banner
aug 16, 2019
1253 Views

Note van schade

Written by

In vroegere tijden was het ‘Familieboek’ in ieder gezin de geestelijke bron waaruit sterkte voor het dagelijks bestaan werd geput en waaruit de fierheid straalde om het eigen familiebezit.

banner

In vroegere tijden was het ‘Familieboek’ in ieder gezin de geestelijke bron waaruit sterkte voor het dagelijks bestaan werd geput en waaruit de fierheid straalde om het eigen familiebezit. Daarin prijkte vooreerst de familieboom, die nagenoeg ieder lid der familie op zijn duimpje kende; daarin stonden alle merkwaardige gebeurtenissen uit het familieleven opgetekend; daaruit werden verzen, spreuken en allerhande levenswaarheden voorgelezen. Bij honderdtallen zijn daaruit de spreuken en zegswijzen gesproten, waarin de Roeselaarse mens aan zijn levenservaring uitdrukking gaf en die thans nog veelal van vader op zoon worden overgezet.

Een tweede bron van wijsheid, behorende tot alle tijden, ligt besloten in het boek der natuur. De volksweerkunde heeft immer de gedragingen van de mens in overeenstemming met het weer en de loop der seizoenen bepaald.

De landman en de ouderling zijn met alle verschijnselen van de natuur vertrouwd; zij kennen de invloed van de maan op het weer, van het weer op de seizoenen en op de handelwijze van mens en dier; en elke heilige van de jaarkalender is de brenger van regen of zonneschijn, van storm en sneeuw en ijs.

Zij beweren dat de dagen van 25 December tot 5 Januari het weer voorspellen voor elke maand van het komende jaar, en zij zijn ervan overtuigd dat elke Zaterdag de zon moet schijnen, al ware ’t slechts één ogenblik, 0. L. Vrouw ter ere, – Met Kerstmis, zeggen zij, ‘langen de dagen ne sproenk van een luze en een tumelête van een vlooie’.

Nooit gaat ‘Blazegis’ (3 februari) voorbij zonder storm en blazende wind! Niettegenstaande alle ‘marsche bijzen’ geeft de Maartemaand twaalf ‘zommersche dagen’. De maand maart die helemaal in de Vasten valt, is een ‘besloten maarte’ en wordt in het bijzonder gevreesd door de vrouwen ‘die sparen’.

Een droge maarte en ne natten april
is de boeren under scheure vul

…. zegt men te lande, en daardoor worden de ‘aprilse grillen’ verschoond. In april worden de winterkleren nog niet afgelegd, want

d’eerste koude en de leste
zijn te schuwen lijk de peste

Veel fruit zal er zijn als in de meimaand de zon door de bladeren der fruitbomen schijnt, en als dan de ijsheiligen (de heiligen Mamertus, Pancratius en Servatius; 11, 12 en 13 mei) tenminste niet te veel van zich doen spreken.

Op 8 Juni kan St. Medard het zes weken doen regenen, tenware St. Barnabas drie dagen later met de zon weer verscheen. Gedurende de ‘hondsdagen’ ( 19 juli-18 augustus) moet men zich hoeden voor alle straatlopende honden.

Met Roeselare-Kermis is het te 8 uur donker. Als er in het najaar veel noten zijn en de schapen zich met een dikke vacht omhullen, dan mag men een strenge winter verwachten. Als het dondert om half september, dan is het ‘de zomer die van de winter scheidt’.

En met ‘St. Michiels Zomerki’ (29 september en volgende dagen) heeft men de laatste hitte van het jaar. – Zo beleeft de Roeselaarse mens het wentelen der seizoenen, en waar hij graag nog meer mocht weten, gaat hij bij de ‘weerprofeten’ van de ‘Almanak van Snouck’ te rade.

Het weer van de lopende of de volgende dag zal de Roeselarenaar u in enkele woorden vertellen. Er is mooi weer te verwachten als ’s morgens de rook uit de ‘kave’ recht omhoog stijgt en als de ‘meuziên’ in de zomeravond hoog in de lucht in dichte ‘kolonnen’ dansen.

Regenen zal het als er ‘schapkis’ hangen in de lucht, als er een ‘hof’ zit rond de maan, als het bos in de verte blauw schijnt, als de merel fluit en de zwaluwen langs de aarde ‘scheren’, als de kat zich wast, als de honden gras eten, als het blad van de zeis en de snede van de bijl ‘blauw uutslaan’, als het water in de riolen ‘stinkt’, als het zout en de vloer vochtig zijn, als de eksterogen ‘steken’ en als de pauwen schreeuwen. Als ’s morgens de zon rood schijnt, komt er dezelfde dag nog regen, want

Rood vóó de zunne
is regen vóó den avond!

en als tussen twee regenvlagen de zon even straalt, dan is het ‘nen blek vóó ne lek’, die nieuwe regen voorspelt.

Er is onweer op komst als er ‘dundertorren’ of ‘blomkolen’ in de lucht zitten, als de ‘dunderbeestjis’ ‘vroed zijn’, als de vliegen steken, als ’t haantje van de toren naar alle windstreken draait en als het stof begint op te vliegen.

