Ik duik direct het tiende kapittel van de jaarboeken binnen. Anno 1490. Het rommelt weer eens in Brugge. Een nieuwe ontwaarding van de munt, het lijkt precies een belasting, zorgt voor massaal protest. De nog altijd dissidente Filips van Kleef stookt de Bruggelingen vanuit zijn Sluis’ bastion op en roept ze op om de wapens op te nemen. ‘De koning van Frankrijk zal jullie een massa volk toesturen om jullie bij te staan en ook de rest van de Vlaamse steden gaat jullie voorbeeld volgen.’ Een veelzeggende belofte die de man eigenlijk niet zou mogen doen volgens Veurne: ‘het was op al dat ongegronde dat die van Brugge op 1 juli 1490 zich wederom als vijand verklaarden van allen die de zijde van de Roomse koning volgden.’
De Henegouwse en Duitse soldaten die gekazerneerd liggen in Damme manifesteren zich onmiddellijk in het Vrije. Ze vrezen voor een herhaling van de verwoestingen vooral nu het er op lijkt dat de koning van Frankrijk de zijde van de Bruggelingen heeft gekozen. De soep moet gelukkig niet zo warm opgesoupeerd worden als ze opgediend werd. Gebrek aan geld en alle soorten van levensmiddelen fnuikt de Brugse moraal en zorgt ervoor dat ze zich met hangende oren moeten verzoenen met Maximiliaan. De vrede wordt gesloten op 28 november. Ik schrik niet eens van de nieuwe boete: tachtigduizend pond. Onze vriend Filips van Kleef blijft zich verder verweren vanuit Sluis en wil zich hoegenaamd niet verzoenen met de koning.
Op een echte vrede blijft het dus wachten. De gemoederen zijn nog maar pas gestild in het Brugse als er nu al trammelant komt in Gent. De dure tijd en de devaluatie zijn dan toch de schuld van Maximiliaan. De Gentenaars sluiten een verbond af met Filips van Kleef en zullen bijstand krijgen vanuit Frankrijk. Die koning van Frankrijk moet toch wel een echte eikel zijn, denk ik bij mezelf. Schrijver Pauwel Heinderycx neemt me de woorden uit de mond: ‘hij zocht er naar om het land van Vlaanderen altijd in twist te houden om er zelf zijn voordeel bij te doen.’
Gent is vooralsnog geïsoleerd en probeert met geweld een aantal versterkingen en steden in te nemen. Ze willen er voor zorgen dat er een groot verbond komt tegen Maximiliaan. Een pied-à-terre voor de Franse legers is trouwens noodzakelijk. Samen zullen ze de Roomse koning wel meester kunnen. De intriges worden niet geschuwd. Kijk maar naar het zogezegd onwrikbaar Diksmuide. ‘De Gentenaars hadden een verdrag gesloten met enige kwaadwillige burgers aldaar om hun stad onder hun macht te brengen.’ Op 19 januari 1490 profiteren ze van de zwakke bewaking om over het ijs van de gracht tot onderaan de stadsmuren te geraken, waar ze heimelijk binnengebracht worden. De wachten worden een kopje kleiner gemaakt, de poorten worden opengezet waarop een grote bende Gentenaars de stad Diksmuide kan binnenrukken.
‘Ze vergenoegden zich niet enkel om de stad uit te roven maar ze namen ook de rijkste lieden gevangen en zetten die op water en brood.’ Ik kan me goed inbeelden dat heel Veurne-Ambacht in rep en roer moet staan als bekend raakt dat hun bevriende buurstad in handen is van de vijand. De landslieden van het Bloote slaan al op de vlucht met blijkbaar de rijkste op kop. ‘Niemand bleef daar thuis met uitzondering van de arme lieden die toch niets te verliezen hadden.’
