banner
apr 14, 2026
3 Views
Reacties uitgeschakeld voor Het Frankenrijk van Clovis

Het Frankenrijk van Clovis

Written by
banner

Bij de Romeinen is het vet duidelijk van de soep. In het jaar 349 volgt er een coup wanneer Constans’ opperbevelhebber de macht grijpt in Gallië. Ik heb het over de Frank Magnus Magnentius. Hij laat Constans om het leven brengen, roept Amiens uit tot nieuwe hoofdstad en laat hierbij nieuwe munten slaan. De machtsgreep slaagt dank zij de hulp van de Franken en de Saksen.

Lang duurt het verhaal van Magnentius niet. Oom Constantinus grijpt in, krijgt de assistentie van de Barbaren en verslaat Magnus Magnentius al in het jaar 351. De Franken laten het niet aan hun hart komen en plaatsen in 355 een nieuwe tegenkeizer aan het bewind. Zijn naam is Silvanus en zijn verkiezing wordt geregeld vanuit Keulen. De nieuwe is ook geen lang leven beschoren en wordt op zijn beurt verraderlijk vermoord.

Als punten bij paaltje komt eindigt de hele reeks van machtsgrepen in 356 wanneer Constantius en de Frankische koningen van Keulen een verdrag sluiten. Uit een bericht van de winter 367-368 blijkt dat de Romeinen een hele reeks kleinere versterkingen hebben opgegeven zodat zeshonderd Franken kunnen doordringen tot in Maastricht waar ze alsnog verslagen worden door Julianus. Ondertussen worden de Gallische kusten geplaagd door plunderende Frankische en Saksische zeerovers. En ook rond de Rijn wordt er weer strijd geleverd. Het is allemaal een beetje te veel van het goede.

Drie decennia gestook en bloedverlies loodsen me naar het begin van de jaren 400. In 406 volgt een invasie zoals ik die nog niet beleefd heb. De Alanen, Sueben en de Vandalen steken de Rijn over en stormen Gallië binnen. Mainz, Spiers, Worms, Amiens, Atrecht en Doornik worden veroverd en vernield. Trier, Keulen, Maastricht en Tongeren worden niet verwoest. Vermoedelijk zijn die op dat moment al in handen van de Franken. Ook in Rome verandert de hele politieke constellatie. Op enkele jaren tijd is er zo een heel nieuwe situatie ontstaan in Gallië.

De notities van die dagen, de ‘Notitia Galliarum’ krijgen hun vorm tussen 390 en 410. Van de Menapiërs is er geen sprake meer. Ze hebben waarschijnlijk al vanaf 297 hun thuisland bij Cassel moeten verlaten richting Doornik waar ze nu onderdanen geworden zijn van de civitas Tornacensium. Precies zoals dat het geval is voor de Nerviërs die zich moeten schikken naar de Camaracensus van Kamerijk of Cambrai. Het gebied boven Cassel is dus al rond 400 opgegeven.

De Nerviërs blijven niet lang in Kamerijk. De ‘Notitia Dignitatum’ vermeldt eveneens grote volksverhuizingen in het zuiden van Belgica II. De tekst ‘Tractus Armoricanus et Nervicanus’ duidt er op dat de Nerviërs niet lang blijven in Kamerijk en Bavay maar verder trekken naar het zuidwesten, tot zelfs beneden de Seine en tot aan de kust. Ook op andere plaatsen in Gallië is er sprake van verhuizende stammen.

De ‘Notitia Dignitatum’ zorgt voor wat meer onderscheid tussen de diverse bevolkingsgroepen in het noordwesten van Gallië rond de jaren 400. Er is sprake van de ‘Comes litoris Saxonici per Brittaniam’. Zeg maar de graaf van de Saksische kusten in Brittannia die daar beschikt over een aantal vestingen zoals bijvoorbeeld die van Hastings en Dover. In die tijd krijgt het eiland aan de overkant van de Noordzee zijn naam ‘Brittannië’.

Aan onze kant van het Kanaal wordt er gesproken van een hertog van Belgica II in de buurt van Mark bij Kales of Merkise bij Bonen (Boulogne) aan de ‘litore Saxonico’. Het valt uit deze tekst niet uit te maken of de kust hier in handen is van de Saksen of al dan niet verdedigd wordt tegen de Saksen van de overzijde van het kanaal. In de ‘Tractus Armoricanus et Nervicanus’, dus beneden de Seine, wordt Granno(n) genoemd ‘in litore Saxonico’. Vermoedelijk een haven in de Calvados. De Saksen zijn hier dus wel prominent aanwezig.

