In het jaar 1232 woont een machtig ridder in het kasteel van Roesbrugge. Zijn naam is Willem van Bethune, heer van Meulebeke en van Loker. Hij behoort tot de machtigste adel van het land. Door zijn huwelijk in 1210 met Elisabeth is hij nu ook de kasteelheer van de heerlijkheid van Roesbrugge geworden. Elisabeth is een erfgename van het oude plaatsje aan de Ijzer gelegen. Bekend onder de naam ‘Ponte Rohardi’ of ‘Rohardsbrugge’, dat later zal evolueren tot Roesbrugge. Ze is vermoedelijk de dochter van Willem van Sint-Winoksbergen.
Hun kasteel bevindt zich aan de linkeroever van de Ijzer in Beveren. Elisabeth van Rohardsbrugge is een erg godvruchtige vrouw. Ze komt in contact komt met een zekere priester Nicolaes van Sint-Winoksbergen die haar vraagt om naast hun heerlijkheid een vrouwenklooster te stichten. Rond 1230 schenkt Elisabeth elf gemeten land in het bos langs de Ijzer waar het klooster kan worden opgetrokken. De bisschop van Terwaan zorgt voor de constructie en stuurt de abdis (niet zonder moeite) Mathilde en zes zusters van de orde van de Sint-Augustijnen uit het bisdom Kamerijk naar het nieuwe klooster van Roesbrugge.
In 1236 wordt het in gebruik genomen. Later zullen de zusters zich aansluiten bij de orde van de Victorijnen. Het klooster krijgt al snel de naam van ‘nova pluntatio monialum beatae Virginis’, wat staat voor ‘nieuwe plantagie van nonnen der heylighe Maecht’ of in onze taal: ‘Onze-Nieuwe-Vrouw ter Nieuwe Plant’. Na de dood van Willem van Bethune op 24 augustus 1243, gaat zijn weduwe Elisabeth van Rohardsbrugge definitief wonen in het door haar gebouwde klooster waar ze nog drieëndertig jaar het beste van zich zelf zal geven voor het zeer gerenommeerd klooster.
Johanna van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, schenkt in 1235 een uitgebreide duinengordel aan de abdij van Ter Duinen zodat gebouwen en grond van het klooster zich nu al uitstrekken over een lengte van 2.414 lopende meter.
In 1236 ontstaat er grote ophef tussen de proosdij van Sint-Walburga en de stad Nieuwpoort. De proost van Veurne meent zijn rechten te moeten laten gelden op de vistienden, belastingen die geheven worden op de kap van de vissers. Het stadsbestuur van Nieuwpoort is daar helemaal niet voor te vinden en weigert. Daarop gaat de proost van Sint-Walburga over tot dagvaarding van Nieuwpoort. Hij stuurt twee priesters naar de havenstad om er de tienden op te eisen. De komst van de hardnekkig aandringende priesters jaagt de Nieuwpoortenaars de bomen in. Ze gaan helemaal door het lint. Wat begint als een vechtpartij eindigt uiteindelijk met de moord op de priesters van Sint-Walburga.
Het spel zit nu helemaal op de wagen. Alle inwoners van Nieuwpoort worden in de ban van de kerk geslagen. Geëxcommuniceerd dus. Het is een al te zware straf voor de hele bevolking en na een tijdje verzoeken aan aantal prominenten om eens te praten met elkaar om tot een vergelijk te kunnen komen. Gravin Johanna en Adam, de bisschop van Terwaan, organiseren een soort tribunaal, een bemiddelingspoging en nodigen een aantal partijen uit om in alle onafhankelijkheid het geschil bij te leggen.
Vraag is welke tegenprestaties er moeten komen om de ban van de kerk over de hele bevolking ongedaan te maken. De abt van Sint-Bertijns, de proosten van Sint-Omaars en van Brugge en de kanselier van Vlaanderen worden, onder bedreiging van boetesom van 1000 pond, verplicht zich te melden als juryleden. Op 13 september 1236 volgt het verdict van de jury. Eerst en vooral worden de vijfentwintig Nieuwpoortenaars die betrokken waren bij de moord naar zee verbannen waar ze één jaar moeten verblijven. Onder hen bevinden zich zowel schepenen als gewone burgers. Maar voor de zeereis begint, hebben de vijfentwintig gestraften nog heel wat andere katten te geselen!
