Je ploegt enje plant, je zoait enje moait,
’n tyd knoagt an jun leven ol buten en ol binn’n
Een boer, die aan de oever van een rivier woonde, had grote bezittingen. Men zag er paarden, koeien, schapen en vele geiten, ganzen, allerlei varkens, hanen, kuikens en meer van dergelijke beesten. En hij had de leiding over knechten en meiden, want er was daar in huis veel te doen.
Er was eens een gezin met twaalf jongens en er kwam een dertiende bij. Dat kind groeide of bloeide echter niet. Zijn vader werkte bij een boer en hij pakte hem altijd mee in zijn onderlijfzakje.
‘Holde als een aalkarteel’. Een aalkarteel was een groot houten vat dat op het ‘snak’ van de driewielkar lag en waarmee de ‘aal’ (mestgier) naar het veld werd vervoerd. Als het leeg was klonk het vreselijk hol.