Ooit had ik dochters van hetzelfde blond
als jij, maar eerst met haartjes van zwart garen toen
ze eenmaal hij mij kwamen. Daar zaten witte vlokjes in
1. Bij de pasfoto van i.
Ooit had ik dochters van hetzelfde blond
als jij, maar eerst met haartjes van zwart garen toen
ze eenmaal hij mij kwamen. Daar zaten witte vlokjes in
die geurden naar schoon vlees; ik zakte door mijn knieën
om hun paard te zijn. Tot ik ze bloemen gaf
omdat ze zomaar op een dag heilig in maagd veranderd waren:
met potloodogen en oranje haren deden ze hakjes aan
en werden later opgehaald door stijfselkoppen
die al met twee kauwgomwoorden konden praten.
Ik zei niet veel meer, dus bleef het achterwege:
het slakkenspoor van stickerresten op hun kamerdeur
en putjes in de houten vloer alsof het overal in huis
toen zachtjes maar aanhoudend is gaan regenen.
–
2. Met de zachtste g
Hier stem ik met het leven in, hier in dit bleke landschap
van woorden zonder huid als stikgas, schreiboompjes
en lekkerboterbeek. Broodseinde, waar door speakers
met de zachtste g namen van jongens schoon worden gelezen
over de aangeveegde akkers, gedroogd van bloedverdunner:
oude godvergeelde regens. Er is een zoon die hier bestaat
en zegt: ik wil een kind. Ik was de vader, geknield tussen klaprozen van vloeipapier onder nog dunner licht, die zei:
er is geen vrouw, ik weet niet hoe ik weet alleen
als het zo moet dan doe mij maar zo’n ingeblazen
kind van jou. Maar alles in gedachten en nog zachter
toen ik het naar ons vernoemde, haastig, in dit hier.
–
3. Op waterschoenen
Voor Nosh
Waterschoentjes uit een etalage kocht ik voor mijn hart,
omdat ik steeds meer leven voel praat ik maar wat
tegen jouw echo aan; dat groot verhaal van weke delen
dat mijn stem weerkaatst. Jij, zilverdruk van een fossiel
dikkopje, gebogen in de donkere kamer van je moeder
aan die glinsterende ruggengraat. Of je daar knielt.
Brabbel ik woordjes die om jou bestaan: mummiemeisje,
mijn ogentroost en: godenweefsel, blijf daar tot na de winter.
En als je daarna hier bent ingedaald en uitgehard in zomerlicht
al dapper praatjes krijgt, pas ik jou op een grijze dag
die rode waterschoentjes aan. Stampvoetend in regenplassen
zet ik een keel op: kraakbeentje, leer mij watertrappelen en
leer me uitgelaten verder alles wat ik niet meer nog niet mag.
–
Henk Knol
Article Tags:
achterwege · blond · Broodseinde · dochters · donkere kamer · fossiel · gedachten · grijze dag · inblazen · kamerdeur · kauwgom · klaproos · klaprozen · knielen · landschap · Lekkerboterbeek · maagd · meisje · moeder · pasfoto · schreiboom · stijfsel · vader · verhaal · zomerlichtArticle Categories:
heerlijke poëzie

