De graafschappen van Vlaanderen en Henegouwen staan nu definitief onder het bestuur van de twee zonen Arnulf en Boudewijn. Onrust steekt al snel opnieuw de kop op in Vlaanderen. Er is een twist ontstaan tussen Robrecht de Fries en Richilde, de weduwe van Boudewijn van Bergen en de moeder van Arnulf. Beiden claimen ze de voogdij over Arnulf zeg maar de macht over het graafschap van Vlaanderen.
Wanneer Robrecht de Fries zich genoodzaakt ziet om af te reizen naar Friesland om daar een opstand de kop in te drukken ruikt Richilde haar kans. Ze nodigt een groot aantal aan Robrecht toegewijde leenheren en edelen uit om te komen naar Mesen. Ze laat ze met zijn allen onthoofden en neemt zo op de meest gewelddadige manier de macht over Vlaanderen over. Al snel bezwaart ze de Vlamingen met ongemeen harde wetten, wreedheden en diverse zware belastingen.
De inwoners wenden zich hopeloos tot Robrecht de Fries en vragen zijn hulp om de wreedheden van Richilde te laten ophouden. Robrecht en een leger van Vlamingen slagen er in 1071 in om Richilde te verdrijven naar Rijsel waar ze zich definitief wil vestigen. De Vlamingen onder leiding van Robrecht de Fries willen graag de situatie uitklaren en het geschil met Richilde op een menslievende manier bijleggen.
Richilde nodigt de edelen van Brugge, Gent en Ieper uit om te praten over vrede. In werkelijkheid smeedt ze concrete plannen om alle Vlaamse edelen te laten onthoofden. Haar snode, valse en verraderlijke plan kan pas in laatste instantie verijdeld worden. Maar nu heeft ze zich definitief de intense volkswoede van de Vlamingen op de hals gehaald.
De burgers van Vlaanderen zijn furieus en belegeren Rijsel. Ze willen het vel van de valse Richilde. Robrecht en zijn Vlamingen slagen er in om de stad over te nemen maar Richilde ontsnapt naar Frankrijk. Ze begeeft zich naar de Franse koning Philippe en biedt hem 2000 kg goud aan om haar te voorzien in een ondersteunende krijgsmacht. Robrecht de Fries ziet de opbouw van het nieuwe – met goud gefinancierde – Franse leger met lede ogen aan. Hij laat de voornaamste steden versterken en stuurt gewapend volk naar Cassel waar hij een veldslag wil aangaan met de krijgsmacht van Richilde en Philippe.
Het leger van de Vlamingen, beduidend kleiner dan het Franse leger, zet de aanval in en neemt aanvankelijk de overhand. Tijdens de gevechten wordt Robrecht de Fries in het nauw gedreven en door de vijand gevangen genomen. Maar ook Richilde valt in de handen van de Vlamingen. De gevechten worden stopgezet. Uiteindelijk worden beiden aan elkaar uitgewisseld en valt alles te herdoen.
Op 20 januari 1071 komt het vervolg. De krijgsmacht van Robrecht de Fries wordt herschikt en wacht op de aanval van de Fransen. Er volgt een hevig gevecht waarbij de Fransen zich gedwongen zien zich terug te plooien. Robrecht beveelt nu een algemene aanval en slaagt er in de Fransen in de pan te hakken. De koning van Frankrijk en Richilde kunnen aan de slachting ontkomen en vluchten naar Vitry. Slechter is het gesteld met de jonge graaf Arnulf die het leven laat tijdens de strijd. Tijdens het bloedige gevecht op de Casselberg sneuvelen die dag 22.000 Franse soldaten.
Robrecht de Fries (1071). De zegevierende Robrecht wordt met de goedkeuring van de bisschoppen, de edelen van het land en ook met de toestemming van de steden (die al vrij machtig geworden zijn) tot graaf van Vlaanderen verheven. Het is zijn eerste zorg om die duivelse Richilde uit zijn graafschap te verdrijven want haar claims op Vlaanderen wil ze nu vertaald zien in het aanstellen van haar tweede zoon Boudewijn tot graaf. Opnieuw is ze er in geslaagd om de Franse koning Philips voor haar kar te spannen.
Een aanzienlijke Franse legermacht valt, samen met Boudewijn het Vlaamse St.-Omer binnen waar allerhande wreedheden worden begaan. Als het Franse leger zich om lafhartige redenen terugtrekt uit de stad, blijft alleen het leger van Boudewijn, graaf van Henegouwen over. Boudewijn wordt verslagen door het leger van Robrecht de Fries maar nog geeft Richilde het niet op.
