Als ik iets wil te weten komen over de periode tussen 500 en 1200 zal het uit de kerkelijke archieven moeten komen. Alleen bij de monniken is er al sprake van een schriftelijke overlevering. Buurstad Ieper moet tussen 1000 en 1100 ook al een stad zijn die flink in opmars is en toch doen ook hier de eerste structurele geschriften pas hun intrede rond 1100. In Wervik is het niet anders en dat maakt de geschiedenis erg zwijgzaam. Om te beginnen is Wervik meer dan zo maar een centrum. De hele randomgeving zal in handen zijn van een of meerdere landheren en met de komst van het christendom, worden de grenzen van de privé eigendommen ook een beetje die van de verschillende parochies die elk hun kapel als centrale bidplaats toegewezen krijgen.
Of er zich naast Sint-Maarten nog andere bidplaatsen bevinden in het jonge Wervik, is mij vooralsnog niet bekend. Vanaf de vroegste tijden bezit de grondeigenaar die dergelijke kapel op zijn heerlijkheid heeft ingericht het recht er om een geestelijke aan te stellen die verantwoordelijk wordt om de bidplaats uit te baten. Een geestelijke gerant als het ware die uit de handen van de grondheer moet eten die op zijn beurt beste vriend is van de kerkelijke hiërarchie. Samen zullen ze wel beslissen wat de lijfeigenen wel of niet mogen doen.
Die priester of geestelijke wordt omschreven als een ‘kapelaan’. De grondheren staan echt op hun recht om hun eigen kapelanieën te mogen oprichten op hun territorium. Het verhaal van de eerste Wervikse landheren die meteen ook de stichters zijn van de christelijke kapelanieën, vergt wat uitleg. Om te beginnen worden de landheren ertoe verplicht om zorg te dragen voor hun stichting en moeten ze die voorzien van giften.
De priester die de kapel uitbaat moet er met zijn familie kunnen van leven. Dat recht wordt door Karel de Grote als ‘mansus integer’ omschreven. Koning Lodewijk de Vrome (zin zoon) preciseert een en ander rond de jaren 800: de mansus moet een hoeve van 8 hectare zijn, met woonplaats en voorzien van vier slaven die de grond bewerken. In 900 laat de aartsbisschop van Reims onderzoeken of elke parochie effectief de (ondertussen al) voorgeschreven twaalf hectare (bunder) en de nodige werkkrachten bezit. Er wordt in deze kwestie niets aan het toeval overgelaten. Een kapel of een kerk, een nieuwe bidplaats, kan niet zomaar gebouwd worden.
De landeigenaar moet eerst en vooral bij de bisschop een aanvraag tot wijding indienen. Bij die aanvraag dienen de goederen die als ‘bruidsschat’ bij de schenking behoren netjes vermeld te worden. Pas na grondige controle en aanvaarding kan de nieuwe bidplaats gewijd worden. De pastoor moet bij zijn aanstelling eveneens een kleine bijdrage leveren vooraleer hij uitbater/eigenaar wordt van de nieuwe kerk of kapel met de bijhorende landerijen. Nu ja. Eigenaar wordt hij tijdens zijn leven. Na zijn dood erft de kerk alles.
De voordracht van de pastoor en de bedienaars van de eredienst is aanvankelijk het recht van diegene die de schenkingen heeft gedaan. Dat recht wordt ‘altare’ genoemd en wordt op zijn beurt geschonken aan een of andere abdij of klooster. Wie het ‘altare’ bezit, is meteen eigenaar van het patronaat van de bidplaats. Hij is de ‘pastor primitivus’ van de kerk en hij kan zich laten vervangen door een plaatsvervangende priester die op de parochie verblijft en die uiteraard eerst goedgekeurd en benoemd wordt door de bisschop. Soms heeft de eigenaar van het ‘altare’ ook alle recht om de plaatsvervangende priester zelf te benoemen en dat recht wordt het ‘personaat’ genoemd. En dat is het geval in Wervik.
De bisschop van Doornik schenkt het personaat van de Sint-Medarduskerk aan een kanunnik van het kapittel van Rijsel. Datzelfde kapittel verkrijgt trouwens het patronaat van de drie Wervikse kapelanieën. Deze van de Sint-Maartenskerk, de Sint-Magdalenakerk en van de kapelanie van het Sint-Janshospitaal. De abt of de kanunnik van de Rijselse abdij krijgt dus alle rechten toegewezen om de keuze te maken van de gepaste Wervikse priesters.
Het kapittel ‘Saint-Pierre’ van Rijsel, op en top een Vlaamse stad, wordt gesticht door graaf Boudewijn in het jaar 1066. Via een reeks van schenkingen, komt ze de daaropvolgende jaren in het bezit van het ‘altare’ van een pak kerken en bidplaatsen in de Westhoek en in de streek van de Leie en zelfs verderop in het binnenland. Ik beperk mijn reeks tot de kerken waar men het niet direct van zou verwachten. Zo komt in 1088 het altaar van Gits bij Roeselare onder controle van het Sint-Petruskapittel. Het altaar van Wervik volgt in 1090, en de daaropvolgende decennia dikt het aantal bidplaatsen verder aan. Aan elke bidplaats zijn tienden verbonden, opbrengsten van belastingen die elke parochiaan moet afstaan aan zijn of haar respectieve kerkvader.
Een lucratieve handel die tienden, die trouwens nog aangevuld worden met de offergelden. Een deel gaat naar de kapelaan en de rest van de tienden gaat gedeeltelijk of volledig naar de eigenaar van het ‘altare’. Twee derden van de tienden van Roeselare verhuizen naar Rijsel, 10% van de kerkelijke opbrengsten van de graaf van Vlaanderen verdwijnen in hun zakken. Ook in het bisdom van Terwaan zwaait het kapittel de scepter over het ‘altare’ van Vlamertinge en Dranouter die in de oude kerkelijke geschriften als ‘Flamberlinghes’ en ‘Dranoutre’ aangestipt staan.
Dit is een fragment uit Boek 5 van De Kronieken van de Westhoek


