banner
mrt 31, 2026
7 Views
Reacties uitgeschakeld voor Sandeshoved

Sandeshoved

Written by
banner

Voor ik het goed en wel besef, zit ik dus opnieuw verzeild in de jaren 1100 en raak ik zoals gewoonlijk gefascineerd door een nieuw luik in de geschiedenis van onze Westhoek. Nieuwpoort dus. Vanaf de 12de eeuw wordt de naam ‘Sandeshoved’ of ‘Sandeshove’ vrij regelmatig vermeld in de geschriften. De hoog gelegen zandvlakte, ‘hoved’, die op de dag van vandaag nog altijd terug te vinden is in het centrum van Nieuwpoort, is in die tijd een locatie die heel het omliggende beheerst. In 1112 wordt geschreven: ‘novam terrum, nomine Sandeshove, que per jactum maris jan crevit, et quicquid in postarum accrescet, super fluvium Ysare situm, sante Marie in Broburg… integre donavimus.’

Het nieuwe leven dat zich overal in de loop van de 11de eeuw gaat aftekenen, vindt ook zijn weerslag in het kloosterleven. Er worden verscheidene nieuwe kloosters gesticht die zich in het gewest van Nieuwpoort zullen gaan toeleggen op allerhande polderwerk. Rond 1022 schenkt de graaf van Vlaanderen de westelijk gelegen schorrelanden van Sandascuad, ‘nova terra Sandeshove, que per iactum maris iam crevit’, aan het klooster van Sint-Winoksbergen. De gronden van Sandascuad zijn voldoende groot om er honderd schapen te laten grazen.

Heel wat gronden langs de boorden de Ijzer zijn ondertussen ontgonnen en de mensen van Sandeshoved beginnen uit te kijken om zich te vestigen op de nieuwe stukken grond van de ‘Lage Stad’ tussen de Langestraat en de Kaai. Op de gronden van Sandascuad, Sandes-hove, Sandeshoved! De nieuwe bouwgrond in de lage stad is broodnodig om de snel groeiende bevolking van Sandeshoved te kunnen huisvesten.

De eigenaar van de gronden is de abdij van Broekburg, maar kan niet anders dan de mensen noodgedwongen toe te laten. Uiteindelijk zal er onder impuls van de graaf in 1272 een compenserende maatregel getroffen worden waarbij het klooster vergoed zal worden met terreinen die gelegen zijn in Sint-Joris. De graaf schenkt in 1163 de inwoners van Nieuwpoort hun eigen stadskeure. De teksten van de stadskeure tonen aan dat er in die tijd al sprake is van marktdagen waar vreemdelingen hun waar komen aanbieden en er ter plekke standplaatsen kunnen huren. Het merendeel van die marktplaatsen situeren zich ter hoogte van de Potterstraat en de Deroolaan.

De mensen brouwen hun bier zelf. Er is sprake van bakkers. Er wordt wijn geschonken in de herbergen. De aanwezigheid van wijn veronderstelt dat die ingevoerd wordt vanuit Frankrijk, Spanje of Portugal. Er is al sprake van een handel in bedden en peluwen. Laken, wol, Engelse en Vlaamse kazen, lood, tin, koper, ijzer, spek, smeer- en kaarsvet, was, peper, aluin, verfwaren, graan uit Engeland, honing, staal en bontvellen worden ingevoerd.

Er is ook sprake van ketels, schotels, pannen, molenstenen uit Duitsland en slijpstenen. Op de markt worden grote hoeveelheden wol verkocht die op de talrijke ontpolderde weilanden worden gewonnen. De kooplieden komen meestal uit Sint-Omaars, Ieper, Brugge, Poperinge en Diksmuide waar de wolnijverheid vanaf de 11de eeuw een grote uitbreiding aan het nemen is. En als er wol te kort is om de weeftuigen in werking te kunnen houden, wordt deze ingevoerd vanuit Engeland. Vrij regelmatig wordt die invoer gestremd door één of ander handelsembargo waar de politiek van die tijd verantwoordelijk voor is.