Het zal waaien als de zon in het westen achter gele wolken ondergaat.

Het zal vriezen als de schouwen goed ’trekken’, als de vlammen blauw zijn, als de maan ‘rost’ is en als men ’s avonds de geluiden uit het oosten . hoort. – De gulden regel voor de Zondag luidt:

Zuk ne vrijdag zuk ne zundag,
nóg zo goed of nóg zo slicht!

De volksgeneeskunde is de derde graad in de volkswetenschap, en ook de voornaamste: het komt er immers op het eigen leven aan! Dokters raadplegen is wel goed, doch veel beter is het bij de ‘rechte’ man om raad te gaan en het ‘juiste’ middel te ontdekken om het kwaad te keer te gaan.

De Roeselaarse mens, vooral de oudere van dagen, kent alle ziekten en weet voor alle kwalen het geheimste, het krachtigste en het onfaalbaarste geneesmiddel te vinden. Zweren, ‘worten’ of wratten en wonden worden genezen door ze met nuchter ‘spuugsel’ te belikken; wonden kan men ook bewateren, zweren door honden laten aflikken, en de wratten kan men in een wijwaterbak dopen van een kerk waar men de eerste maal binnentreedt.

Het is echter ook aangeraden tegen zweren een weinig gist of ‘note van schade’ (muskaatnoot) te ‘schooien’ en steeds bij zich op zak te dragen. Een verzworen vinger steekt men in kokende karnemelk, en om een snijwonde te genezen legt men er een spinnenweb op.

Het ‘vliegende vier’ wordt afgeknoopt met een trouwring en men strijkt er het bloed op van een zwarte ramt. Reumatiek verdwijnt als men het sap drinkt van gekookte witte netels of er een voetbad in neemt; de zwarte netels dienen om de verstoptheid te verdrijven.

Om het water uit de benen te verwijderen, drinkt men het sap van gekookte pemen; ‘gesmeerde’ ledematen genezen met het sap uit ‘siljadone’ geperst; om de ‘roos’ te bestrijden drinkt men melk waarin ‘notelaren katten’ zijn gekookt, terwijl men zijn wang met bleekblauw bestrijkt.

Rauwe wortelen verdrijven de wormen. De ‘viek’ of fijt bestrijdt men met een mengsel van zwarte zeep, slaolie en geklopte broodsuiker, tenware men liever het aangetaste lichaamsdeel in verse koemest stak.

Om het bloeden van de neus te stelpen, legt men een koude sleutel in de nek. Tandpijn wordt genezen door warm graangruis op de wang te leggen, een plat loden plaatje op de rug te binden, of met zijn open mond naar de ‘roste mane’ gekeerd te staan en een Onze Vader te bidden.

‘Slekolie’ wordt gedronken om ‘kloek’ te worden. Kleine kinderen die hun melktanden verliezen, werpen die, zonder omzien, over het hoofd, en slaan een kruis om er een nieuwe te bekomen.

Een grauwe ‘plaaster’ met roet van vetkaarsjes op de borst gehecht, verjaagt de verkoudheid bij de kinderen, terwijl zij bij de volwassenen door ‘vlinderbloesems’ met zwarte kandijsuiker wordt verdreven.

Heeft men de ‘hift’ (pijn in de keel), dan trekt men met een harde ruk een dotje haar uit de kruin van het hoofd ’tuutdat ’t klakt en de keelpijn is uitgetrokken. Om de koorts te verdrijven, hangt men een strobundel aan een boom, steekt hem in brand en vlucht heen,.. . en de koorts brandt op!

Sommige ziekten, als de ‘oude man’ (rachitis), veroorzaakt door de ‘kwade hand’, en de ‘perels van de ogen’ kunnen worden ‘belezen’, maar beter is het nog bij de ‘gespecialiseerde’ heilige te rade te gaan. Daarom gaat de Roeselarenaar dienen ver en nabij: bij de Grauwe Zusters naar de H. Antonius tegen het ‘Toontjisvier’ (zona) en voor de vruchten der aarde, en naar de H. Apollonia, in wier ‘Broederschap’ men ‘z’n tanden verkapt’ om voor eeuwig van de tandpijn verlost te zijn.

Hij gaat naar de H. Laurentius, bij de Grauwe Zusters en bij de Arme Klaren, aan wie men een handvol ongetelde en gratis verkregen nagels offert, tegen de ‘nagelkoppen’ (steenzweren), hoewel daartegen ook in het ‘Nagelkapelleken’ langs de Hoogledesteenweg kan worden gediend.