Ze vindt nu steun bij de bisschop van Luik en bij de Duitse keizer Hendrik IV. Het komt opnieuw tot een gewapend treffen. Deze keer gaat de slag door nabij het Henegouwse Bergen, ter hoogte van Obourg. Opnieuw moet Boudewijn het onderspit delven tegen de Vlamingen. De slag in Obourg is zo heftig geweest dat de lokatie sindsdien de naam draagt van “Mortes Haies” of “Dode Hagen”.
Richilde zal zich uiteindelijk uit het publieke leven terugtrekken. Ze laat het gezag van Henegouwen nu definitief over aan haar zoon Boudewijn en trekt zich voorgoed terug in het klooster van Mesen. Henegouwen is opnieuw gescheiden van Vlaanderen. De tijd van herstel in het verwarde Vlaanderen is eindelijk aangebroken. In 1085 laat Robrecht het kasteel van Wijnendale bouwen op de plaats waar zijn voorganger Odoacer vroeger een versterking had gebouwd. Veel van de latere graven van Vlaanderen zullen Wijnendale als woonplaats kiezen.
Na een geschil met de paus is Robrecht de Fries in de ban van de kerk geslagen. De graaf toont zijn goede wil ten opzichte van de paus en vertrekt, vergezeld van zijn voornaamste edellieden, op bedevaart naar Jeruzalem. De aandacht van heel Europa is in die tijd helemaal naar Jeruzalem gericht. De godsdienst is in alle hevigheid aangegroeid en er bestaat een verlangen om de plaatsen te bezoeken waar Christus geleefd en geleden heeft. Hele groepen pelgrims begeven zich zonder enige vorm van middelen naar het verre Jeruzalem.
De graaf toont zijn goede wil en berouw tegenover de paus en besluit eveneens samen met zijn voornaamste edellieden op bedevaart naar Jeruzalem te trekken. Na zijn terugkeer uit het heilig land worden nog meer kerken en kloosters opgericht. Maar toch beantwoorden zijn gedrag en zeden niet aan de heersende opvattingen van die tijd. Hij geeft keer op keer aanleiding voor ergernissen bij de geestelijkheid die hij kwelt met zijn zedeloosheid en met tal van nieuwe belastingen voor de kerk. Het komt opnieuw tot een aanklacht bij de paus. Een tweede vonnis komt er niet want na een bestuur van 22 jaar sterft Robrecht de Fries in 1093 een schielijke dood in zijn kasteel te Wijnendale.
Robrecht II van Jeruzalem (1093). Robrecht II is zijn vader amper opgevolgd of er komt al een roep om een raid te organiseren naar het heilige land waar grote heibel is ontstaan tussen de Turken en de westerse bedevaarders. Het zijn de Turken die de scepter voeren over Palestina. Aanvankelijk laten ze de bedevaarten oogluikend toe want ze kunnen een graantje meepikken van de handelsactiviteiten die de missies met zich meebrengen. Op het einde van de 11de eeuw komt hier verandering in als het bestuur over Turkije in handen valt van Islamitische fundamentalisten die het christendom haten. Christenen die zich begeven naar Jeruzalem worden door Turkse Tartaren gemarteld en op verschrikkelijke wijze vermoord.
De westerlingen die zich op bedevaart stellen zich bloot aan de gevaarlijke toestanden maar ze lijden onder de vele mishandelingen die ze moeten ondergaan. Stilaan ontwikkelen er zich felle haatgevoelens tegen de Turken en Tartaren. De climax komt er bij het bezoek de Vlaamse monnik Pieter de Eremyt aan Jeruzalem. Hij stelt tot zijn verontwaardiging vast hoe de Turken de voor hem sacrale plaatsen tot stallen hebben gedegradeerd en hoe ze spotten met zijn godsdienst. Hij besluit er iets aan te doen.
Terug in Vlaanderen en Europa reist hij van dorp tot dorp, van stad tot stad. Gezeten op een ezel, met een wollen kleed om de lendenen, blootsvoets en met een kruisbeeld in de hand veroorzaakt hij overal een grote volkstoeloop. Hij vertelt over de bloedige mishandelingen van de christenen in zijn heilig land. Stilaan ontstaat er over heel West-Europa een razernij tegenover de Turkse houding. Pieter de Eremyt slaagt er in het jaar 1095 in om de paus te overhalen om de oorlog tegen de Turken te laten prediken. Robrecht II, graaf van Vlaanderen zit amper twee jaar op de troon.