Oorlogen in Engeland en overstromingen in Vlaanderen gedurende de 11de en 12de eeuw lokken duizenden Vlamingen naar Engeland, Schotland en Wales. Velen zijn vertrokken om zich te laten inlijven in het Engels leger, maar anderen zetten de handelsactiviteit verder die ze gewoon waren in Vlaanderen: het weven. Het is dan ook niet ongewoon dat de handel tussen Engeland en Vlaanderen in die periode hogen pieken bereikt.

Terwijl er in Vlaanderen nieuwe en grote abdijen ontstaan die zich toeleggen op polderwerk, schapenteelt en de wolopbrengst ervan, gebeurt hetzelfde in Schotland. Wanneer in 1154 de Engelse koning Hendrik II alle vreemdelingen uit Engeland laat verdrijven, wijken de Vlamingen uit naar Schotland. Ze worden er met open armen ontvangen door de abt van Kelso en andere nieuw opgestarte kloosters die de vakkennis en de noeste arbeid van de Vlamingen goed kunnen gebruiken. De haven van Nieuwpoort zit als het ware geprangd tussen Engeland en Vlaanderen en mag hier ongetwijfeld een gunstige terugslag verwachten van de bloeiende wolhandel. De visserij bezit een ruim aandeel in het volksleven van de 12de eeuw.

Een hele reeks schepen zoals klinkerboten, losboten, everboten en koggen worden ingezet voor de visvangst. De grootste zijn de klinkers, de kleinste de evers. Er moeten rechten betaald worden op vis. Zo leren we in 1161 dat er op de markt van Nieuwpoort sprake is van, deels ingevoerde, verse haring, zalm, makreel, schelvis, pladijs (schol), paling en zelfs walvis. Maar waarom is er in die tijd nog geen sprake van garnalen, tarbot, tong, robaard en sprot? Zijn de beste soorten misschien vrijgesteld van belastingen en komen ze daarom niet op die lijst voor? Op transitgoederen die niet in Nieuwpoort worden gelost, dienen er geen rechten te worden betaald.

Elke wagen die vanuit Nieuwpoort vertrekt, is goed voor een taks van 4 denieren. Voor elke inkomende wagen wordt slechts één denier aangerekend. Voor de karren bedraagt de taks respectievelijk twee denieren en één obool. De eigenaars vergezellen hun koopwaar als die verscheept wordt. Ze verkopen zelf hun producten in de reeks van havens waar aangemeerd wordt.

De Nieuwpoortse keure van 1163 schrijft voor dat geen scheepsgoederen mogen verkocht worden vooraleer de Nieuwpoortse burgers de koopwaar hebben kunnen monsteren en de mogelijkheid hebben gekregen om te kunnen kopen wat ze wensen te kopen. Pas nadat ook de lokale schepenen nog de kans hebben gekregen om iets te kopen, komen de vreemdelingen aan de beurt. Er logeren trouwens tal van vreemde kooplieden in de talrijke gasthoven van Nieuwpoort.

Zo breekt de 13de eeuw aan in Nieuwpoort. De bloeiende handel tussen Engeland en Vlaanderen heeft er voor gezorgd dat de haven van Nieuwpoort zich in 1200 uitgebreid heeft over een groot gedeelte van Sandeshoved. Het stadsbestuur is er in geslaagd om zijn invloed te laten gelden aan het hof van graaf Filips van den Elzas die in 1163 en 1168 belangrijke stadsrechten heeft toegekend aan de havenstad. Met de dood van Filips in 1191 breekt een periode van politieke instabiliteit aan waarbij Frankrijk, Engeland en Vlaanderen met elkaar in de clinch gaan.

In 1197 wordt een verdrag getekend tussen Engeland en Vlaanderen. Een alliantie die zwaar op de maag ligt van de Franse koning. Er breken tijden aan die zullen gevuld zijn met politieke twisten, oorlogen en verwoestingen. De onzekerheid bij de mensen is zowat de enige constante. De handel sukkelt, de vissers weten niet waar in en waar uit want de vriend van vandaag is de vijand van morgen. Nieuwpoort beleeft barre tijden.

In 1213 wordt de stad ingenomen door de Fransen en overgeleverd aan de vlammen. In 1236 is de toestand zo dramatisch dat de vistienden die moeten betaald worden aan Sint-Walburga te Veurne helemaal niet kunnen betaald worden. De onderhandelaars uit Veurne (geestelijken) worden door de verpauperde Nieuwpoortenaars brutaal doodgeslagen. Het zal de stad duur te staan komen. Maar nog voor het einde van de 13de eeuw zal Nieuwpoort uit zijn assen verrijzen.

