitse soldaten’.
Nu reden we naar Kaaskerke. In dit dorp waarvan bijna niets meer recht stond zagen we voor het eerst een waar trechterveld. Beeld u een strook grond in, gelegen aan de straatweg, 100 meter breed op ongeveer 200 meter diep, put op put, nooit meer dan 20 centimeter tussen elkaar, gevuld met water tot op een 30-tal centimeter van de rand, en u zou een klein beeld hebben van de verwoesting van die streek.
En dan Diksmuide. Onze auto stond stil alsof we in een kleine gemeente waren, enkele zeldzame bouwvallen waren er te zien. Alleen de kaart kon ons vertellen dat we ons op de Grote Markt van Diksmuide bevonden. Nieuwpoort was een dode die ze met godvruchtige handen op een praalbed hadden gelegd. De puinhopen zagen er min of meer schoongevaagd uit en we zagen tenminste de plaats waar de vroegere straten geweest waren.
Te Diksmuide was het een warboel. Hoogten en laagten, alsof een geweldige aardbeving het ongelukkig stadje – een van Vlaanderen’s juwelen – verwoest had. We stonden op de vroegere 15-meter brede weg van Diksmuide naar Ieper, via Woumen, en we wisten het niet eens. We beklommen de bouwvallen van de kerktoren die een soort ‘hoge hul’ vormden en we bekeken het schouwspel.
Een muur van het begijnhof stond nog halfrecht en verder was hier niets. Niets. Geen pen kon een gedacht geven van de arme stad die door de twee artillerieën beschoten werd. Tot in het begin van november 1914 was de stad aan ons geweest, maar langer vasthouden werd onmogelijk. Diksmuide, op de overkant van de Ijzer gelegen werd verdedigd door de marinebrigade, bestaande uit twee regimenten met in totaal 6.000 mannen onder het bevel van admiraal Ronarc’h en enkele Marokkaanse troepen.
Dit bruggenhoofd strekte zich uit tot over Kaaskerke. De Fransen verdedigden zich als leeuwen hoewel de Marokkaanse het nogal snel hadden opgegeven. Op één dag tijd nam de vijand de stad in. Dat was een gevoelige slag geweest voor de Belgen, want er bleven ons bijna geen grote steden meer over.
We hadden nochtans veel volk verloren om dit bruggenhoofd in stand te houden, des te meer omdat de Ijzer toch achter de stad lag en veel gemakkelijker te verdedigen was. Hoewel de Franse matrozen zich heldhaftig hadden gedragen konden ze zich er onmogelijk op hun eentje doorheen helpen. In de voorste loopgraven van deze verdedigingszone bevond zich een gracht die door de soldaten ‘loopgraaf van de dood’ genoemd werd.
Het was een ondergrondse loopgraaf en men was reeds tot op 30 à 40 meter van de Duitsers genaderd. De ‘sape’ was gelegen bij de vroegere petroleumtanks van Diksmuide die in het begin van de strijd in laaiende vlammen opgingen. De gang lag continu onder het vuur van de vijandelijke mitrailleurs.
In 1915 hadden de tegenaanvallen zich bijna dagelijks opgevolgd. De troepen die er zich begaven keerden helaas nooit volledig terug. Diksmuide was door de Duitsers herschapen in een moderne vesting. Het was een onvervalst mitrailleursnest geworden. De stad was doorkruist met gebetonneerde schuilplaatsen, voorzien van schietgaten van waaruit men zonder enige moeite elke aanval zou kunnen afslaan.
De vijand had van elke plooi in de aardbodem gebruikgemaakt om er een of ander hels tuig in te plaatsen. In drie schuilplaatsen bevonden er zich nog mijnenwerpers en munitie die ze moesten achterlaten toen de stad op 23 september 1918 genomen werd door de troepen van de 4de legerdivisie van generaal Michel.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw


