In het jaar 85 richten de Romeinen een nieuw vlootstation op in Arentsburg (Voorburg), ergens halverwege de nieuwe vaart. Op basis van de Romeinse Peutinger wegenkaart kan afgeleid worden dat die plaats toen bekend staat als Forum Hadriani. De zeebasis, bekend als een onderdeel van de Classis Germanica, wordt opgericht om de waterwegen in onze gewesten te beschermen tegen barbaarse invallen. De vloot patrouilleert op de binnenwateren en voor de kust en zorgt voor de veiligheid van de scheepsvaart op de Noordzee. De Romeinse garnizoenen in Engeland rekenen op de vloot voor een behouden aankomst van de schepen die hun voedsel en voorraden aanbrengen.
Het station blijft bestaan tot in 240. Op zee heeft de Romeinse vloot af te rekenen met een oneindige doolhof van zandbanken en eilanden. Dat zijn dus de perikelen van de oceaan waar Tacitus over schrijft. De zandbanken en eilanden strekken zich uit langs de kusten, en op sommige plaatsen vrij ver in zee. Tussen de monding van de Onie ter hoogte van Groenendijk en de kust ten noorden van de Rijn. Het leidt geen twijfel dat zelfs de Classis Germanica zich via deze hindernissen niet zo graag in zee gewaagd zal hebben. Strabo verklaart dat de gebruikte haven zich bevindt in ‘het land der Morinen, die wonen vlakbij de Menapiërs’.
Hij voegt eraan toe dat de Menapiërs palen aan de Morinen tegen de zee. De Morinische haven bevindt zich dus logischerwijze aan de kust tegen de grens van het gebied der Menapiërs. Nieuwpoort staat gedurende vele eeuwen onder de bevoegdheid van de bisschop der Morinen, die zijn zetel heeft te Terwanen. Nieuwpoort ligt aan de uiterste grens van dit bisdom. Wat verderop, in Lombardsijde, bevinden we ons al in het bisdom van Doornik.
Het bisdom van de Morinen wordt opgericht rond het jaar 600. Volgens de toen bestaande gebruiken vestigt men de zetel van het bisdom in dezelfde stad die, onder de Romeinen, en nog in de Frankische tijd, de ‘Civitas’ of hoofdstad is van het burgerlijk bestuur van het land der Morinen, met andere woorden in de stad Terwanen (Terwaan-Thérouanes).
Het Concilie van Antiochia heeft vroeger inderdaad besloten dat de grenzen van de nieuwe bisdommen moeten overeenstemmen met de grenzen van de Romeinse gebieden die bij de Civitas behoorden. Aangezien het gebied van de Morinen zich op kerkelijk gebied uitstrekt tot aan Nieuwpoort, moet het burgerlijk gebied van dezelfde gouw zich dus in de Romeinse tijd ook tot aan Nieuwpoort uitgestrekt hebben. En als we het op geografisch vlak bekijken is het niet verwonderlijk dat de Onie de natuurlijke buitengrens vormt van het bisdom van Terwanen.
De Onie scheidt de Morinen van de Menapiërs in de Romeinse tijden. Nu wordt het ook duidelijk wat Strabo heeft verklaard: de Morinen en de Menapiërs bezitten een gemeenschappelijke grens aan de zeekust. Hier ligt de haven van waaruit de Rijnschepen hun reis naar Engeland ondernemen. De Onie komt dus hier te voorschijn als de voorhaven van de Rijn, de Maas en de Schelde. Als voorhaven van de Rijn speelde de Onie dus, in het gewest van Nieuwpoort, een uitzonderlijke rol in de economische betrekkingen met Engeland en ook met verafgelegen streken in het binnenland. Deze toestand bestond trouwens al vóór de komst van de Romeinen.
Ik denk spontaan aan de kronieken van Marcus van Vaernewyck en zijn verhalen over Britania nog lang voor de nieuwe tijdrekening. Deze betrekkingen zullen alleen nog toenemen tijdens de Romeinse era. Voor het handelscentrum dat onvermijdelijk langs de oevers van de Onie moet bestaan hebben, moet de toekomst er veelbelovend uitgezien hebben. De overtocht van de schepen gaat meestal van Nieuwpoort naar de Engelse haven van Rutupiæ (vandaag heet de stad Richborough). Richborough is een plaats in het graafschap Kent in het zuidoosten van Engeland. Het ligt aan de monding van de Thames iets ten noorden van Sandwich. Het is waarschijnlijk in Richborough dat de Romeinen aan land komen tijdens hun invasie van Engeland in het jaar 43.
