Keukenremedies uit grootmoeders tijd en later
De geneesheer konden ze, in die tijd, maar moeilijk betalen, de schamele daghuur liet het niet toe, en verzekering tegen ziekte kenden ze niet. In stad – te Brugge – betaalden ambachtslieden wekelijks een kluit, of zo iets, in een of ander ‘Gemeenzaamheid’ (ziekenkas van de ‘sosseteit’); in geval van ziekte trokken ze een frank en 25 centiemen gedurende zes weken.
Onze grootouders waren echter niet kleinzerig, en ze meesterden met allerlei kruiden en remedies. ’t Gezegde is niet uit de lucht gegrepen: ‘ge zoudt van alles nemen om te genezen, zelfs stront eten als ’t moet’.
1. Wekelijks legde de boerin ‘een klontje ongezouten boter’ op zijds; ge kost nooit weten, er was daar vraag naartoe als remedie voor ’t een of ’t ander te strijken.
2. ‘Dermvet’ had iedereen in huis: vette darmen en stronrzak van ’t zwijn schoon gekuist, gekeerd, geschreept, gespoeld en te week gezet; ’s anderendaags gekookt en, na afkoeling, de schijf vet afschrepen alsook ’t vet rond de derms; hersmelten en in een gleiers zalfpotje bewaren. Een verwarmd slunsje bestreken met darmvet werd op een wonde gelegd en verbonden. Gesprongen handen, wrijven (wreven) of lippen moest ge verwarmen en insmouten met darmvet: dat verzacht veel.
3. Op een veretterde wonde legde men pap van ‘roggemeel of lijnzaadmeel’ tussen twee doekjes. Als ’t mogelijk was, de wonde steken in ’trek van gruis met zout’; de vuiligheid trekt er uit.
4. Voor een zevenoog en negenoog bereidde men een papje van wittebrood en melk. Verse biergist drinken is goed. Wie er gevoelig aan is (aan zweren) moest een ‘neute van schade’ (muskaatnoot) dragen maar ’t moest een ‘manje neute’ zijn.
5. Als ’t zeer onverdraaglijk was, dan legden ze slaapkoppen om de pijn te verdoven.
6. Een bekende remedie tegen de vijt (verzworen vinger): de vinger steken in de dooier van een vers ei nog in de schaal; of een papje van ‘geknabbeld brood met eigen speeksel’ gemengd met bruine zeep. Dinge kost de vijt genezen: ‘hij meesterde dat droge’ en ’t was zeer pijnlijk; ‘nat meesteern’ was minder pijnlijk maar ’t duurde wat langer. Ook aangeraden: de vinger steken in ‘een pannetje zeepsop’ zo heet mogelijk.
7. Een gewone verzworen duim of vinger; verschiet niet (nog vóór een paar jaar gezien!) . Steek de vinger in een ‘vingerling met verse koeistront gevuld’. Anderen legden ‘één reepje van de vlage – de koeke -‘ van ’t zwijn op de vinger; ze kochten ook ‘slangenzalf’ bij de apoteker tegen verzweringen.
8. Een zweer kost ge ook laten lekken door een hond: immers ‘hondetong geneest’.
9. Ze gebruikten als kruiden: schoon ‘afgespoelde weegaarsblaren’ om op zweren te leggen. Bij de hand was het hutje ‘donderblaren of geneesblaadjes’ op de pannen: gepeld op de verzwering te leggen.
10. Op een bloedende snee – ”t mag bloeden dat ’t zeekt’ – werd een vuil zwart kobbenet gelegd om ’t bloed te stelpen. Neusbloeden wordt gestopt met een koude sleutel in de hals te leggen.
11. Brandwonden werden ook met ‘gepelde donderblaren’ behandeld. Een gekende remedie: witte lelieblaadjes op olie gezet was pijnstillend; een ‘preiblad’ werd ook gebezigd.
12. Een verbrande voet of hand in ‘geraspt patattesop’ dompelen.
13. Tegen zere ogen kenden ze meer dan één remedie. ‘Geraspte patatten in een driehoekig gevouwen zakdoek’ op de ogen leggen als ge slapen gaat. Het oog betten met een afkooksel van blauwkoornbloemen.
14. Sterke remedie: jeukende rode oogranden bevochtigen ‘met nuchtere eigen pisse’. Gewoon eenvoudig: ‘doppen’, met gekookt lauw geworden regenwater.
15. Voor een koude op de ogen moet ge ‘in ’t gloeiend vuur staren’ tot de tranen langs je kaak rollen, de ‘koude waters moeten eruit’.
16. Een zwijnspuiste wordt met ‘nuchter speeksel’ vochtig gemaakt. Lachend zegt men: nuchter spuwsel van ’s avonds.
17. Nog zwijnspuist. ’s Avonds een papje van wittebrood met melk in een doekje erop binden; er werden ook pappewortels in het doekje gebonden. Omdat de zwijnspuist stekt, gebruiken sommigen azijn.