Vermoedelijk gaat het hier over Bayeux of Cherbourg. Later zullen Gregorius van Tours en graaf Karel de Kale het nog hebben over de gouw ‘Ottingua Saxonica’. Schrijver Van Es zoekt nog uit wanneer de bewuste Saksen hier gearriveerd zijn en komt tot de conclusie dat het zeker voor het jaar 408 moet geweest zijn. Uit zijn studie blijkt dat de onophoudelijke invallen van de Germanen ervoor gezorgd hebben dat nogal wat bevolkingsgroepen in Noord-Gallië de tijd rijp zagen om het Romeins bestuur bij hen af te schaffen en hun eigen regeringen te installeren.

Bij die aanvallen worden de Romeinse villa’s in het bos van Mormal, zowat 40 km ten zuiden van Bergen, achtergelaten en dat is waarschijnlijk het geval voor alle villae in het huidige België en Picardië. In de regio van Terwaan gaat het christendom verloren. De Romeinen behouden hun castella van Keulen, Heerlen en Maastricht tot in 437. Keizer Honorius geeft in 412 de toelating aan de West-Goten om zich in Aquitanië te gaan vestigen op voorwaarde dat ze er de Romeinse maatschappij zullen handhaven en het gebied zouden beschermen tegen de binnendringende Germanen.

In het jaar 430 is er voor het eerst sprake van een zekere Chlogio of Chlodio die de scepter zwaait in Dispargum. Schrijver Van Es vermoedt dat dit in Brabant is, maar als ik er het internet op napluis zal dat vermoedelijk wel in Duisburg aan de Rijn zijn. Korte tijd later zetelt Chlodio in Doornik. Deze Frankische vorst heerst er als een bondgenoot van de Romeinen over het gebied tot aan de Somme.

De Romeinen zelf hebben zich teruggetrokken tot onder de Somme. De gebieden rond Kamerijk, Atrecht en Terwaan worden ondertussen bestuurd door andere Frankische vorsten. Een situatie die zal aanhouden tot in 511. In 445 heeft Chlodio zijn zetel in Doornik omgewisseld voor die van Amiens. Ten zuiden van de Somme heerst er op dat moment een Germaan uit Pannonië, een zekere Aetius die zich opstelt als een Romeins bevelhebber. Aquitanië en zijn hoofdstad Toulouse worden onder controle gehouden door de West-Goten die er in 451 in slagen om een inval van de Hunnen van Attila in de buurt van Orléans te verijdelen.

Er volgt een nieuwe veldslag tegen de bewuste Attila. Chlogio en Aetius en de West-Goten bundelen hun krachten en slagen er in om de Hunnen neer te slaan in Châlons-sur-Marne. De toestand in het toenmalige Frankrijk moet turbulent zijn. Aetius wordt vermoord in 454. Chlogio sterft in 457. Merovech, de voogd van Chlogio’s zonen profiteert ervan om zijn eigen zoon Hilderik op de troon te brengen.

Na heel wat geharrewar en geweld kan Hilderik zijn machtspositie consolideren. Hiervoor moet hij onder andere de Romeinen van Aegidius verslaan. Rond die tijd is er ook sprake van de verwoesting van de Saksische eilanden aan de monding van de Loire. Clovis (eigenlijk heet hij Chlodovech), de zoon van Hilderik slaagt er in 486 in om de Romein Syagrius (de zoon van Aegidius) te verslaan.

Die laatste was er in geslaagd om een onafhankelijk rijk te vestigen tussen de Loire en de Somme. Clovis rijgt de overwinningen aan elkaar en zorgt daardoor voor een gevoelige uitbreiding van zijn Frankenrijk. Ik noteer een overwinning op de Alamannen te Tolbiac in 496, tegen de Bourgondiërs in Dijon (500), de West-Goten te Vouillé in 507. Hij laat de onafhankelijke Germaanse vorsten van Keulen en Kamerijk vermoorden. Hararic de vorst van Terwaan ondergaat hetzelfde lot in 511. De Ripuarische vorst van Tongeren onderwerpt zich eveneens aan Clovis.

Clovis krijgt van keizer Honorius de titel van ‘patriciër’ en laat zich tot christen dopen. Bij die doopplechtigheid wordt hij aangesproken als ‘Sicamber’, het schoonste bewijs dat de term ‘Frank’ niet de naam van een stam kan zijn. Na de dood van Clovis in 511 wordt zijn rijk verdeeld onder zijn vier zonen Theuderik (Metz), Childebert I (Parijs), Chlodomer (Orléans), Chlotarius (Soissons).

De zoontjes vechten de nodige onderlinge strijd waarbij moord en geweld de hoofdrol spelen. De slachtpartijen houden ook aan bij de kleinkinderen van Clovis, maar uiteindelijk ontstaat er weer eenheid in het Frankenrijk. De Frankische staat wordt daarbij uitgebreid tot in Nederland en Duitsland. In het jaar 800 bereikt één van hun opvolgers de keizerlijke waardigheid. Ik heb het over Karel de Grote.

Al eeuwen lang vindt een moeizame versmelting van invloeden plaats. Best te vergelijken met de politiek van vandaag. Veel meningen kanaliseren zich uiteindelijk tot compromissen. Zo komen er definities voor het Frankisch koningschap. De koning wordt verkozen en indien nodig afgezet. Hij voert het leger aan. Zijn soldaten zijn mannen van de verschillende stammen die zich als ‘leudes in feudum’ begeven. Hierbij ontstaat dus het feodaal stelsel. Belangrijk voor de Frankische koningen is dat ze als het ware de Romeinsrechtelijke waardigheid uitstralen.

Hoewel de Romeinen volledig vertrokken zijn, lijkt het er wel op dat de Franken het land in pacht krijgen van Rome en dat hun koningen daarvoor officieel de autoriteit krijgen. Gaandeweg wordt de feodale principes en de officiële Romeinse autoriteit uitgebreid om het koningschap te versterken en de rechten van het volk in te krimpen. De erfbaarheid van feodale rechten zorgt op zijn beurt voor een grote versnippering van gebieden en leenmannen waardoor de invoering van het Romeins recht noodzakelijk wordt, samen met de zucht naar een absoluut koningschap.

Met de verdeling van het grote Frankische rijk in een oostelijk en een westelijk deel ontstaan er verstrekkende keuzes waar men de blauwdruk van het Europa van vandaag nog altijd in terugvindt. In het oosten (het Germaanse rijk) wordt de keuze gemaakt voor een keizerlijke waardigheid. Terwijl het West-Frankisch rijk (het Frankische rijk) blijft steunen op het koningschap.

Bij de Germanen wordt de keizer verkozen en samen met de verbrokkeling van de feodale rechten op het land ontstaat er hier een grote verwarrende mix van kleine gebieden. Het geheel zorgt voor een verzwakking van Germanië. In Frankrijk komen koningen met absolute macht tevoorschijn waardoor het land eerst tot grote bloei zal komen tot het koningschap daar zal stranden tijdens de Franse revolutie. In Engeland is dat niet het geval omdat het absolutisme van de koning daar minder uitgesproken is door de gescheiden ligging los van Europa.

Het is focussen op Frankrijk; de oorspronkelijke keuze voor het erfelijk koningschap met centrale vorsten die zich de volgende duizend jaar zullen beroepen op hun Romeinse autoriteit in het Romaanse gedeelte. Aanvankelijk krijgt het Frankisch koningschap voet aan de grond in het zuidelijk deel van Gallië. Ten zuiden van de Loire waar het Romeinse bestuursstelsel en de Romeinse manieren kant-en-klaar gekopieerd worden vanuit het noordelijk deel van Germanië.

Dat ‘kant-en-klaar’ kan je het best opmerken in de officiële bestuurstaal: het Latijn. Kerk en staat gebruiken het Latijn voor hun interne werking. Akten en contracten worden standaard in de Romeinse taal gebezigd. De dominantie van het Latijn zal in stand blijven tot diep in de middeleeuwen. In het Germaanse noorden bekijkt de bevolking van hoofdzakelijk landbouwers en krijgers vooral met minachting neer op de pen en het schrijven.

Er is hier aanvankelijk geen ‘officiële’ taal. Niet moeilijk dus dat de Romanen met hun Romaanse taal hier als een mes door de boter snijden. Dat laat zich al vroeg in de geschiedenis opmerken. Aan het hof van koning Chilperik van Neustrië (het gebied tussen de Loire, de Maas en de Noordzee) speelt bisschop Gregorius van Tours tussen 540 en 594 een belangrijke rol.

Bij Chilperiks broer Sigebert in de regio van Metz (beiden zijn trouwens kleinzonen van Clovis) oefent de Romeinse dichter Venantios Fortunatus rond 566 er zijn Latijnse invloeden uit. De Romaanse standing van de klerken zal er toe leiden dat ze al gauw de Germanen zullen Romaniseren. Het koninkrijk moet en zal Romaans spreken. Hetzelfde gebeurt bij de kerk en in het hoger onderwijs en op termijn zal het hele staatsbestuur draaien op de Latijns-Romaanse taal.

Dit is een fragment uit Boek 7 van De Kronieken van de Westhoek

 

Article Categories:
fragment uit deel 7
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.