banner
Jun 25, 2026
1 Views
Reacties uitgeschakeld voor Robrecht de Fries

Robrecht de Fries

Written by
banner

De zegevierende Robrecht de Fries wordt met de goedkeuring van de bisschoppen, de edelen van het land en ook met de toestemming van de steden (die ondertussen wel al vrij machtig geworden zijn) tot graaf van Vlaanderen verheven. Het is zijn eerste zorg om die duivelse Richilde uit zijn graafschap te verdrijven want haar claims op Vlaanderen wil ze nu vertaald zien in het aanstellen van haar tweede zoon Boudewijn tot graaf.

Opnieuw is ze er in geslaagd om de Franse koning Philips voor haar kar te spannen. Een aanzienlijke Franse legermacht valt samen met Boudewijn het Vlaamse St.-Omer binnen waar allerhande wreedheden worden begaan. Als het Franse leger zich om lafhartige redenen terugtrekt uit de stad, blijft alleen het leger van Boudewijn, graaf van Henegouwen over.

Boudewijn wordt verslagen door het leger van Robrecht de Fries maar nog geeft Richilde het niet op. Ze vindt nu steun bij de bisschop van Luik en bij de Duitse keizer Hendrik IV. Het komt opnieuw tot een gewapend treffen. Deze keer gaat de slag door nabij het Henegouwse Bergen, ter hoogte van Obourg. Opnieuw moet Boudewijn het onderspit delven tegen de Vlamingen.

De slag in Obourg is zo heftig geweest dat de locatie sindsdien de naam draagt van ‘Mortes Haies’ of ‘Dode Hagen’. Richilde zal zich uiteindelijk uit het publieke leven terugtrekken. Ze laat het gezag van Henegouwen nu definitief over aan haar zoon Boudewijn en trekt zich voorgoed terug in het klooster van Mesen. Henegouwen is opnieuw gescheiden van Vlaanderen.

De tijd van herstel in het verwarde Vlaanderen is eindelijk aangebroken. In 1085 laat Robrecht het kasteel van Wijnendale bouwen op de plaats waar zijn voorganger Odoacer vroeger een versterking had gebouwd. Veel van de latere graven van Vlaanderen zullen Wijnendale als woonplaats kiezen. Na een geschil met de paus is Robrecht de Fries in de ban van de kerk geslagen.

De graaf toont zijn goede wil ten opzichte van de paus en vertrekt, vergezeld van zijn voornaamste edellieden, op bedevaart naar Jeruzalem. De aandacht van heel Europa is in die tijd helemaal naar Jeruzalem gericht. De godsdienst is in alle hevigheid aangegroeid en er bestaat een verlangen om de plaatsen te bezoeken waar Christus geleefd en geleden heeft. Hele groepen pelgrims trekken, zonder enige vorm van middelen, naar het verre Jeruzalem.

De graaf toont zijn goede wil en voldoende berouw tegenover de paus en besluit eveneens samen met zijn voornaamste edellieden op bedevaart naar Jeruzalem te trekken. Na zijn terugkeer uit het Heilig Land worden nog meer kerken en kloosters opgericht. Maar toch beantwoorden zijn gedrag en zeden niet aan de heersende opvattingen van die tijd.

Hij geeft keer op keer aanleiding voor ergernissen bij de geestelijkheid die hij kwelt met zijn zedeloosheid en met tal van nieuwe belastingen voor de kerk. Het komt opnieuw tot een aanklacht bij de paus. Een tweede vonnis komt er niet want na een bestuur van 22 jaar sterft Robrecht de Fries in 1093 een schielijke dood in zijn kasteel te Wijnendale.

Robrecht II van Jeruzalem (1093). Robrecht II is zijn vader amper opgevolgd of er komt al een oproep om een raid te organiseren naar het Heilig Land waar grote ophef is ontstaan tussen de Turken en de westerse bedevaarders. Het zijn de Turken die de scepter voeren over Palestina. Aanvankelijk laten ze de bedevaarten oogluikend toe want ze kunnen een graantje meepikken van de handelsactiviteiten die de missies met zich meebrengen.