In 1202 trekt graaf Boudewijn II van Constantinopel met een gevolg van ridders op kruistocht naar het Heilig Land. Eén van die ridders is Boudewijn van Haveskerke. Haveskerke (Haverskerque) situeert zich op enkele tientallen kilometer van St.-Omer. Boudewijn van Haveskerke, waarschijnlijk sinds 1197 aangesteld als nieuwe burggraaf van Nieuwpoort, ontpopt zich als rechterhand van de graaf. In 1213 en in 1215 wordt dat duidelijk. Boudewijn van Nieuwpoort wordt aangesteld als gezant om te onderhandelen met het hof van de koning van Engeland.

Het betreft de toepassing van het Anglo-Vlaams verdrag dat in 1212 tussen Engeland en Vlaanderen werd afgesloten. Uit de geschriften van die tijd blijkt dat Boudewijn het tot burggraaf van Nieuwpoort geschopt heeft, waarbij zijn vestiging natuurlijk de burg van Nieuwpoort betekent. Korte tijd voor dat Boudewijn van Nieuwpoort vertrekt op kruistocht, breken er in de Westhoek zware onlusten uit tussen de Blauvoeters en de Ingerijckers.

De reden van de twist, die al snel ontaardt in een heuse burgeroorlog, is toe te schrijven aan de buitensporige belastingen die koningin Matilda, de weduwe van Filips van den Elzas, oplegt om haar buitensporige levensstijl te betalen. Matilda houdt haar hof in Veurne en wil iedereen laten voelen en laten zien dat zij dé ‘koningin’ is. Een groot deel van de bevolking weigert financieel bij te dragen voor die hoge kosten en sluit zich aan bij een zekere Blauvoet die de leider wordt van de volksopstand. Ingerijck, raadslid van Matilda, leidt de onderdrukking.

Hij is de uitvoerder van het repressief bestuur van onze Matilde. Graaf Boudewijn van Nieuwpoort, vriend van de graaf, staat natuurlijk aan de zijde van Matilda. Hij stuurt in 1201 volk naar de streek om de Ingerijckers met wapens en mankracht bij te staan. Nieuwpoort zelf blijft buiten het strijdgewoel want het is een vrije stad waar Matilda geen recht heeft om geldheffingen op te leggen. Het lijkt nochtans logisch dat de modale Nieuwpoortenaar de kant kiest van de Blauvoeters.

De mensen van Nieuwpoort zijn inderdaad niet erg geneigd om hun morele steun te geven aan de decadente stijl van de koningin. Boudewijn van Nieuwpoort mag zich uiteindelijk gelukkig prijzen dat hij in wezen niet te maken krijgt met de bijzonder zware burgeroorlog in de Westhoek. Na de dood van Matilda, ten gevolge van een verkeersongeval op de weg tussen Veurne en Koksijde in 1218, blijft de naam Blauvoet bestaan.

De burgeroorlog is al lang uitgewoed maar de gedachtestroming die gericht is tegen het machtmisbruik van de hogere adel blijft gelinkt aan de term ‘blauvoeters’. De territoriale spanningen tussen de Franse koning en zijn Vlaamse leenheren, de graven van Vlaanderen, zorgen voor een aanslepende labiele situatie in de streek. Graaf Boudewijn van Vlaanderen verdwijnt spoorloos tijdens de kruistocht in 1205. De Franse koning denkt dat hij met Ferrand van Portugal een trouwe medewerker heeft en stemt in met het huwelijk van Ferrand met Boudewijns dochter, de nieuwe Vlaamse gravin Johanna van Constantinopel.

Dat blijkt al heel snel een ernstige misrekening want Ferrand ontpopt zich als een voorvechter van de Vlaamse expansiepolitiek die voornamelijk gericht is tegen Frankrijk. In augustus 1212 tekent Ferrand een vriendschapsverdrag met Engeland. Hij komt nu pal in het vizier te staan van Frankrijk, de aartsvijand van de Engelsen. De Vlaamse handelssteden Rijsel, Dowaai, Brugge, Gent, Ieper en Sint-Omaars vinden het verdrag met de Engelsen een prima zaak. Het merendeel van de Vlaamse edelen reageren afwijzend op de houding van graaf Ferrand die de kant van het Vlaamse volk kiest.