Hij gaat naar O. L. Vrouw van ”t Kuskapellegi’ om van alle ‘kutsen’ of koortsen bevrijd te worden; naar het ‘Lamkruis’ op de Schiethoek om er voor de genezing van lamheid te bidden; naar de H. Livinus in de St. Amandskerk tegen de reumatiek; en naar St. Niklaas van Tolentijn, die eerst bij de paters Augustijnen, daarna in het klein Seminarie en sinds 1868 in de O. L. Vrouwkerk wordt aangeroepen tegen de ziekten van het vee, tegen inwendige kwalen, pest en besmettelijke ziekten en de ‘koek an ’t herte gespan’, voor welke laatste ziekte een koek door de pastoor wordt gezegend en aan de heilige geofferd, terwijl een andere naar huis wordt meegenomen, waarvan elke dag van de noveen een stukje wordt gegeten.

Buiten Roeselare gaat hij persoonlijk, of door bemiddeling van ‘dieners’ en ‘diensters’, de hulp inroepen van de H. Livinus te Hooglede tegen de reumatiek, van de H. Quirinus eveneens aldaar tegen de kwalen van armen en benen en het kropgezwel of marcoenzeer (’t Markooigi waarbij de hals ‘in naan’ versneden ligt), van St. Hilonius te Izegem tegen de kinkhoest, van St. Niklaas te Tielt tegen de ‘koek an ’t herte gespan’, en van de H. Margaretha te Lichtervelde tegen kramp en barensweeën.

In vele gevallen wordt het overdragen der kwaal op een dier of een levenloos voorwerp beoogd, met de vaste overtuiging dat de geneeskracht van de heilige op de zieke zal worden overgebracht. Aldus worden de ‘nagelkoppen’ overgedragen op de nagels die men de H. Laurentius offert, en de ‘koek an ’t herte gespan’ op de koeken die men St. Niklaas aanbiedt. Bij de H. Margaretha te Lichtervelde koopt men gewijde kousebanden ’tegen de kramp in ’t been’; te Oekene schenkt men aan de pastoor, ter ere van de H. Cornelius, een duif of een hen die de zenuw- en kinderziekten overnemen moet.

In andere gevallen is het de ziekte of de marteldood van de heilige die aanleiding tot de verering geeft: men aanroept de H. Apollonia te Hooglede tegen de tandpijn, omdat ook háár de tanden uit de mond werden gerukt; de H. Katharina te Beveren tegen het ‘katrinewiel’ (rode ringvormige vlekken op de huid), terwijl ze op een wiel werd gebonden; de H. Cornelius te Passendale tegen stuipen, vallende ziekten en kinderplagen, omdat hij van vallende ziekte en bloedstilstand was aangedaan; St. Job te Heule tegen de zweren, omdat hij met zweren én allerhande gezwellen was overladen; de H. Godelieve te Beitem en te Gistel tegen de ‘zere kelen’ en de oogziekten, omdat zij, na gewurgd te zijn geworden, met het hoofd in het water van een bron werd gedompeld.

Sommige begankenissen vinden hun oorsprong in de naam van de heilige, of in een van zijn lichaamsdelen, of ook nog in het voorwerp zijner marteling: de H. Blasius wordt aangeroepen te Rumbeke en te Gits tegen ‘blazen’ (huidziekte), ‘winden’, noodlottige ontstekingen, keelziekten en kinderkwalen; O. L. Vrouw ter Rust te Emelgem om rust voor hart en geest en lichaam en tegen de ‘overschreeuw’ der kinderen; het hoofd van St. Jan te Kachtem tegen de ‘sesgis’ of ‘convulsiën’ (stuipen) van de kinderen, terwijl hij met het zwaard werd onthoofd; de H. Doornen Kroon te Wevelgem tegen hoofdpijn, omdat ze het hoofd van de lijdende Christus had omprangd.

Om het beroep van de heilige wordt naar St. Eligius, de paardensmid, te St. Eloois-Vijve gebeeweegd tegen ‘nagelgaten’, steenzweren en de ‘oude man’.

En éénmaal wordt alleen op de naam van het dorp beroep gedaan : te Westrozebeke wordt O. L. Vrouw om genezing van de ‘roos’ (rode huidontsteking) gebeden! – Zo heeft de Roeselarenaar de behandeling van zijn ziekten aan hemelhanden toevertrouwd!

Op aarde zocht hij vroeger soms bij wonderdokters hulp, dewelke hem van tandzeer en andere ‘geweldige pijnen’ kwamen verlossen. De grootste faam op dit gebied heeft Sequah zich verworven die, in het jaar 1892, in een wagen op het St. Amandsplein de reumatieklijders van Roeselare en omliggende met zijn ‘wonderolie’ op hardhandige wijze kwam bewerken, terwijl de muziek de kreten in de barak verdoofde.

Plots van achter het gordijn te voorschijn springend, en door klappende zweepslagen opgejaagd, rende de patiënt ’te vierklauwe’ naar huis, en kon daardoor zijn ‘volledige genezing’ bewijzen! Maandenlang zong men te Roeselare van. ‘Sequah’s olie en Prairiebloem’, en iedereen kende het liedje

En al die moeten gewreven zijn
die moeten maar naar Sequah gaan.

Weinige maanden later werd in de Kernemelkstraat de herberg ‘In Sequah’ geopend!

Uit ‘Het Roeselaarse volksleven’ van Désiré Denys (1955)

banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *