Je ploegt enje plant, je zoait enje moait,
’n tyd knoagt an jun leven ol buten en ol binn’n
Het was in de andere oorlog, een nicht van mij die betoverd geweest is, nè. En zij hielden café en ’t was een hofstede. En er gingen daar regelmatig bezoekers alzo, nè, om pinten te drinken en al. En er was daar een wijf dat alle dagen ging achter melk. En op een zekere dag, zij had chocolade gegeven aan haar, om op te eten.
De hele ons omgevende wereld is eigenlijk in te delen in wat binnen en in wat buiten gebeurt. Daarmee is in taal en dialect meteen de overvloed aan wendingen en samenstellingen met ‘binnen’ en ‘buiten’ verklaard.