Boudewijn van Nieuwpoort, trouwe vriend van de verdwenen vader van Johanna van Constantinopel, staat natuurlijk aan haar zijde en aan die van Ferrand. Ik vraag me af hoe hij zou gereageerd hebben met de wetenschap dat Ferrand de opdrachtgever is geweest van de moord op zijn (toekomstige) schoonvader. Een huurmoord waar de Ieperse kronieken wel erg veel details van prijsgeven. Boudewijn biedt zijn diensten aan bij de Engelse koning Jan zonder Land (koning John) en krijgt hiervoor een Engels leengoed ter beschikking.

Aan de ‘Manor of Newport’ bezit hij de rechten op een jaarlijks inkomen. Ongetwijfeld heeft Boudewijn een beslissende rol gespeeld bij de uitwerking van het verdrag van 1212. Een Franse invasie dreigt. Het is dan ook logisch dat graaf Ferrand in mei 1213 een beroep doet op zijn rechterhand Boudewijn van Nieuwpoort om hulp te vragen bij de Engelsen om die dreiging tegen te gaan. Boudewijn meldt zich bij koning John. We zijn 25 mei 1213. Een Franse vloot heeft het anker geworpen in de monding van het Zwin. Damme is al gevallen, Brugge is bedreigd.

Een onmiddellijk ingrijpen dringt zich op. Boudewijn pleit voor Engelse ondersteuning. Koning John antwoordt dat de Vlaamse vraag rijkelijk laat komt maar laat zich door Boudewijn van Nieuwpoort uiteindelijk vermurwen. Hij schrijft aan de graaf van Vlaanderen: ‘Beste vriend: we zijn in het bezit van uw brieven, door u aan Boudewijn van Nieuwpoort toevertrouwd. Hadden wij deze vroeger ontvangen, het ware ons mogelijk geweest u meer hulp te sturen. Wij zenden u onze getrouwen; William, graaf van Salisbury (dit is de broer van de koning), Renold, graaf van Bonen (de streek van Boulogne was op dit moment Engels grondbezit) en Hugo Boves.’

Nog geen week later, op 30 mei 1213, is de Engelse vloot in aantocht. Zes vazallen van de ‘Manor of Newport’ hebben zich op verzoek van Boudewijn aangesloten bij de Engelsen. Daarbij hebben ongeveer 40 schepen onder leiding van Daneel, de neef van Boudewijn, zich bij de vloot gevoegd. Het eskader bereikt net op tijd het Zwin waar de Franse zeevloot wordt verpletterd.

De koning van Frankrijk is woedend op de burggraaf van Nieuwpoort. De winter van 1213 is nog niet eens aangebroken als het Franse leger de versterkte stad Nieuwpoort ‘dede rooven ende verbranden’. De burg wordt vernield. In 1214, de oorlog blijft maar aanslepen, wordt Boudewijn nog eens op missie naar Engeland gestuurd in een poging om andere mogendheden te betrekken bij de oorlog. Maar tijdens de veldslag van Bovines in juli 1214 wordt graaf Ferrand gevangen genomen en op een vernederende manier opgesloten in Parijs.

De tiener Johanna van Constantinopel en haar jongere zus Margaretha van Constantinopel vallen in de greep van het Franse hof. Het verwoeste Nieuwpoort kan fluiten naar een herstelling van de verdedigingswallen mag de heropbouw van haar burg voorlopig vergeten. Na de verwoesting van zijn thuisbasis, verandert Boudewijn van Nieuwpoort zijn titel opnieuw in Boudewijn van Haveskerke en geraakt hij verzeild in een conflict op Engelse bodem.

Koning John heeft af te rekenen met een opstand van de Engelse barons en zal midden 1215 verplicht worden om toe te geven aan de eisen van de opstandelingen. Het is tijd van de ondertekening van de vermaarde ‘Magna Charta’. Boudewijn wordt noodgedwongen ‘persona non grata’ voor de Engelse adel, maar één jaar later slaagt hij er met Vlaamse strijdkrachten om de rollen om te draaien en koning John opnieuw meester te maken van Engeland.

