Anno 1915, februari. Ieper weerde zich, hoewel al deerlijk toegetakeld tegen de totale vernietiging. Sinds […]
Hoe dikker ’t gat hoe groater de broek. Ge moet uplett’n van ’t achterste van […]
Gelijken aan Het is een kuiken van de oude haan. ’t Iz e kieëk’n van […]
Kermisherinneringen uit het Wervik van 1912 Het is kermisavond! De lucht pronkt. Een schof van […]
Hoe onze eerste moeder Eva de spraak kreeg Vader Adam, zaliger memorie, toen hij Eva […]
De opvoeding der dochters Het is wel van zeer groot belang dat de dochters een […]
Wantje Dedeyster, boerin te Ramskapelle (Nieuwpoort) in de jaren 1870-80, was zulk een ferm vrouwmens […]
De willetjes groeien in de busschen
en de kaantjes groeien der tusschen,
om de willetjes te blusschen
Ooit had ik dochters van hetzelfde blond
als jij, maar eerst met haartjes van zwart garen toen
ze eenmaal hij mij kwamen. Daar zaten witte vlokjes in
Petrus Vraeghe, Pier Paelinck in de wandelinge, was de jongste uit een bende van acht. Broers en zusters waren allemaal uitgetrouwd en voor hun eigen.
Komen de doden terug of niet? Volgens sommige zegspersonen moet er blijkbaar een onderscheid gemaakt worden tussen vroeger en nu: ‘… vroeger moesten de zielkens die kwaad gedaan hadden werekeren, nu blijven ze in ’t vagevier om uit te boeten. Maar in den tijd kwamen ze al were’.
Bij het lezen van ‘Tooveraars en Zwarte Katers’ komt mij een historietje te binnen, authentiek waar gebeurd. Mijn moeder was geboortig van ’t Ruiseleeds Veld, en achter haar huis lag een kleine terp, door de mensen van het gehucht ‘den Berg’ genaamd.
Handdoek en zakdoek zijn vertrouwde gebruiksvoorwerpen uit het dagelijks leven die overal thuishoren. Ze zijn sedert jaren in bepaalde vormen en kleuren vervaardigd en het zijn slechts technische fabricatiemogelijkheden, die er soms een wijziging aan brengen. En toch hebben beide een brok geschiedenis achter zich liggen, die ouder is dan men het zou vermoeden.
Mijn vader werd geboren te Zonnebeke in 1844. Hij ging naar school, als men dit zo mocht noemen, tot aan zijn elf jaren. Dus tot na zijn eerste communie. Hij kon dan een weinig in de gazet lezen en wat schrijven zoals men sprak.
Er was eens een gezin met twaalf jongens en er kwam een dertiende bij. Dat kind groeide of bloeide echter niet. Zijn vader werkte bij een boer en hij pakte hem altijd mee in zijn onderlijfzakje.
Toen, 40 à 50 jaar geleden (in de jaren 30-40), een blijde gebeurtenis zich aankondigde stak de toekomstige moeder al vroeg haar licht op bij een plaatselijke vroedvrouw. Het werd als een natuurlijke gebeurtenis beschouwd en normaal verwachtte men een natuurlijke afloop.
Een sulfertje in tien en een pintje in een teugje: spaarzaam aan een kant, verkwistend aan de andere.
En Karel, een der laatsten van dit eigen ras, een sperke van Gezelle in zijn ziele, een zwaai van Noorders were in zijn woorden, een klop van deze met zweet en bloed gedrukte aarde in zijn hart. Karel, een schone vent, zeiden we. Een kop! Een West-Vlaamse kop. We salueren!
Nen zot is entwie die in een donker huis jaagt achter scheeten.
Vandage is den laatsten dag van joen leven. Voor ’t moment toch nog.
Ge moet niet peinzen op al de miserie die nog overblijft, moar over al ’t schone da nog moet komen.
Free, Bert zien broere en moeder Sofie woonden tegaare ip een klein doeninksche. Drie koeien, een oed peerd, vier hectaren land en een paar hectaren ges.
Ik zien Cassel op ’n berg van ’n venster van men huus
T’ is lyk een kleen eiland in ’t middel van de zee
Daar was ‘ne keer een moeder, en z’hadde twee meiskes, en z’heetten alle twee Karlientje. Tegen ’t eene en zeiden de mensen niet anders als Wit Karlientje, omdat het zo schone was; maar zijn moeder en koste ’t onder heur ogen niet zien, omdat het heur eigen kind niet en was. En ’t andere was Zwart Karlientje bij de mensen, omdat het zo bruin en zo lelijk was; maar, Zwart Karlientje was het liefste gezien van zijn moeder, en ’t kreeg al wat dat ’t wilde.
Drie doden De gemeente Ploegsteert is zondagavond in opschudding gebracht geweest door een vreselijk drama, […]