banner
mei 19, 2026
4 Views
Reacties uitgeschakeld voor Gezalfde kwaaddoeners

Gezalfde kwaaddoeners

Written by
banner

Wat zich hier afspeelde in Duitsland kan je perfect kopiëren naar Vlaanderen. De politieke instabiliteit en de aanslepende oorlogen hebben de kerken groot gemaakt. In tijden van oorlog werden alleen de kerkgebouwen van vernieling gespaard. Men behoedde ze uit eerbied voor de kerkelijke waardigheid maar vooral uit bijgelovige vrees van de kerkelijke ban, een dreigement waar de geestelijken te pas en te onpas mee zwaaiden.

‘Velen die dit bemerkten, droegen hun land over aan de clerus om achteraf hun eigendommen in leen te houden van diezelfde kerk. De kerk kreeg met verloop van tijd zo veel eigen leenmannen waardoor haar macht nog groter werd. Met zeer veel uitwendige praal tot de priesterlijke bediening gewijd, werden ze van de rest van de mensen onderscheiden door hun bijzondere kleding en een andere levenswijze. Ze konden uit hoofde van hun staat genieten van verscheidene exclusieve voorrechten waar andere christenen niet in deelden.’

‘Naarmate de geest van bijgelovigheid toenam, werden ze aanzien als wezens verheven ver boven de ongewijde leken. Ze meenden dat men hen niet volgens dezelfde wetten kon beoordelen of aan dezelfde straffen kon onderwerpen. De burgerlijke rechtbanken maakten een uitzondering voor de priesters. Deze ongezonde vrijheid werd trouwens geruggensteund door pauselijke vonnissen en kerkelijke vergaderingen en bekrachtigd door de voornaamste keizers die het land ooit bestuurden.’

De kerkelijke gewaden als schild voor immuniteit. Zo kan ik dit het best interpreteren. En weeral eens dat gesjoemel met de term ‘gewijd’. Gewijd water en gewijde ambten. Even kruisgewijs zwaaien met de handen was voldoende om iets of iemand te wijden. Bepaald hallucinant om vast te stellen dat het dit zwart volk was die zo hard inkerfde op bijgeloof en afgoderij. Het ergste van allemaal was de wetenschap dat ze ervan overtuigd waren dat ze zelf een heilige dimensie konden geven aan de dingen.

Hoe waanzinnig het er allemaal aan toe ging, blijkt verder in deze oude teksten. ”Zo lang een kerkelijke met de geestelijke waardigheid bekleed was, werd zijn persoon geheiligd gehouden en ten ware dat hij van zijn bediening was afgezet, kon de ongewijde hand van wereldrijke rechters zijn persoon niet aanraken.’ De macht om een kerkman af te zetten kwam alleen toe aan geestelijke hoven. ‘Het viel moeilijk en kostelijk om een vonnis tegen hem te verkrijgen, zodat de meeste beschuldigingen volstrekt onbestraft bleven. Veel schelmen namen om geen andere redenen de kerkelijke orde aan, dan om daar door hun straf te ontwijken welke zij voor hun misdaden verdiend hadden.’

‘De Duitse edelen klaagden openlijk dat deze gezalfde kwaaddoeners zelden, zelfs niet om de gruwelijkste misdaden, met de dood gestraft werden. Deze immuniteit voor de burgerlijke rechter was een smet op de maatschappij van toen en hielp allerminst om vooruitgang te zien in het gedrag van de geestelijken.’

Vooruitgang? Bach, ik kan nog niet eens het topje van de ijsberg vatten. Het leven van de mensen is verknocht met en verknoeid door de geestelijken. Ik blijf het me afvragen hoe deze mannen en vrouwen in hemelsnaam kunnen geloven in waarden die eeuwen en eeuwen gezorgd hebben voor de smerigste corruptie en wantoestanden. Ik kan het echt niet beter vertalen dan wat ik hier te lezen krijg: ’terwijl de geestelijkheid met zo veel ijver haar voorrechten zocht te verzekeren, maakte ze een gedurige indrang op die van de leken. Alle zaken, het huwelijk, uiterste wille, woeker, wettige geboorte als mede het kerkelijk inkomende rakende, werden verondersteld zo nauw aan de godsdienst verbonden te zijn, dat ze allemaal door geestelijke hoven konden gevonnist worden.’

‘Hierdoor kregen de kerkelijken nog grotere vermogens en geldsommen welke in die tijden betaald werden aan diegenen die de bedieningen van het recht hadden.’ Ik kan me perfect de vrees van de mensen inbeelden. Een heilige schrik voor de opgelegde straffen. Ik besef nu waarom schrik in mijn eigen taal nog altijd gelinkt wordt aan het bijvoegsel ‘heilig’. Heilige schrik om rond de oren geslagen te worden met de kerkelijke ban bijvoorbeeld. In de Westhoek en in Vlaanderen kunnen ze er over mee vertellen.

