Jan van Dadizele zwaait de scepter over de twaalf burggraafschappen, zo veel wordt duidelijk als we een akte lezen die in opdracht van de graaf opgesteld werd door Jacob Scaec tijdens de hooimaand van 1456. Onze man is dan vierentwintig jaar. We krijgen zicht op interessante details over de toestand in het Kortrijkse van de 15de eeuw. Eerst en vooral is er het landgoed in Dadizele. Vijfentwintig hectare ‘Mersch, busch ende watre’. Ze leveren hem nogal wat opbrengsten op. De penningrente bedraagt 107 pond per jaar. Het eerste deel te betalen op ‘Baesmesse en de rest te Kersthavende’. Naast cash valt er nog veel meer af te dragen aan de leenheer. Honderdvierenveertig rasieren graan, zes ganzen, zestien kapoenen en drie hoenderen. Dat geldt voor iedereen die een stuk grond in gebruik krijgt ‘binder voorseyde prochie van Dadiselle’.
De twintig lenen in Ledegem zijn in leen gegeven aan een zekere ‘heere vander Gracht’. Jan van Moorbeke baat de zeventien lenen uit in Gits, dat hier omschreven staat als ‘in de prochie van Gheits’. Ook in Middelkerke zijn er eigendommen. Er volgt een lijst van leenhouders die hun leen al dan niet in volle leen hebben. Lenen vooral in Dadizele, maar ook in Ledegem: Jan Blomme, Roellandt de Valckenare, Olivier Cannaert, Lysbette Witinex de ‘wedewe Lauwers’, Jan de Conde, Tristam vander Woestine, Denys vander Meersch, Thomaes Bollin, Pieter Ghiselin, Daniel de bastaard van Dadizele, Jan Palster, en nog anderen.
Baljuw Jan van Dadizele krijgt uitdrukkelijk de macht om recht te spreken over allen die op zijn landerijen wonen. ‘Te weitene: zweert, pit, galghe, den ban van 100 jaren ende eenen dach uut myner voorschrevene heerlichhede ende voort uuten lande van lande van Vlaendren up ’t lyf.’ ‘In desen staet es Dadiselle in meye in ’t jaer 1480.’ Het staat me erg aan dat ik nog meer details te lezen krijg. Dadizele is dus één van de twaalf burggenootschappen die onder het kasteel van Kortrijk vallen. Waterpartijen, boomgaarden, meersen en landbouwgrond, ‘al liggende tsamen rondsomme der kercke, zonder datter eenich ander landt binnen es, uutgheleit ’t kerchof, de priestrage ende diversche plecken van erven.’ Er is nu al sprake van 46 hectare.
De noordoosthoeve flankeert de Huelebeek. En als ik het goed begrijp is dat de belangrijkste van allemaal want het land wordt er rechtstreeks uitgebaat door de horigen van Jan van Dadizele. Naast zijn hoeve bevindt zich het erf Ter Beke, bewoond door Willem Corte. Tegen de grens van Ieper-Ambacht woont Thomaes Bollin. ‘Ende van daer streckende dweers den steendam westwaert lancx den waterlope jeghem stroom ande zuudzyde van alle den meersschen tot in de Wervicstrate, noortoost van sheeren hofstede ende van daer lancx der oostzyde van Willems Corte leen voorseyd.’
De horigen die het land bewerken in opdracht van Jan Dadizele worden niet enkel verplicht om mee op oorlog te trekken als ze daartoe opgeroepen worden. Van alles wat ze produceren op zijn grond, moeten ze een stuk afstaan. En ze moeten ook werk gaan verrichten op het hoofdleen van Dadizele. Ter Huele dus.
De mannen mogen gebruik maken van paarden om het land te bewerken. Het gras op de weide moet gemaaid worden. Die weide is zowat twee hectare groot en wordt omschreven als de ‘latemeersch’, een naam die rechtstreeks verwijst naar de status van de sukkelaars die er moeten werken: de laten. Een van de belangrijkste lenen is deze van ‘Vleenderbeix’ en de uitbater hier is ook al cijnzen verschuldigd aan ‘Ter Huele’. Vijf schellingen en acht Parijse denieren, staat er te lezen. Er wonen drie soorten van laten op de hoofdmarke. ’t Leen heift upperhof, nederhof, behuust, beplant ende bewatert, wintmeulene, orsmuelene ende brauwerie.’