18. Te Houtave kost ge de zwijnspuist ‘weggeven’: vroeg opstaan en aan een deure kloppen waar ze nog slapen; ze vragen: wie is er daar? Seffens roept ge: Zwijnspuiste blijf daar! en ge zijt ze kwijt.
19. Te Oostkerke kende een vrouwtje de remedie tegen ‘de perels op d’ogen’: zalfje gemaakt van zoete boter gemengeld met ‘seruze, kalemink en rominne’ op de oogschele leggen.
20. Voor een zeer oor gebruikten ze een typische keukenremedie: een klein ajuintje in een pannetje onder een spoelkom boven ’t vuur houden; als het goed warm is, steekt ge ’t ajuintje in uw oor.
21. De baas van de Gevaarts te Beernem was voor de korte pijne: Smid, wilt gij ’n keer met een gloeiend ijzerke die zenuw doorbranden? En hij lei zijn hoofd tegen de muur en ’t gebeurde.
22. Wie ‘zere tanden’ had liep ook verbunseld met watte, in een zakdoek rond het hoofd geknoopt. Een abses werd met petrolie overwreven; ge kost er ook een mostaardplaastertje opleggen.
23. Anderen gaven de voorkeur aan een zakje heet wit zand.
Eenvoudiger was ’t tandvlees met zout overwrijven oftewel een stukje ‘karremoes sieken’. Bij het afleggen van een overledene werd ook ‘karremoes’ gesiekt.
24. Een vorte holle tand werd gestopt met een topje watte in slaapdrank gedoopt; ’t was aangenamer ‘in franschen geweekt’. Doch nog veel aangenamer en smakelijk van tijd tot tijd een sloksje ‘franschen’ (brandewijn) heel traagjes inzwelgen.
25. ’t Endend remedies gingen ze te rade bij de kwakzalver en ’tandetrekker’ die ’s zondags na de mis van op zijn hoge ‘fateure’ het volk bijeentrommelde om zijn zakjes kruiden, doosjes poeiers en flesjes te verkopen: ‘Allee! wie nog!’ De zere tand werd daar in ’t publiek uitgetrokken, maar trommel en trompet overstemde ’t geschruwel van de patiënt.
26. Bij de apoteker kochten ze ‘kasetten Gotier’ tegen de tandpijn. Rond een ‘slakke tand’ knoopten ze ‘een twijndraadje’ om hem uit te trekken.
27. Een kind moest zijn uitgevallen tand boven het hoofd werpen en zeggen: Tand, tand – ga weer naar je land – en God verleen – m’een nieuwe tand!
29. Kleine kinders droegen een mollepootje in een flanellen zakje rond de hals om tanden te krijgen.
29. Op de pannen groeide er ‘speenkruid’ om ’t speen te behandelen. Nog een remedie: Reit (waterkruid) fijn ziften en met olie bereiden.Â
30. Een erkend en goedkoop haarmiddel: ‘Jen hoofd inwrijven met eigen nuchter pisse’. Gekend gezegde: ‘Drink pisse, jen haar gaat er van krullen’.
31. Voor een ‘melkmuil’ was ’t nog anders: zwijnestront aan je kin wrijven om een baard te krijgen (’t staat alzo in ’t liedje).
32. Met worten (wratten) zitten kinderen niet verlegen: Helpt bevochtigen met ‘nuchtere spuige’ niet, dan maar met een ajuintje overwrijven en d’ajuin in de grond steken: ‘de wort is weg als de ajuin gevort is’.
33. Nog een sterker middel: bedruipen met ’t geel sap van sieljadone uit de lochting.
34. Het gemakkelijkste middel: In de kerk je hand in ’t wijwatervat dompelen en een eens of een half centje laten vallen, de worte was ‘weggegeven’. Bij gelegenheid kost ge de worte ook geven aan een dode die ’te ziene’ lag (met je hand het lijk aanraken).
35. Wie een vuile (aangeladen) tong of een vervuilde maag heeft, is verboefd, onmeugende. Gewoonweg ‘uitvasten tot ge weer trek krijgt naar eten’.
36. Mannen gingen liever naar de gekende herberg: Schenk mij een druppel van de puppe (rubarbewortels op jenever gezet); dat schuift, er komt passage in de derms – gang in ’t lichaam; de tong begint op te kuisen aan de top, de maag gaat aan ’t trekken en ’s anderdaags kunt ge weer alles verslaan …
37. Sprizierkruiden (purgeermiddel): thee van lindebloesems of van essebladeren. Straffer: thee van schusse (frangula) of ‘galle boven d’eerde’. Als ’t nog niet helpt, dan ‘heiligen bitter’ (aloë) dat ge bij den apotheker koopt, of zellap (jalap), het sterkste van al.
