banner
Jun 22, 2026
5 Views
Reacties uitgeschakeld voor De twee burgemeesters van Veurne

De twee burgemeesters van Veurne

Written by
banner

Veurne begint zeer weelderig te worden met de vruchten van de vrede van van de nieuwe industriële activiteit. Het oude aftandse ‘gyselhuus’ , door de ouderdom zeer vervallen, wordt volledig herbouwd en er zal een extra vergaderzaal komen waar de raadsleden van de stad hun vergaderingen zullen kunnen houden. Filips de Schone is ondertussen op een leeftijd gekomen dat hij nu officieel het bestuur van Vlaanderen op zich kan nemen. En daarbij hoort natuurlijk de reeks eedafleggingen in de verscheidene Vlaamse steden. Veurne is op 10 juni 1500 aan de beurt. Zijn zoontje Karel, geboren in februari, zal vermoedelijk al aan zijn eerste ‘ba’s’ en ‘dada’s’ begonnen zijn.

Het gezelschap komt van Sint-Winoxbergen. ‘Een groot gevolg van edeldom’, staat er te lezen. De magistraten van Veurne en Veurne-Ambacht wachten hen op hun paasbest op. De vaandels van de prins wapperen aan het gijzelhuis en het stadhuis. Uiteraard gaan ze Filips te voet tegemoet om hem welkom te heten en hem enkele geschenken te overhandigen. De kasselrij schenkt een zilveren beker en wat de stad veil heeft voor hun aartshertog, komt schrijver Pauwel niet te weten. Bij het invallen van de avond worden de vreugdevuren weer ontstoken. Filips zal logeren in de woning van de burggravin, ‘hetgeen daartoe zeer kostelijk bereid was gemaakt’.

De volgende morgen gaat de eedaflegging door. Het ‘ik ben jullie prins’ vanwege de graaf en het ‘wij zullen u respecteren en dienen’ van de nobelste poorters, maar dan met de gebruikelijke stadhuiswoorden van dienst, hoewel het natuurlijk op het zelfde neerkomt. Het geheel baadt in een sfeer van praal en pracht. Het ritueel van de geschenken ontbreekt niet. Zilveren bekers enzovoort en ’ten zelven dage vertrok de prins nog naar Nieuwpoort en van daar verder.’

Veurne kent nog altijd twee burgemeesters die los van het stadsbestuur instaan voor de financiën en de ophaling ervan. Ze dienen één keer per jaar verantwoording af te leggen als de wet vernieuwd wordt. Daar komt in 1501 verandering in want voortaan zullen de stadsinkomsten onder het beheer komen van een ontvanger, een tresorier die zijn werk zal uitvoeren voor beide burgemeesters. Met een loon van 24 pond per jaar zou het inderdaad nogal duur uitvallen moesten er twee tresoriers rondlopen. Dat geld wordt trouwens in mindering gebracht van de vergoeding voor de burgemeesters die zich nu volop kunnen concentreren op het bestuur van hun stad.

De oorlog is uit de lucht verdwenen, mijn jaarboeken worden iets luchtiger en schenken wat aandacht aan allerhande fait-divers uit het begin van de 16de eeuw. Zo bijvoorbeeld het bezoek van de nieuwe bisschop van Terwaan aan Veurne. Hoog bezoek. Philips van Luxemburg, kardinaal van de heilige stoel te Rome is onlangs aangesteld als nieuwe leider van het bisdom van Terwaan en komt op 16 juni 1502 eens monsteren hoe het staat met het geloof in de Westhoek.

Het magistraat heeft niets aan het toeval overgelaten om de kerkleider op de treffelijkste wijze te ontvangen. Een bezoek aan alle kerken waarbij een pak parochianen gevormd worden en waarbij de burgemeesters klaar staan met twintig kannen wijn voor de kardinaal-bisschop. ‘Elke kanne houdende twee stopen wijn’. Als ik het goed nareken zal Philips van Luxemburg kunnen slurpen van zesennegentig liter wijn.

Een grote brand verwoest op 30 augustus van 1503 achttien of twintig woningen in de binnenstad. En het hadden er nog veel meer kunnen zijn. Dank zij de grote ‘neerstigheid’ van de burgers werd een uitbreiding van de brand tegengehouden. Daags na het inferno zorgt het stadsbestuur voor een plechtige gezongen mis ter ere van Sint-Brandaris.

Een naam die me enigszins doet monkelen. Ik wist niet eens dat er een heilige van vuur bestond zoals dat al eerder het geval was met eerdere heidense vuurgoden. ‘De zangers van sinte Walburga, de diaken en de subdiaken, de clockeluider en de orgelare worden betaald door het magistraat’, maar het is vooral de al dan niet fictieve Brandaris die wegloopt met de show als de beschermheilige van dienst tegen brandgevallen.

Van 1504 valt er alleen de wapenschouwing te vermelden die alle leenhouders afleggen bij de burg van Veurne en dat op vraag van hoogbaljuw Guy De Baenst. De bewoners worden pas goed opgeschrikt op het eind van september 1506 wanneer de onverwachte dood van aartshertog Filips van Oostenrijk bekend raakt. Dat er gif in het spel zat om de 28-jarige Filips naar het hiernamaals te sturen, zullen ze in Veurne niet doorhebben. De overheid van Vlaanderen zet zijn triestigste lijkbiddersgezicht op en verplicht de Vlamingen om rouwdiensten te houden en te bidden voor de man zijn ziel.

