Er was eens een gezin met twaalf jongens en er kwam een dertiende bij. Dat kind groeide of bloeide echter niet. Zijn vader werkte bij een boer en hij pakte hem altijd mee in zijn onderlijfzakje.
Er was eens een gezin met twaalf jongens en er kwam een dertiende bij. Dat kind groeide of bloeide echter niet. Zijn vader werkte bij een boer en hij pakte hem altijd mee in zijn onderlijfzakje. Hij zette Dertiene in een vogelnestje, terwijl hij zijn land om deed. Op een keer kwamen er twee reuzen af. Het mannetje liep vlug weg, maar te laat!
‘Wat heb ik daar gezien?’, zegt de ene tegen de andere, ‘het is net een muis die daar loop!’. Ze gaan er kijken en krijgen het mannetje te pakken. Hij had hele grote handen en het mannetje liep altijd weg en weer op zijn hand.
Ze besloten het ventje mee te nemen en er een mens van te maken. Daarom gaven ze hem heel veel reuzenpap. Het mannetje vroeg steeds om maar weer naar huis te mogen gaan, maar hij moest nog wachten.
In een maand tijd was hij zo groot en zo kloek als wij, maar hij mocht nog altijd niet naar huis. Hij kreeg weer een mande reuzenpap en een kuip reuzenpap en het kwam een vent gelijk een boom. Ten langen laatsten pakten ze hem mee naar een bos waar hij een boom moest uittrekken. Hij deed alles wat hij kon en tenslotte kreeg hij die boom eruit. De reuzen speelden daarmee natuurlijk mee, het waren tenslotte dan ook reuzen.
Op het einde kreeg Dertiene zoveel macht dat de reuzen zelf bang begonnen te worden en hem naar huis lieten vertrekken. Plots zag hij zijn vader daar op het land werken met een koppel paarden. ‘Dag vader, hoe is het’, riep hij. Deze keek verschrikt op en herkende zijn eigen zoon niet meer. ‘Je moet niet bang zijn’, zei hij, ‘ik ben het, Dertientje!’ en hij noemde al zijn broers en zusters op bij hun naam en zei wie zijn moeder was.
‘Hebben de reuzen je meegepakt?’, vroeg zijn vader. ‘Ja, en zo ben ik een vent geworden!’ ‘Hoe is dat gegaan?’, vroeg zijn vader. ‘Van reuzenpap te eten’, antwoordde Dertiene. Zijn vader werkte verder, maar Dertiene begon honger te krijgen. ‘Ga jij maar naar huis vader’, zei hij, ‘ik zal de rest van het land omdoen’. Hikj maakte de paarden los en zette ze aan de kant, hij pakte de jamulle (de ploeg) vast en begon ermee te lopen. In een half uurtje was het land om.
Plots kwam daar een schepetrekker voorbij en die vroeg of Dertiene niet wilde wisselen met zijn paarden, die oud en versleten waren. ‘Ja’, zei Dertiene, ‘maar ik moet zoveel toekrijgen’. De boer merkte echter het verschil en zegde; ‘dat zijn toch mijn paarden niet!’. ‘Toch wel’, beweerde Dertiene, ‘maar ze zien er nu zo uit omdat ze hebben moeten werken!’.
Als alles geregeld was ging Dertiene naar huis en at daar al het eten op zodat zijn vader, moeder, broers en zussen niets meer hadden. ‘We zijn daar wel mee!’, zegden ze tegen elkaar en ze besloten een contract te sluiten met de boer die juist een werkman nodig had. Daar in stond dat de boer zich nooit kwaad mocht maken of dat hij een slag zou krijgen van Dertienes hand ofwel een schop in zijn gat.
De jongen ging aan de slag en in één twee drie was heel het land omgeploegd en ook het zwijn geslacht…maar…..Dartiene at het ook helemaal op. ‘Tomme’, zegde de boer, ‘wat ga ik doen met die man, ik kan daarmee geen weg..en ik mag me niet kwaad maken, anders …als ik een slag krijg van zijn hand, ben ik de grond in en krijg ik een schop in mijn gat, dan ben ik de lucht in.’
’s Anderendaags moest Dertiene de steenput kuisen. De boerin had er haar gouden ring in verloren. Het was een ‘indelijk’ grote steenput. Hij pakte een leere, zette ze in de put en kroop erin om die ring te gaan zoeken. De boer, de boerin, de maarte en konsoorten stonden achter al in een reeke met elk een dikke kasseisteen. Ze begonnen te smijten in de put…
‘Boer, boer’, riep hij vanuit de put, ‘doe ne keer je hennen een beetje weg, ze scharrelen en ik zie geen klaar van ’t stof!’. ‘Wat gaan we daarmee doen? We zijn hem nog niet kwijt, maar we zullen hem nog wel hebben.’ Ze hadden daar een grote dikke steen die op rollen liep. De boer pakte zijn paard en trok die steen de put in. ‘Boer, boer’, riep Dertiene, ‘den bril is van ’t vertrek gevallen, juist rond mijn nek en ik kan mij niet meer buigen.’ Met die grote steen rond zijn nek en kwam hij uit die put en smeet hem daar.
‘Wel, wel’, zegde de boer, ‘wat we toch gedaan hebben, hem aanvaard!’. Van al dat werken had Dertiene echter reuzenhonger gekregen en hij at heel de pas geslachte koe van de boer op. ‘Wat een contract, wat een contract, en ik mag me niet kwaad maken of…. maar we zullen hem hebben. We gaan hem naar de meulen zenden om te deschen met een vlegel, want al die daar is om 11u keert niet meer terug! Het zijn daar al duivels!’
Zo gezegd, zo gedaan en de volgende morgen ging onze vriend al vroeg naar het bos, trok daar twee boompjes uit, ging naar de schuur en begon te deschen. Maar al de pannen vlogen van dat dak, en hij sloeg maar door en door, zodat al die pannen gemengeld raakten met dat graan. Nadat hij alles in zakken gevuld had, vertrok hij naar de molen waar er echter niemand te zien was.
Hij stak de molen op gang, begon te draaien en smeet al het graan erin. Plots sprongen daar allemaal rode mannetjes uit, en zo vlug als hij kon greep hij ze vast, sloeg ze allemaal in de meulen en maalde ze mee. Wanneer hij terug kwam bij de boer was die ten einde raad en hij jammerde, ‘daar ben ik niets mee, ’t zijn al duivelsjongen die daarin zitten. Bovendien moet je hier weg, want ik heb geen beesten meer en kan je dus niet meer te eten geven en ik kan je ook niet meer betalen.’
Het contract indachtig, zegde Dertien, ‘kijk ik zal je geen slag geven, alleen een simpel schiptje onder je konte’. De boer stond daar in het midden van zijn huis en Dertiene gaf hem daar een klein stamptje; hij vloog me daar dwars door de zoldering omhoog en hij kwam bij de mane terecht. En het mannetje in de mane, dat was dat boertje met een bundeltje hout op zijn rugge.
En pierlamut, mijn vertellingetje is ut!!!
–
Een volksvertelling van L. Stragier en A. Potteau