De pauselijke oproep tot een vlammende rechtvaardige en gewettigde oorlog veroorzaakt grote geestdrift niet enkel bij de edelen en ridders, maar ook bij de gewone mannen en vrouwen. Het rode kruis, als teken van hun belofte wordt op de kledij genaaid of met gloeiend ijzer in hun huid geschroeid. De voorbereiding voor de eerste kruistocht is begonnen. De moedigste ridder van zijn tijd is Godfried van Bouillon die zijn heerlijkheid in Bouillon verkoopt aan de bisschop van Luik en dat geld aanwendt om er een krijgsmacht van wel 100.000 man mee te financieren.
Het leger vertrekt naar Constantinopel waar de bijeenkomst van de kruisvaarders van alle landen zal plaatsvinden. Het Vlaamse leger staat onder leiding van hun jonge graaf Robrecht en het Franse leger wordt geleid door Hugues de Groot, de broer van de Franse koning. Beide legers vertrekken eveneens naar Constantinopel.
Het ontzaglijke christelijke leger trekt zegevierend door klein Azië waar ze halt houden. De kronieken vertellen over de ontelbare heldendaden van Godfried van Bouillon maar ook de graaf van Vlaanderen laat zich onderscheiden. De Grieken noemen hem de “zoon van St.-Joris” en de Turken betitelen Robrecht als “het zweerd van de christenen”. Uiteindelijk krijgt hij de eretitel Robrecht van Jeruzalem.
Aanvankelijk zijn er voldoende levensmiddelen voorhanden om het Europese leger te ravitailleren. Op het einde van het jaar staan de legers voor de poorten van Antiochië, een stad die vestingsmuren bezit van wel 3 meter dikte en versterkt is met 130 torens. Na maanden van dagelijkse bestorming en beproefd door honger, dorst en algemene verzwakking, slagen ze er in een ultieme aanval in om de stad in te nemen.
Het kruis wordt op de wallen van Antiochië neergeplant. De kruisvaarders begaan er – haaks op hun eigen geloof – schandelijke wreedheden op de verslagen Saracenen. Het bekomt hen slecht, want naast het gebrek aan levensmiddelen breekt de pest uit en in een tijdspanne van 30 dagen sterven er maar liefst 50.000 kruisvaarders. En het wordt nog erger: de Fransen hebben besloten de terugreis aan te vatten en laten de christelijke legers achter in Antiochië waar ze op hun beurt opnieuw belegerd worden door een ontzaglijk Turks leger onder leiding van de Sultan van Moussoul.
Toch slagen de legers er in om de Turken te verslaan. Tijdens de slag sneuvelen 100.000 Turken en telt het chistelijke leger 4000 verliezen. Begin 1099 kunnen de kruisvaarders eindelijk doorstoten naar Jeruzalem. Van de 900.000 man die het kruis hebben aangenomen blijven er maar 60.000 meer over als ze uiteindelijk het einddoel van hun reis bereiken en de heuvels van Emaus beklimmen.
Maar ook Jeruzalem blijkt moeilijk in te nemen. De stad wordt bezet door 40.000 Egyptenaren. Er volgt een bloedige slag. Slechts na het bouwen van 3 zware stormrammen kan uiteindelijk een doorbraak geforceerd worden. Op 15 juli 1099 wapperen eindelijk de kruisbanieren boven de muren van Jeruzalem: de stad is ingenomen door de kruisvaarders. Wraak is genomen op de ongelovigen.
Er dient een koning van Jeruzalem gekozen te worden. Veel van de voornaamste veldheren achten Robrecht-Korte-Knie van Normandië of onze Robrecht, graaf van Vlaanderen geschikte kandidaten, maar beiden verzaken aan de titel omdat ze terug willen keren naar hun vaderland. Uiteindelijk wordt Godfried van Bouillon tot koning van Jeruzalem uitgeroepen. Het rijk van Godfried zal echter niet zo lang duren want amper één jaar later wordt hij ziek en sterft hij. Hij wordt opgevolgd door zijn broer Boudewijn.
Robrecht van Vlaanderen en de zijnen komen in 1100 met roem overladen terug bij hun huisgezinnen in het vaderland. Ze worden in Vlaanderen als helden ontvangen. Maar Robrecht krijgt al snel te maken met diezelfde vijanden die het zijn vader ook al zo moeilijk maakten.