De verbanning op zee start op de feestdag van Sint-Jan de Doper op 24 juni 1237 en zal dus duren tot 24 juni 1238. Tussen 13 september 1236 en 24 juni 1237 moeten de mannen een aantal plechtige processies afleggen. Zet u schrap: want dit is wat ze moeten doen als straf: ze moeten op plechtige processie naar de hoofdkerk van Terwaan, naar Sint-Omaars, Sint-Bertijns, Sint-Walburga en Sint-Niklaas in Veurne, naar Diksmuide, Ieper, Cassel, Grevelingen, Calais, Wissant en Boulogne. Vervolgens naar de hoofdkerk van Doornik, naar Sint-Donaas en Onze-Lieve-Vrouw in Brugge, Sint-Pieters en Sint-Baafs in Gent, de Sint-Pieterskerk in Rijsel, naar vier kerken in Kamerijk (Cambrai), naar Arras (Atrecht) en naar de kerken van Douai en Bethune.
De processiegangers dienen de processies blootsvoets, in hun ondergoed, en bij het dragen van roeden uit te voeren, hierbij het gebed ‘Miserere mei, Deus’ (wees mij genadig God) opzeggende. Van elke processie dienen honderd notabelen van Nieuwpoort getuige te zijn. De straf dient integraal te worden uitgevoerd op straffe van verbeurdverklaring van al hun eigendommen.
Ook het stadsbestuur krijgt een straf van de rechtbank: vooral jaarlijkse geldboeten en steungelden voor streekkloosters dienen vereffend. Ook het nieuwe klooster van Roesbrugge moet vijftig pond als rente ontvangen van het Nieuwpoortse stadsbestuur. Schadevergoedingen voor de vermoorde priesters, vergoedingen voor kosten.
Ze worden verplicht duizend pond op tafel te leggen om een versterkte woning te bouwen voor de gravin en ze dienen daar bovenop nog te zorgen voor het uitgraven van de grachten en het bouwen van de versterking. En bovendien moet Nieuwpoort een stuk grondgebied afstaan. Er is één lichtpunt voor de Nieuwpoortenaars: als al het volk tussen de zestien en zestig jaar zweert nooit nog ook maar enig leed te doen aan priesters krijgen ze kwijtschelding van het betalen van de vistienden waar het allemaal mee begonnen was.
In 1237 wordt het nieuwe klooster van Ter Duinen in gebruik genomen. In 1197 had Elias de grondvesten gelegd en het is uiteindelijk de nieuwe abt Nicolaas van Belle die het nieuwe gebouw optrekt en afwerkt. De verhuis van de oude naar de nieuwe abdij gebeurt processiegewijs. Ook alle begraven abten en monniken in het vroegere gebouw worden overgebracht naar een nieuwe begraafplaats.
Bij het opgraven van voormalig abt Sint-Idesbald, die ondertussen al tweeënzeventig jaar begraven is, blijkt zijn dode lichaam exact in dezelfde toestand te zijn zoals het in 1165 begraven was. Later zullen we vertellen over de tweede opgraving van Sint-Idesbald in 1627. De magistratuur van Veurne-Ambacht is in het jaar 1240 niet erg hoog geacht en beperkt zich vooral tot burgerlijke zaken tussen de Veurnenaars zelf. Criminele en bestuurszaken binnen de casselrie zoals de organisatie van de pointingen en settingen, het innen van de belastingen, gebeuren bij de belangrijkste leenmannen van het prinselijke leenhof op den Burg te Veurne.
Het zijn enkel zij die de hoofdlenen bezitten die uitgenodigd worden op de Burg. De hoofdleenmannen dragen zoals gebruikelijk in die tijd de namen van de parochies waar hun respectieve leenhoven gelegen zijn: zoals de geslachten van Stavele, Haringe, Proven, Wulveringem, Isenberge, Leisele, Lampernisse, Oeren, Pollinckhove en de andere. Alle strafrechterlijke en bestuurszaken in die gemeentes worden dus enkel en alleen bepaald door die éne hoofdleenman die hen vertegenwoordigt in den Burg te Veurne.
Dit is een fragment uit Boek 1 van De Kronieken van de Westhoek