‘Die ban werd oorspronkelijk ingesteld om de kerk in haar zuiverheid te bewaren. Men bediende zich daarvan om uit de vergadering van de gelovigen zulke hardnekkige zondaars te weren, van wie hun goddeloze gevoelens en hun ergerlijk leven de christelijkheid tot schandvlek strekten.’ En dat was nog maar het begin van de ellende.

‘In het vervolg durfden de kerkelijken zich daar van onbeschroomd bedienen om hun wereldlijke macht uit te zetten en er in de beuzelachtigste gevallen gebruik van te maken. Wie hun uitspraken naast zich neerlegde of verachtte, zelfs in burgerlijke zaken, haalde zich direct deze verschrikkelijke ban op de hals, door welke hij niet alleen van al de voorrechten van een christen verstoken werd, maar zelf de rechten van burger en van mens ontnomen werd. Deze heilige vrees die men voor deze monsterlijke ban had, hield de stoutste en meest oproerige geesten in teugel en onderworpen aan het kerkelijk gezag.’

De kerk zorgt deksels goed voor haar vermogen en haar rijkdommen die ze met zo veel ijver en behendigheid bij elkaar heeft gebracht. ‘De bezittingen van de kerk werden verklaard om onvervreemdbaar te zijn, als aan God toegewijd, zo dat de inkomsten van de naamloze vennootschap ‘kerk’ dagelijks de winst verbazingwekkend deed aangroeien. In Duitsland werd gerekend dat de kerkelijken meer dan de helft van de eigendom der natie in handen hadden, net zoals dat het geval was in de buurlanden.’

‘Deze uitgestrekte bezittingen waren daarenboven aan geen belastingen onderhevig zoals dat het geval was bij de gewone burgers. De geestelijkheid was volgens de wet vrijgesteld van belastingen en alle gevallen van eventuele bijstand werden aanzien als zuivere giften en edelmoedigheid van de kerk. Door deze vreemde ongerijmdheid in de regering vonden de leken van Duitsland zich beladen met al het gewicht van de belastingen. Dit terwijl de rijkste eigenaars of grootste landbezitters niet verplicht waren de staat bij te springen of te verdedigen.’ Ik lijk wel beland bij de Interbrews, de Electrabels en de Microsofts van de eenentwintigste eeuw.

En dat het dan nog mensen uit eigen land waren. Maar neen. ‘De rijkdom en de voorrechten waren niet in het bezit van kerkelijken die hun verblijf hadden in Duitsland. De bisschoppen van Rome hadden zich al vroeg het stoutste recht aangematigd, namelijk dat van de onfeilbare opperhoofden van de christelijke kerk te zijn. Hun doortrapte staatskunde, hun behendigheid om geen gunstige gelegenheden te verzuimen..’ en zo gaat het maar verder.

De helft van een land bezitten, laat natuurlijk zijn sporen na tot op het hoogste niveau: ‘Duitsland was het land waar de kerkelijke oppervorsten met het willekeurigst gezag heersten. Ze sloegen enige van de voortreffelijkste keizers in de kerkelijke ban, zetten hen af en hitsten hun onderdanen, hun staatsbedienden en zelfs hun kinderen op om tegen hen de wapens op te nemen. In het midden van die twisten breidden de pausen voortdurend hun eigen rechten uit en beroofden ze de wereldlijke vorsten van hun dierbaarste voorrechten.’

De kerk heerst over het puin die de wereldlijke macht met zijn oorlogen is kwijtgespeeld. De mannetjes van Rome zitten werkelijk overal. ‘De pausen konden het hele rijk met hun schepsels vullen, allemaal onderdanen die exclusief afhingen van de pauselijke zetel en waar de wereldlijke leiders niet het minst vat op konden krijgen. ‘De rijkste bedieningen werden in elk land aan vreemden gegeven en de rijkste schatten overal uitgeput om de pracht en de weelde van hun hof te voeden.’

Waarom zou ik verwonderd zijn van de steun die Luther krijgt van de man in de straat? ‘In de bijgelovigste eeuw zelf toonden de volken zich oproerig tegen deze onderdrukking en hun menigvuldige klachten en gemor maakten dat de pausen hen niet langer durfden vergrammen en een stuk van hun autoriteit zouden afstaan.’ Er werd met andere woorden weer ruimte gemaakt om eigen mensen aan de leiding van lokale kerken te krijgen. Maar het hof van Rome beknotte deze maatregelen door elke benoeming te laten afhangen van de pauselijke goodwill. De hoogste in rang, de kardinalen, werden enkel door de paus aangesteld, een fenomeen dat we anno 2016 nog altijd kennen.

Er waren natuurlijk meer kandidaten dan postjes. De gebieden moesten eerst vrijkomen. Een beetje zoals bij een notariskantoor. ‘Daarom voerden ze de pauselijke toezeggingen in, ‘expectative graces’. Een wachtlijst waarmee de paus iemand tot het eerst open vallend kerkgoed benoemde. Het maakte dat Duitsland vol was van kerkelijken die enkel van het Roomse hof afhingen, het welk zij uit hoofde van hun toezeggingen aankleefden, insgelijks zorgde het ervoor dat de vorsten hun persoonlijke voorrechten kwijt raakten, terwijl de rechten van de heren tot onbeduidend werden teruggeschroefd.’