De heerlijkheid van Dadizele strekt zich uit ‘inne de prochie van Ghelue, Ledeghem, Gheyts ende Middelkercke’. De priester van Dadizele is de geestelijke baas over het hele gebied. Er heerst een ‘ghemeene kercghebot van deurgaende ende singuleerde waerhede van ban’. Ook op rechterlijk gebied heerst de vierschaar over dezelfde gebieden. De oude tekst van 1480 springt van de hak op de tak, via de jaarmarkt van Dadizele en de handbooggilde, jump ik nu naar de omgeving van de kerk. Dat is het één en het ander hoor!
‘De kercke, priestrage, upperhof, nederhof met orsmeulene ende brauwerie, de plaetse, de maerct, veel ghebuers ende diversche boomgaerden zyn tsamen bevreit met poorten, vesten, haghe ende water; het es een scone pelgrimage, groot appoort, scoon kercke daer men doet alle daghen de 7 ghetyden, de hoogmesse met dyaken, subdyakene, ghegheurt, ende veil andere messen ende godlic dienst met 5 priesters, solastre, costre, organiste, ludere ende kinderen.’ De macht van Dadizele over de omliggende gebieden heeft ongetwijfeld veel te maken met zijn strategische ligging.
Pal op het kruispunt van de wegen tussen Brugge en Rijsel en die tussen Ieper en Kortrijk. De memoires van Jan van Dadizele trekken verder weg naar het begin van de jaar 1400 waar ze weer gaan zwerven tussen de bewoners van die dagen. Hun wel en hun wee. Wie ze zijn, waar ze mogen wonen en vooral wat moeten afdragen aan vrauwe Alise, ervachteghe vrauwe van Dadiselle’.
Een hele lijst van hofstedes met hun bewoners en met het aantal ‘capoenen’ die ze moeten afstaan aan de leendame. En opgepast: de jaarlijkse afstand van ‘capoenen’ is een plicht die overgaat van vader op zoon. De tweeëntwintig boeren zijn goed voor zowat vijftig kapoenen. Lise Arnouts vormt een uitzondering: zij dient een hoen te schenken. Ik leer wat nieuwe namen van landerijen kennen. ’t Landt Ter Strate, te Haghebarens, Yweins Hoghen-acker en Aeldingscip, Vlassiners landt, Smeiners landt, Onraedts lands en het gaat zo nog lang verder. Diepgang wil ik. Ik wil weten hoe het leven van de mensen er in die tijden aan toe gaat. Het hoofdstuk over ‘de maniere omme de latemeersch te mayene, onderhouden in den tyd Jans, Heere van Dadiselle, Ruddere’, bedient me op mijn wenken.
Het koren op de latemeersch wordt in elk geval gewoonlijk geoogst in de hooimand of in de oogstmaand. Dat gebeurt bij voorkeur op een dinsdag, woensdag of een donderdag. Blijkbaar zijn dat de dagen die best passen voor heer Jan. Werken op het veld op een zondag is taboe. Dan behoort iedereen naar de kerk te komen. En dat mag best ernstig genomen worden. De gronden van diegenen die niet naar de mis komen, zullen verbeurd verklaard worden. De kerkgang wordt net zo goed als een belasting beschouwd als elke andere leenrente. De 11 laten die de beschikking hebben over in totaal zesenzestig bunders houtland leveren ‘elc dien dach’ een wagen hout die getrokken wordt door twee paarden. ’11 waghens also ghestoffeirt met eenen meynere ende eenen onthakere.’
De rest van de horige families moeten elk een werkman sturen om met een riek de mest te laden en te lossen. In ruil krijgen ze ‘broodt, ghesoden zoetemelc, buetere ende peinssen ghefruyt’, gebakken pensen dus en tijdens de middag krijgen ze ‘broodt, spec, aerweiten, vleesch, caes ende bier.’ Ze worden uiteraard niet betaald maar het valt toch op dat ze flink wat eten krijgen. De hele dag krijgen ze bier ter beschikking. En de paarden krijgen nieuw hooi. ’s Navens als zy werc laten, elc een cleen broodekin ende een sticke caes daer up, insghelycx elcken kinde datter comt.’
Dit is een fragment uit Boek 5 van De Kronieken van de Westhoek


