De trein stoomde hijgende de statie binnen. Het was twee van de achternoene. Ik stapte af, en het eerste dat ik bemerkte was de schrikkelijk veel gebouwd hadden sedert mijn laatste voyagie van november 1919.
Ja, toen ik twee jaren geleden Wervik bezocht was het waarachtig triestig. Het stadje geleek aan een puinhoop; enige brokken van huizen die nog rechtstonden. Al de straten die vol waren met vuilnis en steengruis. De mensen die leefden in de kelders en de ratten die tussen de benen liepen om er kiekevlees van te krijgen. Brr! Het was er dan in het geheel niet geestig!
Wat voor een verbetering toch, in de loop van twee jaar. In de Statiestraat waren er reeds enige huizen heropgebouwd. Nog niet veel, ’t is wel waar, het kon misschien beter zijn, maar wat wilt ge? De Wervikanen en zijn algelijk op de wereld niet gekomen om mirakelen te verrichten!
Ik zakte de Molenstraat af, totdat ik kwam aan het Steenakker. Hemeltje lief! Hier was er tenminste grote verandering. Het plein lag gans bloot, want de bomen waren gaan vliegen, enige herenhuizen heropgetimmerd, en ze waren fel aan de gang met andere gebouwen. Enfin, men zag dat er leven gekomen was in het eertijds dode Wervik. Nieuwe, knoddige huizekens gebouwd ginder aan de ingang van de Duivenstraat deden me peinzen aan het begijnhof van Brugge welke ik eens bezocht had een twintigtal jaar geleden. Ik vervoorderde mijn weg en de Duivenstraat voorbijtrekkende kwam ik aan St. Paul. Deze grote kemel van een gebouw had de air maar weinig verdestrueerd te zijn geweest door de oorlog. De grote deur stond wagenwijd open. Ik trok mijn stoute schoenen aan en stekte er binnen. Dicht bij de trap zag ik een plakkaat met het opschrift ‘oorlogsschade’ en met een hand die naar boven wees. Dit scheen mij zeer interessant te zijn. En – geloof me vrij – ik kon mijn nieuwsgierigheid niet overmeesteren en ik beklom de lastige trap naar boven. Boven gekomen las ik op een deur ‘Staatscommissariaat’. Het was dus in dit heiligdom dat men later van tijd mijn schadevergoeding zou afwijzen?
Dit gedacht alleen maakte een diepe indruk op mij. Zonder er om te doen botste mijn rechtervoet lichtjes tegen de deur; een stem als een trompet riep ‘entrez’. Ik verschrikte zodanig stijf dat ik in een wip van de trap naar beneden bolde met het gevaar mij de nek te breken. Ik liep de Duivenstraat uit recht naar de Leege Kruisse.
Daar stond ik aardig te kijken van verbazing. Zulke schone nieuwe huizen, dan twee of drie villaatjes, een groot hotel en wat weet ik nog al. Wat was deze wijk veranderd! Ik kon schier mijn ogen niet geloven en ik heb daar misschien wel tien minuten lang gekeken gelijk of dat een Schiethoekenaar kan kijken als hij naar de stêe komt.
Daarna ben ik links ingedraaid en ik ben door de Magdeleenestraat gegaan, alwaar er niet veel te zien was. Ik heb nochtans al passeren opgemerkt dat de Donkerstraat opgehouden had van een donkere straat te zijn, om nu een moozestraat te worden. Zo geraakte ik aan de grote kerk. Tot mijn eigen voldoening heb ik gezien dat ze dat groot gat van de zijbeuk gestopt hadden en dat ze bezig waren met de ruiten in te steken en de toren te vermaken. Spijtig dat de kerkdeur gesloten was, anders zou ik goen dag zeggen hebben aan mijn vriend de Slaaf die, volgens men mij verzekerde weregekeerd was uit ballingschap.
Rondom de kerk: veel nieuwe gebouwen. Het was waarachtig de moeite waard. Van verre heb ik ook de grote fabriek Cousin van Overleie bemerkt, met haar schabouwelijke hoge kavie. Vandaar, als langs de Leiestraat ben ik gegaan naar het Kwaâ Kerkhof of Sinte Maartensplaats. Het stadhuis was men bezig te beplakken en een garde-ville die me voorbijging verzekerde me dat het gemeentebestuur dat nog nestelt in de Labatoore met Pasen zou verhuizen. Jammer dat de barak die men ‘beerekot’ noemde in 1919 nog altijd in de weg staat.
Ik draaide nogmaals links en ik liep in de Papstraat. Daar ook waren er vele veranderingen te zien; grote magazijnen met prachtige etalages, en een bank, astebelieft? Wie zou dat gedacht hebben van Wervik?
Gekomen in het begin van de Nieuwestraat die gelijkt aan een lange, lange slange en waar men verduiveld moet opletten om niet te verongelukken of niet tegen een vitrien te lopen (het is immers de glazen strate) bleef ik verbaasd staan. Rechtover een burgershuis dat prijkte men een enseigne, waarop, onder meer, geschilderd stond ‘Hoog Commissariaat’. En ik dacht alzo bij mijn eigen; ‘wat zijn er toch commissariaten in Wervik? Geen wonder dat de stedelingen wakker geschoten zijn; ze zijn vervloekt dicht bij de zon!’.
Jamaar! Het begon intussentijd stilletjes aan donker te zijn en daar ik nog moest gaan bij een kennisse naar de Schiethoek kon ik niet lang blijven in steê. Haastig keerde ik op mijn stappen terug en sloeg de Molenstraat in. Over de travers zag ik dat vele huizen heropgebouwd waren. De Tramstraat was bijkans gelijk voor de oorlog, met dit verschil dat er geen kalsijstenen meer waren.
In de verte langs de kant van de Lammerhoek-Vijfwegen bemerkte ik wel honderd barakken en misschien even zoveel nieuwe huizen, de Processiestraat meegerekend. De Lepelstraat was ook bijna gans in orde en dat deed me waarlijk plezier. Van ’t klare kijken en gapen, rechts en links, heb ik vergeten een bezoek te brengen aan het wonder van Wervik: dat kolossaal groot magazijn welke men gebouwd heeft in de tweede helft van de Nieuwestraat. Het zal voor de naaste voyagie zijn.
Jefke van den strooien haan.
–
Uit ‘Het Ypersche’ van 31 december 1921 – www.historischekranten.be –