Op het einde van de 11de eeuw komt hier verandering in als het bestuur over Turkije in handen valt van Islamitische fundamentalisten die het christendom haten. Christenen die naar Jeruzalem reizen, worden door Turkse Tartaren gemarteld en op verschrikkelijke wijze vermoord. De westerlingen die op bedevaart trekken, stellen zich bloot aan de gevaarlijke toestanden maar ze lijden onder de vele mishandelingen die ze moeten ondergaan.

Stilaan ontwikkelen er zich felle haatgevoelens tegen de Turken en Tartaren. De climax komt er bij het bezoek de Vlaamse monnik Pieter de Eremyt aan Jeruzalem. Hij stelt tot zijn verontwaardiging vast hoe de Turken de voor hem sacrale plaatsen tot stallen hebben gedegradeerd en hoe ze spotten met zijn godsdienst. Hij besluit er iets aan te doen.

Terug in Vlaanderen en Europa, reist hij van dorp tot dorp, van stad tot stad. Gezeten op een ezel, met een wollen kleed om de lendenen, blootsvoets en met een kruisbeeld in de hand, veroorzaakt hij overal een grote volkstoeloop. Hij vertelt over de bloedige mishandelingen van de christenen in zijn Heilig Land. Stilaan ontstaat er over heel West-Europa een razernij tegenover de Turkse houding.

Pieter de Eremyt slaagt er in het jaar 1095 in om de paus te overhalen om de oorlog tegen de Turken te laten prediken. Robrecht II, graaf van Vlaanderen, zit amper twee jaar op de troon. De pauselijke oproep tot een vlammende rechtvaardige en gewettigde oorlog veroorzaakt grote geestdrift niet enkel bij de edelen en ridders, maar ook bij de gewone mannen en vrouwen.

Het rode kruis, als teken van hun belofte wordt op de kledij genaaid of met gloeiend ijzer in hun huid geschroeid. De voorbereiding voor de eerste kruistocht is begonnen. De moedigste ridder van zijn tijd is Godfried van Bouillon die zijn heerlijkheid in Bouillon verkoopt aan de bisschop van Luik en dat geld aanwendt om er een krijgsmacht van wel 100.000 man mee te financieren.

Het leger vertrekt naar Constantinopel waar de bijeenkomst van de kruisvaarders van alle landen zal plaatsvinden. Het Vlaamse leger staat onder leiding van hun jonge graaf Robrecht en het Franse leger wordt geleid door Hugues de Groot, de broer van de Franse koning. Beide legers vertrekken eveneens naar Constantinopel. Het ontzaglijk christelijk leger trekt zegevierend door klein Azië waar ze halt houden.

De kronieken vertellen over de ontelbare heldendaden van Godfried van Bouillon maar ook de graaf van Vlaanderen laat zich onderscheiden. De Grieken noemen hem ‘de zoon van St.-Joris’ en de Turken betitelen Robrecht als ‘het zweerd van de christenen’. Uiteindelijk krijgt hij de eretitel Robrecht van Jeruzalem.

Aanvankelijk zijn er voldoende levensmiddelen voorhanden om het Europese leger te ravitailleren. Op het einde van het jaar staan de legers voor de poorten van Antiochië, een stad die vestingmuren bezit van wel 3 meter dikte en versterkt is met 130 torens. Na maanden van dagelijkse bestormingen en beproefd door honger, dorst en een algemene verzwakking, slagen ze er in een ultieme aanval in om de stad in te nemen.

Het kruis wordt op de wallen van Antiochië neergeplant. De kruisvaarders begaan er, haaks op hun eigen geloof, maar wie denkt er daar nu aan op deze momenten, schandelijke wreedheden op de verslagen Saracenen. Het komt hen slecht af, want naast het gebrek aan levensmiddelen breekt de pest uit en in een tijdspanne van 30 dagen sterven er maar liefst 50.000 kruisvaarders.