Tijdens een bijeengeroepen noodvergadering worden haastig maatregelen genomen. De instructies aan al de hoofdmannen van het Houtland en die van de parochies ten zuiden van de Ijzer vliegen de deur uit. ‘Laat al de klokken luiden, alle weerbare mannen moeten opgeroepen worden naar de Hogebrug bij Diksmuide om er te beletten dat die van Gent zouden uitbreken om de kasselrij te komen verwoesten.’ Er wordt massaal gevolg gegeven aan de oproep. Zeshonderd landslieden worden er onder het gezag geplaatst van Denis van Morbeecke.
De Veurnse magistraten kijken ook in de richting van Ieper en Brugge die het nu ook niet eens zijn met de Gentse kuren. Volk en buspoeder zouden ze graag verkrijgen hier. De rijke landslieden die zich hier verscholen houden krijgen een veeg uit de pan. Ze moeten dadelijk naar hun eigendommen terugkeren om die te beschermen. Er komt ook Duitse versterking onder de leiding van een kloeke kapitein die betaald wordt met middelen uit de kasselrij van Veurne. Alle torens van het omliggende moeten dienen als uitkijkposten en bij elk klokkengelui zal het landvolk er prompt naartoe trekken om de vijand te bevechten.
De Fransen worden ook verwacht. Hun leger is al over de Nieuwe Dijk gekomen met de bedoeling om zich binnenkort bij de Gentenaars te voegen en om samen een oorlog uit te vechten in de Westhoek. Hier zal de bescherming van de eigen mannen dus niet volstaan. Brugge en Ieper zullen moeten bijspringen samen met de graaf van Nassau, op dat ogenblik de gouverneur van Vlaanderen. Aan alle doorgangen worden ondertussen wachters opgesteld om de streek van Fransen te vrijwaren. Bespieders houden de vijand in de gaten. De versterking van Roesbrugge wordt extra bemand en beveiligd. Poperinge, Ieper en Sint-Winoxbergen krijgen de raad om de doortochten in hun rechtsgebieden extra te beveiligen.
Bij Engel van Reninge, de baljuw van Zuid- en Noordschote, wordt er ter hoogte van Steenstraete een bijkomende wachtpost geposteerd. Men vermoedt immers dat de Fransen wel eens deze weg zouden kunnen kiezen voor hun invasie. ‘Geheel het land was zo in rep en roer’, de angst zit er overal diep ingebakken. De graaf van Nassau is met grote haast afgezakt naar Diksmuide en begint met twaalfhonderd man aan het beleg van de stad. Die van Gent moeten eruit gerookt worden. De belegering geschiedt onder het commando van Denis van Morbeecke en van de heer van Ronny, de gouverneur van Veurne-Ambacht.
De aanvallen zijn turbulent. De aanwezige Gentenaars kunnen het niet bolwerken en zien zich verplicht om zich over te geven. Het plan van de Gentenaars om aan te sluiten bij de Franse legers is verijdeld. De Duitsers profiteren van het machtsvacuüm in Diksmuide om er aan het plunderen te slaan. Veel zullen ze niet naar huis kunnen meeslepen zo te lezen; ‘geheel het garnizoen moest de stad uittrekken in hun wambuizen zonder iets te mogen meedragen.’ De burgers die verantwoordelijk waren voor het verraad worden terstond opgehangen. ‘Deze gebeurtenis veroorzaakte in Veurne en Veurne-Ambacht grote blijdschap: want men was alsdan verlost van deze vreselijke vijanden.
Die heer van Ronny die daarnet even ter sprake is gekomen blijkt voluit Robert van Melun te heten, de gouverneur van Veurne is eveneens luitenant in het leger van de graaf van Nassau. Kort na de overwinning op Diksmuide treedt hij in het huwelijk met de burggravin van Veurne. Zij wordt aangesproken als mevrouw Adriane van Stavele. De rest van de blauwbloedtoestanden en dito achtergronden is niet echt aan mij besteed. De stad trakteert met een vat wijn en betaalt bij die gelegenheid nog de achterstallige vergoeding van twaalfhonderd ponden uit die hij had voorgeschoten om zijn mannen te betalen. Denis van Morbeecke had trouwens ook nog driehonderd pond tegoed.
Dit is een fragment uit Boek 6 van ‘De Kronieken van de Westhoek’