Het pleit wordt uiteindelijk beslecht in 1216 als de Engelse baronnen de hulp krijgen van een Frans leger dat Engeland binnenvalt. Koning John sterft korte tijd later. De rol van Boudewijn is nu definitief uitgespeeld. Hij verliest zijn ‘Manor of Newport’. Zijn vriend Ferrand zit nog steeds gevangen. Zijn politieke loopbaan ligt in duigen. Zijn burg te Nieuwpoort ligt er nog altijd verwoest bij. Uiteindelijk wordt het ‘atrium’ heropgebouwd en gaat hij vanuit het atrium de stad Nieuwpoort leiden.

Hij en zijn nazaten zullen voortaan beschreven worden als ‘van Nieuwpoort’. Het spoor van zijn afstammelingen zal ons verder leiden tot in het jaar 1383. De verwoestingen die Nieuwpoort ondergaat door de wraakzuchtige Fransen in december 1213, zijn helemaal niet te onderschatten. Ze betekenen een bruusk einde aan honderd jaar groei en voorspoed. Jaloezie en afgunst ten opzicht van de merkwaardige opgang van de haven en kuststad zal zeker zijn rol hebben gespeeld. De meeste woningen zijn gebouwd met hout en leem en ontsnappen niet aan de vuurpoel. De burg wordt verwoest.

De parochiekerk van Sint-Hilda in de westwijk gaat ten onder en zal als een herinnering achterblijven. Haar naam zal blijven verder leven in de naam van de straat die er ooit naar toe leidde. En wat is er gebeurd met de Onze-Lieve-Vrouwkapel en de Sint-Laurenskapel in die wrange tijden? Hoogstwaarschijnlijk zullen die ook zware schade hebben ondervonden en waren er grote kosten van doen om die opnieuw te herstellen.

Precies vijftig jaar na de introductie van de illustere stadskeure van Nieuwpoort zit er niet anders op dan helemaal van voor af aan te herbeginnen. Een hele generatie heeft de steile opgang meegemaakt van de stad en leert nu de keerzijde van de medaille kennen. Enkel de zeevisserij is relatief gespaard gebleven en kan er uiteindelijk voor zorgen dat de gekwelde Nieuwpoortenaars verder in hun levensbehoeften zullen kunnen blijven voorzien.

Andere inkomsten, zoals die van handel en nijverheid, blijven vele jaren ondermaats. De handel met Engeland wordt om de haverklap onderbroken. Om één en ander enigszins leefbaar te houden, moeten de handelaars die hun hart aan Engeland hebben verpand noodgedwongen een Franse pet opzetten. De hele periode door wordt de handel gestoord door tijdelijke handelsbeperkingen. Zelfs de vissers krijgen te maken met Franse of Engelse kapers die beslag leggen op hun netten, vis of gereedschap. De heropbouw van de stad ligt hoe dan ook voornamelijk bij de visvangst en de vissers die het moeilijk hebben om op te draaien voor alle belastingen van hun thuisbasis Nieuwpoort.

Er zijn inderdaad ten gevolge van grafelijke besluiten haringtienden en vistienden te betalen aan de proosdij van Sint-Walburga van Veurne. Sint-Walburga beseft dat Nieuwpoort grote moeite heeft om het hoofd boven water te houden en dringt een aantal jaar niet aan op betalingen van de tienden. De archieven leren ons dat twintig jaar na datum stappen ondernomen moeten worden om de betalingen van de haringtienden te verzachten. Een commissie opgericht door de gravin beweegt echter de stad om onverwijld in te gaan op het betalen van de tienden.

De bevolking ergert zich aan die uitspraak. De man in de straat kan niet begrijpen dat een vrije stad zoals Nieuwpoort belastingen moet betalen aan een instelling die er niets voor hoeft te doen. De mensen hebben betaald tot in 1213. Maar de toestand is grondig veranderd in dat jaar. Waarom moet Sint-Walburga in godsnaam blijven aandringen nu heel Nieuwpoort in de voddenmand ligt? Het stadsbestuur ziet geen andere uitweg dan te onderhandelen met Sint-Walburga.