En het wordt nog erger: de Fransen hebben besloten de terugreis aan te vatten en laten de christelijke legers achter in Antiochië waar ze op hun beurt opnieuw belegerd worden door een ontzaglijk Turks leger onder leiding van de Sultan van Moussoul. Toch slagen de legers er in om de Turken te verslaan. Tijdens de slag sneuvelen 100.000 Turken en telt het christelijke leger 4.000 verliezen. Begin 1099 kunnen de kruisvaarders eindelijk doorstoten naar Jeruzalem.

Van de 900.000 man die het kruis hebben aangenomen blijven er maar 60.000 meer over als ze uiteindelijk het einddoel van hun reis bereiken en de heuvels van Emaus beklimmen. Maar ook Jeruzalem blijkt moeilijk in te nemen. De stad wordt bezet door 40.000 Egyptenaren. Er volgt een bloedige slag. Slechts na het bouwen van 3 zware stormrammen, kan uiteindelijk een doorbraak geforceerd worden.

Op 15 juli 1099 wapperen eindelijk de kruisbanieren boven de muren van Jeruzalem: de stad is ingenomen door de kruisvaarders. Er is eindelijk wraak genomen op de ongelovigen. Er dient een koning van Jeruzalem gekozen te worden. Veel van de voornaamste veldheren achten Robrecht-Korte-Knie van Normandië of onze Robrecht, graaf van Vlaanderen, geschikte kandidaten, maar beiden verzaken aan de titel omdat ze terug willen keren naar hun vaderland.

Uiteindelijk wordt Godfried van Bouillon tot koning van Jeruzalem uitgeroepen. Het rijk van Godfried zal echter niet zo lang duren want amper één jaar later wordt hij ziek en sterft hij. Hij wordt opgevolgd door zijn broer Boudewijn.

Robrecht van Vlaanderen en de zijnen komen in het jaar 1100 met roem overladen terug bij hun huisgezinnen in het vaderland. Ze worden als helden ontvangen in Vlaanderen. Maar Robrecht krijgt terug te maken met diezelfde vijanden die het zijn vader ook al zo moeilijk maakten. Tussen 1100 en 1110 volgen meerdere veldslagen tegen de legers van de graaf van Henegouwen die in een verbond met de Engelse koning is getreden met als bedoeling de heerschappij over Vlaanderen over te nemen.

Robrecht slaagt er in de Engelse invasie af te slaan en sluit zich in 1111 aan bij het Franse leger van Lodewijk de Dikke, de koning van Frankrijk, dat eveneens strijd levert tegen de Engelsen. Het Engelse leger wordt verslagen te Gesors in 1111, maar bij een val van zijn paard op de brug van Melun wordt Robrecht van Jeruzalem zwaar gewond en sterft hij aan de opgelopen verwondingen. Hij wordt begraven in de H. Vedastuskerk van Arras.

Boudewijn VII met de bijl of graaf Apken (1111). 18 jaar is hij als hij zijn vader opvolgt. Op het einde van zijn leven heeft Robrecht de tweede nog enkele strenge wetten opgesteld tegen de talrijke misbruiken binnen het graafschap. De naleving van die wetgeving vergt gezag en een sterke hand. Het is bovendien hoog tijd geworden om zich bezig te houden met het intern bestuur van Vlaanderen in plaats van het continu voeren van allerhande oorlogen.

Boudewijn is er de geknipte figuur voor. De nieuwbakken graaf roept bij de aanvang van zijn bestuursperiode alle Vlaamse edelen samen in de stad Ieper. Tijdens een geestdriftige toespraak overtuigt hij hen om elke vorm van misbruik en geweld uit te roeien en een kordaat bestuur te voeren in elke regio van het land.

Alle leenheren krijgen één maand de tijd om na te denken over de voorstellen die hij in Ieper voorlegt en zullen op het einde van hun bedenktijd op het kasteel van Wijnendale hun antwoord dienen te geven.

Eén maand later, in Torhout, voert de edele heer Van Praet, woordvoerder van alle Vlaamse edelen, het woord en vertelt hij aan de graaf dat er niets urgenter is dan de rust in het land te herstellen en de hervorming van het gerecht uit te voeren. Daarmee stellen de leenheren zich op dezelfde lijn van Boudewijn die nu opnieuw de Staten-Generaal samenroept.

Dit is een fragment uit Boek 2 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 2
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.