De economische omstandigheden voor de inwoners van Nieuwpoort zijn uitstekend met deze belangrijke handelsroute. De economie floreert dan ook en die gunstige situatie zal eeuwenlang blijven bestaan. Zo zien we dat, duizend jaar later, in 1052, de Engelse graaf Godwijn, op weg van Brugge naar Engeland, zijn schepen aanmeert in de Ijzer (de latere naam voor de Onie), om vandaar bij de eerste gelegenheid de reis naar Engeland voort te zetten. De wind zit goed op St.-Jansdag. Op die dag is de vloot uitgevaren. Zo wordt het in 1052 geschreven: ‘Da gewende Godwine eorl ut fram Brycke mid his scipum to Yseram and let ut ane daege oer midsummers maesse aefene’. De woorden ‘midsummer maesse’ zijn de Engelse uitdrukking voor St.-Jansdag. De serie ‘Midsummer Murders zouden dus bij ons kunnen vertaald worden in de ‘Sint-Jansmoorden’.
Hoe wonen onze voorouders in de vroegere tijden? Tot ver in de jaren 1000 wordt er helemaal niet gebouwd in steen. Stenen zijn niet verkrijgbaar. De Romeinen kenden bakstenen maar hun bouwmateriaal raakt na de Romeinse bezetting volledig in onbruik. Hutten, steden en openbare gebouwen wordt gebouwd in hout en leem. Het is natuurlijk erg vergankelijk bouwmateriaal en schrijver René Dumon schrijft dat het tevergeefse moeite is om in Nieuwpoort op zoek te gaan naar sporen van bewoning in de zeer vroege tijden. Sporen van het verblijf van onze voorouders zijn niet zozeer fysiek terug te vinden maar wel in de afkomst van de plaatsnamen die men ter plaatse aantreft. Ik ben het met hem eens.
Hoewel de meeste benamingen uit de verafgelegen tijden, door tijd en sleet, en door velerlei omwoelingen, worden uitgewist, zijn er gelukkig enkele lang genoeg blijven voortbestaan, om te kunnen opgemerkt en opgetekend worden in middeleeuwse documenten die op vandaag nog beschikbaar zijn. Die benamingen leveren op zichzelf al een stevig bewijs dat er mensen woonden. Nieuwpoort telt drie namen die teruggaan naar de Keltische tijden. Dus naar de periode voor het begin van het nieuwe jaarstelsel. Eén ervan is de Onie. Een tweede benaming uit de vroegste tijden vinden we in Sandeshoved en in het verwante Sandascuad.
De naam Sandeshoved verschijnt voor het eerst in een document van 1112 en Sandascuad vinden wij in een oorkonde opgesteld tussen 1083 en 1093 in geschriften van de abdij van Sint-Winoksbergen. Beide namen bevatten het woord ‘Sand’, een woord dat tot Keltische tijden teruggaat. De term ‘Sand’ heeft hier helemaal niet de betekenis van zand volgens Dumon. Sandeshoved en Sandascuad liggen op dezelfde voorhistorische zandbodem die zich uitstrekt tussen Groenendijk, Nieuwpoort, Sint-Joris en verder. Deze zandbodem is bespoeld door de Onie. Om de oever of het strand van deze stroom te beschrijven, bezitten onze Keltische voorouders een gepaste term: Ouissan of Wissan.
Als plaatsnaam treffen wij het vandaag nog aan in Frankrijk en wel in de vorm Ouessant en Wissant. Onze voorouders zullen die plaatsnamen in de loop van de tijden uitspreken (en er bestaat alleen een mondelinge overlevering) als Quissan of Wissan wat later onder invloed van de Saksen en de Germaanse inwijkelingen zal evolueren tot Ouissande of Wissande. Later nog, toen bepaalde plaatsen die er op ontstonden, als ‘Wissandeshoved’ of ‘Wissandascuad’ bekend geraakten, heeft het volksgebruik deze namen verkort door het laten wegvallen van het voorvoegsel ‘Wis’.
In 1269 verschijnt een grafelijk decreet in verband met het onderhoud van de waterlopen in Veurne-Ambacht. Daar staat de naam ‘Cuetewyc’ voor de eerste keer vermeld. Cuetewyc blijkt volgens het document dichtbij Nieuwpoort te liggen. Het Langelis (de volkse naam voor Langeleed, een afwatering die uitmondt in de Ijzerhavengeul te Nieuwpoort) wordt in 1269 Dunval genoemd. Volgens de tekst van het decreet komt de Dunval aan in Nieuwpoort aan de brug die vermeld staat als ‘pont de Cuetewyc oost’ waarna het water verder stroomt tot aan de ‘dusques a Nuefport’ (de haven van Nieuwpoort).
Dit is een fragment uit Boek 1 van De Kronieken van de Westhoek