In Veurne kunnen ze natuurlijk niet achterblijven. Ook hier zal een plechtige uitvaartmis gecelebreerd worden. De burgemeesters maken er gezamenlijk werk van. Adriane van Stavele, de burggravin van Veurne en haar baron Ronny leggen hun gewicht in de weegschaal om de dienst op te luisteren. ‘Deze werd gedaan op 20 november 1506, in de kerk van Sint-Niklaas. Al de abten van de kasselrij werden begroet om de uitvaart met hun bijzijn te vereren, de magistraten met al de officieren van de koning, zeer treffelijk gekleed in de rouwe, waren er tegenwoordig.’

De persmedewerker van dienst schudt een kunstige omschrijving van de offerandegang uit zijn knokige vingers. Voor de arme sukkels van ’t stad zijn er tarwebroden gebakken en zo heeft het prinselijk overlijden toch nog zijn voordelen. De dienst eindigt met een treffelijke maaltijd voor iedereen die de uitvaart heeft bijgewoond, de kosten ervan worden voor een derde gedragen door de stad en de rest is voor de kasselrij.

Tijdens datzelfde 1506 willen de ontvangers een taxatielijst maken van lenen die in eigendom zijn van mensen die niet tot de adelstand behoren. Er wordt hiertoe een speciale commissie opgericht met als commissarissen meester Guy De Baenst, schildknaap Maerten van Fontignies en hoogbaljuw Robert De Neve. Ze presenteren hun lijst aan de raad van Vlaanderen die nogal wat bezwaren maakt tegen deze vorm van belasting welke blijkbaar nergens anders in het land wordt toegepast. Het plan blijft door deze twijfels steken in goede bedoelingen tot dat ze in Veurne er tenslotte van afzien.

De saaiweverij die tien jaar geleden met veel aplomb opgestart werd blijkt ook al een maat voor niets. Al de voordelen die het stadsbestuur veil had voor het aantrekken van gespecialiseerde wevers blijken uiteindelijk niet veel meer dan een scheet in een fles water. In 1507 beslist het magistraat om een nieuwe reeks maatregelen te treffen en zo nieuw leven in deze nijverheid te blazen.

‘Een nieuwe tocht om de saaiweverij in hun stad aan te trekken. Daartoe porden ze veel wevers, drapeniers en kammers om voor de tijd van zes jaar in de stad te komen wonen en aldaar de nering te doen. Daarenboven gaven ze hen nog grote sommen geld voor en ze deden maken alle soorten van gereedschappen die tot de voornoemde ambachten dienstig waren.’

Het lijkt wel een Waalse toestand van de jaren 2000 waarbij industriegrond en subsidies om de oren vliegen van kandidaat-investeerders. Tournai. Mouscron. Mons. Welnee: dit is Veurne 1507 en hier wordt zelfs nog een stuk verder gegaan. Ik laat het Pauwel eigenhandig uitleggen met zijn woorden van toen: ‘en als deze saaiwevers niet tijdig hun saaien konden verkopen (omdat er nog geen kooplieden in Veurne woonden die deze handel beheerden), kocht het magistraat dan maar zelf de saaien en zond de producten op naar Doornik, Kamerijk, Valencijn en andere steden om deze daar te laten verkopen.

Zolang dit alleen maar gebeurde zonder dat zij daar enige schade op leden.’ De hele nijverheid wordt dus moedwillig gesubsidieerd in de hoop dat het tij zal keren en er op lange termijn wel voordelen zullen mee gehaald worden.

Op 14 maart 1508 sterft mevrouw Eleonora de Poitiers, de douairière, zeg maar weduwe van Willem van Stavele de gewezen burggraaf van Veurne. ‘Ze was een deugdelijke vrouw die met haar familie zeer veel voor de stad en de kasselrij heeft gedaan.’ De dame van stand wordt naast haar man begraven in de kerk van Stavele, onder het koorgestoelte van Sint-Niklaas. Deze Willem van Stavele en eveneens van Krombeke diende tijdens zijn leven als kamerheer van de hertog van Bourgondië tot hij op 20 november 1469 overleed.

Tijdens de februarimaand van 1511 vliegt er per ongeluk weer een huis in brand in de binnenstad. Dat krijg je natuurlijk met die strodaken. Dit keer is de vuurzee niet te stoppen, hoe zeer de inwoners ook hun best doen om de vlammen tekeer te gaan. Driehonderd woningen gaan verloren. Het magistraat van de kasselrij roept in allerijl de hulp in van negenenveertig landslieden om de brand te komen helpen blussen. Karren met ketels en tonnen vol water hossen de stadsmuren binnen. Het zal er om spannen om het ‘landhuis en het gijzelhuus’ te vrijwaren van verwoesting.

Grote delen van de Weststraat, Zuidstraat, Kaaistraat en de Gracht branden af. En laat dat nu precies de wijken zijn waar al die nieuw aangespoelde saaiwevers, kammers en ververs optrokken. De twee ververijen die de stad op eigen kosten had laten installeren, verdwijnen in rook en as waardoor ‘de manufacture zeer te niete ging’. Duizenden mensen verliezen have en goed.

Een ramp voor de bewoners in kwestie maar al evenzeer voor het stadsbestuur die ook al niet moet rekenen op belastingen op hun inkomsten. Dat wordt dan op zijn beurt gevolgd door een verzoekschrift aan de prins en aan de raad om voor enkele jaren vrijgesteld te worden van taksen. Op 8 juni 1512 krijgen de bestuurders het nieuws dat ze mogen rekenen op een halvering van de taksen en dat voor een periode van drie jaar.

Dit is een fragment uit Boek 6 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 6
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.