Tussen 1100 en 1110 volgen meerdere veldslagen tegen de legers van de graaf van Henegouwen die in een verbond met de Engelse koning is getreden met als bedoeling de heerschappij over Vlaanderen over te nemen. Robrecht slaagt er in de Engelse invasie af te slaan en sluit zich in 1111 aan bij het Franse leger van Lodewijk de Dikke (koning van Frankrijk) dat eveneens strijd levert tegen de Engelsen. Het Engelse leger wordt verslagen te Gesors in 1111, maar bij een val van zijn paard op de brug van Melun wordt Robrecht van Jeruzalem zwaar gewond en sterft hij aan de opgelopen verwondingen. Hij wordt begraven in de H. Vedastuskerk van Arras.
Boudewijn VII met de bijl of graaf Apken (1111). 18 jaar is hij als hij zijn vader opvolgt. Op het einde van zijn leven heeft Robrecht de tweede nog enkele strenge wetten opgesteld tegen de talrijke misbruiken binnen het graafschap. De naleving van die wetgeving vergt gezag en een sterke hand. Het is bovendien hoog tijd geworden om zich bezig te houden met het intern bestuur van Vlaanderen in plaats van het continu voeren van allerhande oorlogen.
Boudewijn is er de geknipte figuur voor. De nieuwbakken graaf roept bij de aanvang van zijn bestuursperiode alle Vlaamse edelen samen in de stad Ieper. Tijdens een geestdrifitge speech overtuigt hij hen om kordaat alle misbruik en geweld uit te roeien en een kordaat bestuur te voeren in elke regio van het land. Alle leenheren krijgen één maand de tijd om na te denken over de voorstellen die hij in Ieper voorlegt en zullen op het einde van hun bedenktijd op het kasteel van Wijnendale hun antwoord dienen te geven.
Eén maand later, in Torhout, voert de edele heer Van Praet, woordvoerder van alle Vlaamse edelen, het woord en vertelt hij aan de graaf dat er niets urgenter is dan de rust in het land te herstellen en de hervorming van het gerecht uit te voeren. Daarmee stellen de leenheren zich op dezelfde lijn van Boudewijn die nu opnieuw de Staten-Generaal samenroept.
Er dient dringend een einde gemaakt te worden aan de verschrikkelijke buitensporigheden die zich overal in het land voordoen. De oorlogen die Boudewijn VI en Robrecht de Vries voerden hebben geleid tot een algemene verbastering van de zeden bij de Vlaamse bevolking. De ene ramp volgt de andere op in die 11de eeuw die door de mensen ook wordt omschreven als de “ijzeren eeuw”. Iedereen vecht en moordt er op los, het ene dorp vecht tegen het andere maar ook de huisgezinnen zijn verdeeld. Broers tegen broers, vaders tegen zonen gebruiken dolken en messen om elkaar te bevechten en te vermoorden. De situatie is werkelijk schrijnend.
De zogezegde “landsvrede” van Boudewijn VII stelt uiteindelijk perk en paal aan het geweld en is de voorloper van de rechtspraak die we op vandaag nog kennen. Maar bij de uitoefening van het gerecht ontstaan er grote misbruiken. Vooral de water- en vuurproeven, waarbij bekentenissen afgedwongen worden bij het toebrengen van excessieve pijnen zijn voorbeelden van onterechte bestraffingen en gekleurde rechtspraak.
Het feodaal bestuur, nog ingevoerd door Karel de Grote in de 9de eeuw, wordt door de adel fel misbruikt. De leenheren oefenen een ongenadig bestuur uit op hun onderdanen die ze als slaven behandelen. Binnen de grenzen van hun domeinen heersen geen wetten. Integendeel: hun kastelen zijn roversnesten waar ze gestolen goederen en de vruchten van hun onderdanen stockeren. Zogezegde misdadigers worden in onderaardse hokken opgesloten waar ze al of niet van de honger en ontbering omkomen terwijl de heren zichzelf te goed doen aan drinkgelag en baldadigheden.
De landbebouwers proberen zich te beschermen tegen de vele roofbenden en ze proberen hun pachthoeven te omwallen. Geleidelijk aan worden die met aarden wallen ommuurd en omringd door grachten. In de 11de eeuw is de onkunde en onwetenheid even groot zoniet groter dan die in de 7de eeuw. De edelen zelf kunnen noch lezen noch schrijven en ze gaan er zelfs prat op dat ze ongeletterd zijn. Voortaan dient de wet echter nageleefd te worden door alle burgers, edelen of niet-edelen en eveneens staatsbeambten die bij het niet-respecteren van de wetten zelf een dubbele straf zullen ondergaan. De zware bestraffing wordt omschreven als de “eerlijke vrede van Ieper” omdat ze het recht en de vrede van alle klassen in de samenleving ambieert.
Dit is een fragment uit Boek 2 van De Kronieken van de Westhoek