Het marchanderen met deze ambtstitels steekt de ogen uit. ‘De schraapzucht en de knevelarij van het Roomse hof waren zo groot dat ze bijna tot een spreekwoord werden.’ Ik schud er zo een uit mijn mouw. Als de paus de passie preekt, boer pas op je ganzen. Met de paus in de rol van vos natuurlijk. Het passiespel van Pasen en het gegoochel met god als één doortrapte leugen. ‘Het verkopen van kerkelijke bedieningen was zo kenbaar dat er niet eens moeite werd gedaan om het te verbergen of te bedekken. Gehele benden kooplieden kochten openlijk ministerfuncties en kerkelijke waardigheden doorheen de verschillende staten van Duitsland en verkochten die weer verder met een flink stuk winst.’ Alsof je vandaag de functie van bisschop zou kunnen kopen op Kapaza of eBay.

Mensen die echt gelukkig waren met hun geloof, overtuigde en goedhartige christenen, zagen deze praktijken met lede ogen aan. Deze koophandel van geestelijke functies was de katholieke kerk onwaardig. De economen op hun beurt klaagden over het teloor gaan van zo veel financiële middelen die bij zulke ongewijde handel verloren gingen.

‘Inderdaad, de geldsommen welke het Roomse hof uit deze geregelde en wettige belastingen trok van al de landen die zijn gezag erkenden, waren zo aanzienlijk dat het helemaal niet te verwonderen is dat de mensen morden. Iedere kerkelijke betaalde bij het aanvaarden van zijn bediening de ‘annaten’ aan de paus. Het gaat hier over de toekomstige inkomsten uit zijn waardigheid van één jaar. Deze belasting werd met uiterste gestrengheid ingevorderd en bracht onnoemelijk veel geld in het laatje. Voeg hierbij de vrije giften door de pausen menigmaal van de geestelijkheid opgeëist, als mede de buitengewone tiendenheffingen van de kerkelijke inkomsten, onder voorwendsel van de kruistochten tegen de Turken, militaire operaties die nog maar sporadisch werden uitgevoerd. Dit alles te samen kan men opmaken welke onmetelijke inkomsten gestadig door Rome verzwolgen werden.’

‘Zo was het dus gesteld met de bedorven zeden, de buitensporige rijkdom, de macht en de voorrechten van de geestelijkheid.’ De komst van Maarten Luther was blijkbaar hoognodig. De Schotse historicus William Robertson die in 1769 deze woorden voor de eerste keer aan het papier toevertrouwde, hoedt er zich voor van vooringenomen te zijn. ‘Ik heb deze schets geenszins getrokken uit de twistschrijvers van die tijd’, geeft hij aan. ‘Deze zouden de dwalingen van de kerk nog veel omvangrijker hebben omschreven.’ Zijn bronnen zijn registers en betogen uit officiële rijksvergaderingen, zakelijke documenten, zonder emoties, koel en bezadigd neergeschreven en waarbij maar al te duidelijk bleek hoezeer dat oude keizerrijk probeerde zich los te wrikken van deze kerkelijke dictatuur.

Ik er eigenlijk geen plaatje rond te maken. De boodschap van Luther om het Roomse juk af te werpen, wordt door de burgers met grote gretigheid omarmd. De passionele prediker laat niemand onberoerd. ‘De hevigheid en vinnigheid van Luthers karakter, het vertrouwen waarmee hij zijn leer verkondigde’. Zijn kleine kantjes worden aanvankelijk door zijn aanhangers met de mantel der liefde bedekt, maar die zijn er wel. ‘De verwaande en verachtelijke wijze waarmee hij al diegenen behandelde die met hem van mening verschilden, zouden pas veel later als grote mankementen in zijn karakter opgemerkt worden.’

De man moet zijn supporters werkelijk opjagen en beroeren. Hoewel zijn boodschap terecht lijkt, krijg ik toch een wrange smaak over de man die hij is. Zou hij dan zo’n type prediker zijn die we zo vaak zien op tv? Charismatische sprekers zijn toch wel echt gevaarlijk als ze zelf gaan beseffen hoeveel invloed ze kunnen opdringen aan hun publiek, hun sekte. Zo ook voor een flink stuk in Duitsland rond 1520. ‘Zijn gebreken stoorden zijn tijdsgenoten niet, wier gemoederen hevig beroerd werden door de gewichtige geschillen welke hij voorbracht, hij, de man die daarenboven nog zelf de gestrengheid van de paapse dwingelandij gevoeld had en in de kerk met eigen ogen de verdorvenheid gezien had tegen welke hij zo sterk uitvoer.’

Dit is een fragment uit Boek 6 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 6
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.