38. Om ‘gang in ’t lijf te krijgen’: boven heet water zitten.
39. Bij ’t vallen en ’t botten van ’t blad (herfst en lente) moest ge ’t bloed zuiveren: thee van mentekruid met zoethout is aangenaam; nog andere theekruiden: ‘koningin der weiden, pepergelle en kamillebloemen’. Kamilleblloemen en valeriaan golden ook als zenuwstillende kruiden voor iemand die ‘gejaagd’ was.
40. Als een ‘vies kind’ een bittere drank niet wilde innemen, werd het de neus toegenepen om in te geven.
41. Wie gevoelig was aan puistjes en zweertjes nam een lepel sirope met sulferblomme (zwavelbloem) opgeroerd.
42. Om ‘r bloed te doen ‘zakken’ (bloeddruk) en tegen de ‘polderstier’ (polderkoorts) werden peerdezurkelwortels op drank gezet. Anderen dronken hoppethee of alsem op drank. En de oude remedie: de koorts afbinden (aan een boom binden met een stroband, naar huis lopen zonder omkijken en in bed kruipen; doen zweten met hete drank).
43. Bromzaad en kerzesteerten op thee drinken om gemakkelijk zijn water te lozen.
44. Een lepel kweeperengelei tegen de afgang (buikloop); kweeperenbrood is goedkoper maar kalmeert ook. Ook goed: een afkooksel drinken van prei, selder en wortels. Nog: melk drinken waarin een gloeiende pook (stoofhaak) werd gestoken. Smissewater (waarin gloeiende ijzers werden afgekoeld) gold ook als doeltreffend tegen afgang. Burgerlijker was: rijstsop met ’t wit van een ei in geklutst.
45. Wie met ‘romadties’ geplaagd was, wilde het uitkoestcren in de warmte: knielappen en wollen sokken van witte schaapswol (‘vette sokken’). Men droeg ook een kattedarm rond de nek; en een katervel ‘rond de leên’ tegen gewrichtsromaties.
46. Andere remedies tegen ’t romaties: de zieke plaatsen met sneeuw inwrijven en in bed kruipen ‘om te gloeien’. En daarvoor ook geen moeite gespaard, zelfs wintersneeuw in een goed gestopte fles en een koele plaats bewaren om er zich ’s morgens mee te wassen.
47. Op ‘haverkaf’ (of op een ‘schaapsvel’) liggen, voorkomt het doorliggen bij een zware zieke.
48. Afgeraden wordt een jongemens bij een bejaarde te laten slapen: ‘de oude leeft van de jonge’ en de jonge vermagert zienderogen.
49. Waarschuwing: ‘Ge ziet rood aan uw kam! Ge loopt met een bloedkop’ d.i. ge ziet er attakachtig uit. Remedie: mostaardplaaster op je been leggen; bruin papier besmeerd met een plakkiester van bruine zeep en mostaard, peper en zout ‘om te trekken’. Gemakkelijker: in treksop zitten. Afkooksel drinken van peerdezurkelwortels.
50. Een valling, een ‘kanteern’, werd weinig geacht: z’ is van zelfs gekomen en moet van zelfs weggaan; ’t zal zijn zelven wel lappen. Remedie: zoutwater opsnuffelen; een roetkeersje over de ontstoken neus wrijven.
51. De ‘zere keel’ wordt beter verzorgd: gorgelen met azijn en mostaard. Siroop drinken van rammelatsen in suiker getrokken. ’s Avonds vóór het slapen gaan een natte pekelharing op de keel binden om de brand eruit te trekken. Eenvoudiger was: je bezwete kous rond de keel knopen.
52. Ook bekend: bind een jong puidje met een touwtje aan de achterpoten, en ’t beestje zuigt al ’t slijm uit de keel.
53. Voor een borstvalling nam men ook zijn voorzorg: ’t sap van gekookte vijgen drinken; gekookte vijg in de mond houden; een stukje zwarte kalissie opzuigen; lokken aan een witte mente (vlienderspekke) en oudewijfsspekke (stukje suikerkandies). ’s Avonds een lepel vliendersiroop of een lepel zeem innemen. Bier gekookt met bruine suiker ‘doet de borst lossen’. Grauw papier met roetkeers ingevet en geraspte muskaatnoot bestrooid op de borst leggen.
54. Teerachtige hoest: ’s nuchtends – nog voor de dauw is opgetrokken – blootvoets in de natte dauw een klein halfuur wandelen; daarna een grote schel lichtgebraden buikscheutel eten en in bed u warm dekken.
55. De ‘slunse’ was een plaag die heel het huisgezin besmette.
De een na de andere ‘had het zitten’: lam, slunsachtig, geen etenslust en koortsig. Uitvasten, sprizieren, citroenwater, scheewei of wijnsteen drinken en te bed blijven. Een driehoekig gevouwen zakdoek in azijn gedoopt op ’t voorhoofd binden om ’t zeer eruit te trekken. Was men aan de beterhand: kerrepap met ongeschelde appels in gekookt en een lepel zwarte siroop.
–
Magda Cafmeyer in Biekorf van 1965