Drie priesters worden door de Veurnse proosdij afgevaardigd en maken hun intrede in Nieuwpoort om de problematiek te bespreken. De gemoederen zijn echter zodanig verhit (zelfs de schepenen zijn over hun toeren) dat twee van de priesters door het volk worden aangerand en doodgeslagen. Een derde kan ternauwernood en zwaar gewond aan de dood ontsnappen. Het geval zorgt voor groot opschudding in heel Vlaanderen. De stad Nieuwpoort wordt onverbiddelijk in de ban van de kerk geslagen.

Het betekent niet enkel het sluiten van alle kerken en het schorsen van alle erediensten maar vooral een ultieme vernedering voor de hele stad Nieuwpoort. Overal wordt met afkeer en met verontwaardiging de naam van Nieuwpoort uitgesproken. Het stadsbestuur zet alles op alles om de banvloek te laten herroepen. Alle vrienden en relaties in regeringskringen en uit kerkelijke hoek worden ingespannen. De pogingen kennen succes. Gravin Johanna en de bisschop van Terwaan verlenen hun medewerking. Ze stellen drie personen aan om de zaak op te lossen.

Het zijn de abt van Sint-Walburga, de proost van Sint-Omaars en de proost van Brugge. Sint-Walburga en de stad Nieuwpoort verbinden zich er toe om zonder discussie de besluiten van het drietal te aanvaarden. Op 13 september 1236 volgt de uitspraak. Ondertussen is de banvloek op Nieuwpoort al opgeheven. Vijfentwintig personen moeten worden aangeduid en die worden voor één jaar overzees verbannen, ultra mare, waarschijnlijk naar Engeland. De verbanning mag uitgesteld worden tot op Sint-Jansdag, half juni van 1237.

Tijdens de uitgestelde periode dienen die vjfentwintig bannelingen aangevuld met nog honderd andere inwoners een boetereis te ondernemen naar een groot aantal kerken (maar liefst zesentwintig van Terwaan tot Rijsel, Gent, Brugge, enz..) uit het graafschap. Het bezoek aan de aangewezen kerken moet gebeuren op blote voeten en in ondergewaad. De gestraften moeten processiegewijs elke kerk binnentreden met een roede in de hand en onder het opzeggen van het ‘Miserere mei Deus’ waarna ze dan de ‘discipline’ ontvangen.

De Nieuwpoortenaars dienen honderd pond te betalen voor de bouw van een kapel waar regelmatig missen zullen worden opgedragen voor de vermoorde priesters en er volgen nog een reeks boetes en schadevergoedingen. Maar dat is nog niet alles. De Nieuwpoortenaars worden verplicht een burg, een ‘fortalitiam’, te bouwen in de stad. De burg moet ten dienste staan van de gravin van Vlaanderen. De bevolking moet met eigen handen de grachten van de burg delven. Alle inwoners tussen de veertien en zestig jaar moeten een eed afleggen waarbij ze zich ertoe verbinden om in geen geval nog verder kwaad of schade te berokkenen aan de kloosterlingen van Sint-Walburga.

Binnen de veertien dagen moeten alle vernoemde inwoners een brief ondertekenen en deze te laten geworden aan Sint-Walburga. De rist straffen zorgt ervoor dat er moeilijke tijden in het verschiet liggen voor de Nieuwpoortenaars. De last wordt nog versterkt door het feit dat de mensen van aanzien en invloed maandenlang afwezig zullen blijven om hun boeteverplichtingen na te komen in de kerken van zowat heel Vlaanderen.

En dan spreken we nog niet over de bannelingen die één jaar van huis zullen blijven. Velen zien die lastige tijden in Nieuwpoort niet zitten en trekken weg naar andere plaatsen. Veel vissersgezinnen verlaten Nieuwpoort omdat het leeuwendeel van de betalingen nog maar eens ten laste van de vissers dreigen te vallen.

Maar waar kunnen ze heen? De vissers trekken niet ver van de stad, naar Vloedgad, Nieuwendamme en Orot. Zelfs Lombardie wordt opnieuw in het leven geroepen. Ondertussen moeten de mensen die in de stad gebleven zijn zich aanpassen aan de pijnlijke situatie. Het stadsbestuur van Nieuwpoort is te ontredderd en ontzenuwd om tegenmaatregelen te treffen tegen de mensen die de stad verlaten. Pas later, wanneer de wedergeboorte een feit wordt, zal ingegrepen worden.

Dit is een fragment uit boek 2 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 2
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.