’n Hane in een hennepling up è poot,
staat stakestyf stille mè zyn kam styf rood.
Daar waren ne keer twee soldaten, Crabbe en Sparre, die te oud waren om nog in het leger te dienen en te lui om te werken. Daarom gingen zij bedelen; maar ze werden omtrent overal slecht ontvangen; ze en kregen bij kan niet: men zei hun dat ze kloek en gezond waren en maar en moesten werken om de kost te winnen
De velden zijn begroeid,
met kollebloemen. Rood.
Ze staren me aan.
Vurig met barstende botten die schreeuwen van pijn.
Met tinten van bloed die zich taai en moeizaam openen
en daarna weer wegvloeien tot de dood.