Kermisherinneringen uit het Wervik van 1912
Het is kermisavond! De lucht pronkt. Een schof van zwarte dikke wolken drijft van west naar oost en alles laat voorzien dat men daarboven morgen en de volgende dagen ook kermis zal vieren. De wind zoeft en schuifelt al hield hij repetitie om in het kermisconcert de allereerste partij te kunnen blazen.
In de straten nochtans ziet men dezelfde bedrijvigheid van de voorbije jaren. Hele rijen zwaarbevrachte bierwagens, groenselgespannen, broodkarren, enzovoort, voeren in alle richtingen spijs en drank van huis tot huis. Hier lossen dikbuikige brouwersknechten de nog gistende tonnen Wervikse bleke en bruine. Daar spreiden groenseliers sneeuwwitte bloemkolen, bloedrode wortels, goudgele andivies en eironde vaderlanderskens tentoon. Ginder lossen bakkers lachtende en welrieken rozijnen- krenten- en gierkoeken. En, terwijl we het komen en gaan, het kopen en verkopen, het laden en lossen vanuit onze schrijfkamer gadeslaan, voert de inbeelding ons naar onze kinderjaren terug. En we voelen ons plots weer in die tijd, de zoete vreugde van het nakend aanbreken van de langverwachte kermis…
Het is zondag! Lange rijen wandelaars op hun pijkebest uitgeklopt, trekken vrolijk ter foor. Hele families; vader, moeder, zonen en dochters, kleine en grote, ’t is al mee. Vader heeft de eenvoudige zondaghoed, de nederige zijden klakke, de bescheiden zondagvest terzijde gelegd om de hoge zijden uit te halen en den pit-en-l’air aan te trekken. Moeder heeft het donkerkleurig kazeviklijf afgelaten en de ruime plissérok laten hangen om een ‘genre tailleur’ of de witte blouse en de spanrok aan te stroppen. De jonge dochters vooral zijn naar de laatste mode gehoed, gehaard, gelijfd, gerokt en getooid. Rare, komieke, uitzinnige moden in nog raardere, komiekere en uitzinnigere tijden.
Hoeden als biekorven, vijgemanden, potschijven, pijlkokers, wagenwielen, regenschermen, korenvangers, puddingvormen, casserollen, wasmanden, enz. enz. tooien een hoofd haar. Bij deze gefletst en gestreken als een gefoureerde slaapmuts, bij gene een toupé als de berenmuts van onze gendarmen, bij anderen nog een formidabele ‘chicon’, een echte hondenmand of kraaiennest, gekruld en gedraaid, in haken en ogen, in golven en ringen met strekken en linten, kammen en spelden, noeuds en banden; een echte etalage, enfin van een welvoorziene haarkapperswinkel.
Op de foor draait en schijvert ‘Het Lustig Wiel’. Groepen jongens nemen er plaats op, vliegen uiteen, rollen en bollen als kattejongen maar nemen telkens terug plaats, begerig om het langst te kunnen uithouden. Een bedronken kermisvierder, een jongen van rond de veertig staat wiegwaggelend al hikken en snikken het draaiende wiel te bekijken. Hij kan maar niet verstaan dat de jonge bengels het niet kunnen uithouden. Hij zwetst en zweert dat men hem er niet van zou krijgen. Eindelijk haalt hij een geldstuk uit zijn zakken, verdruimt de jongens, plaatst zich in het midden van het stilstaande wiel, bespuwt en bespeekt de handen, kijkt nog eens ernstig met zijn rode bierogen de lachende menigte aan en ..en avant! De levende brouwketel gaat met het wiel aan het draaien! De jongens zijn algauw, elk langs een kant weggegletst. Het biervat echter houdt stand. De wattman heeft een klucht voorzien, zet meer kracht bij en laat het wiel in duizelingwekkende snelheid draaien. Nu verandert de zaak! De brede glimlach welke eerst het wezen van de zegevierende zatlap betrok heeft weldra voor een heel ander uitzicht plaatsgemaakt.
Verdwaasd en verwilderd staart hij naar het schijverende wiel, de ogen puilen uit hun holten, de mond staat wagenwijd open…de armen begeven. Al op eens zakt het hoofd achterover, twee eindelijke lange benen gaan de lucht in, twee ellenlange armen slaan als molenwieken wanhopig in het rond en heel die zatte doening rolt halsoverkop van het draaiende wiel. De menigte huilt, tiert en lacht om erbij te stikken. Het afgerolde biervat is, van het eeuwig draaien intussen overgelopen en twee brede nog lekende bierstraten hebben hem de vest en broek voor de rest van de dag genummerd en getekend! Morgen vindt de kermisvoerder, als herinnering, de sporen en de overschot van ..de kermis en het draaiende lustige wiel!
Aan de hoek van een straat, midden een groep nieuwsgierigen staat een bleekgele tjoef-tjoef (een vreemde rondleurder) zijn waren aan te prijzen. De arme drommel heeft aan een moeder die vergeten is dat al wat blinkt geen goud is, op het aandringen van haar dochter een paarlenhalssnoer verkocht. De juffer, over van geluk, is haar huis binnengestormd om het blinkende halssnoer aan te doen en ermee te pronken. Ocharme! Het snoer is te klein en kan onmogelijk over haar hoofd. Bedrukt en beteuterd komt haar moeder het paarlensnoer terugbrengen om de koop te doen breken. Maar de slimme tjoef-tjoef die de duiten heeft weggeborgen wil van geen teruggeven horen. ‘Madame’, zegt hij, ‘de collier is bon en niet te klein, maar .. mademoiselle haar hoofd is te groot!’.
–
Uit de krant van 1912 – www.historischekranten.be –


