Werkelijk niets blijft Johanna gespaard. In Vlaanderen ontstaat een inlandse oorlog wanneer een of andere gelukszoeker uit het niets opduikt en van zichzelf beweert dat hij Boudewijn van Constantinopel is, de vader van de gravin die nu al 19 jaar verdwenen is na de slag voor Andrinopel.
De winter van 1126 is verschrikkelijk. De mensen en de beesten vergaan van de koude. De vruchten op het land bevriezen ter plekke waardoor er daarna haast geen voedsel beschikbaar is en er veel mensen sterven van de honger.
Die Boudewijn van de Ijzer is me het kereltje wel. Sterk, dapper, zijn reputatie die hem in lijn brengt met zijn ijzeren imago.
Dichtbij de plek waar het Egliseum zo moeizaam een nieuwe toekomst probeert op te bouwen in het Ieper van 2014, de ‘Paters’. Het kan maar daar zijn: ‘aen de westzijde van de Mondstraete regt over de Paterstraete alwaer de kerke der Jesuiten nu staet.’ Het feestje loopt slecht af. ‘In dit onbewoond huys moesten zij hun spel vertoonen ter oorzaeke van het quad weder mits het gedeurig regende.
De nood is hoog. De armoede woekert maar verder. Het gevolg van een dramatisch slechte handel, een flauwe nering en de duurte van de voedingsmiddelen. De kerken zitten vol met biddende mensen. ‘God haal ons hier toch uit deze ellende’. Hoeveel keren zal God de vader deze vraag toegestuurd krijgen?