Na een sprong in de tijd, 300 jaar vooruit, belanden we opnieuw in het Westland dat best wel floreert. Dat is vooral het geval in Veurne-Ambacht. Helaas echter; in 1644 begint een tijd waarvan er wel haast elke dag een of andere ramp of ellendige toestand in onze regionale kronieken beschreven staat. En dat heeft opnieuw te maken met Frankrijk waar een koning regeert die zichzelf laat vereren als een Zonnekoning.
Lodewijk XIV denkt van zichzelf dat hij de God van de wereld is. De landlieden uit de Westhoek denken er helemaal anders over. Ze zitten natuurlijk wel geprangd tussen Spanje en Frankrijk. De Spanjaarden hebben er alles voor over om hun grondgebied te behouden terwijl de Fransen ongelukken zouden begaan om het te veroveren. Tussen 1646 en 1658 wordt Veurne maar liefst drie keer door de Fransen ingenomen.
Aangezien het de gewoonte is dat de soldaten hun karige soldij mogen aanvullen met hetgeen ze rond hun kampen kunnen roven zijn het de boeren uit de streek die daar de pineut van zijn. De kronieken hebben het voortdurend over alle soorten van wreedheden, roofpartijen, verwoestingen en brandstichtingen. Door de vrede van de Pyreneeën van 7 november 1659 komt Veurne opnieuw in Spaanse handen. Een magere troost voor de stedelingen die nu door andere en nog meer vreemde soldaten gekloot worden.
De sabel blijft niet lang in de schede. Lodewijk XIV verklaart opnieuw de oorlog aan Spanje en Veurne ziet zich op 12 juni 1667 opnieuw ingenomen door de Fransen. Het verdrag van Aken van 2 mei 1668 schenkt het zuiden van Vlaanderen met inbegrip van Ieper en Kortrijk aan de overwinnaar. Onze Westhoek heet nu plots Frans-Vlaanderen. De Vlamingen ondervinden al direct met wie ze te doen krijgen.
De oude gemeentevrijheden verdwijnen, het nieuw wetboek, de ‘Code Louis’ is nu baas. Betwistingen zullen beslecht worden door de hoge raad van Doornik. Het wordt nog erger als vanaf 1685 de Franse taal verplicht wordt in de rechtspraak. Natuurlijk allemaal bedoeld om onze landaard, onze zeden en gewoonten uit te roeien. De nieuwigheden volgen elkaar op.
De eigenaars van vrije lenen, d.w.z. eigendommen die niet aan enige taksen onderhevig waren, krijgen op 2 juli 1680 te horen dat ze elke 10 jaar voor 1 jaar pacht moeten afdragen aan de koning, te beginnen met een inhaalbeweging voor de voorbije 30 jaar. Dat betekent dus concreet: drie jaar pacht in één keer te betalen.
Na zwaar protest vanuit al de West-Vlaamse kasselrijen wordt die taks ongedaan gemaakt maar een jaar later vindt Lodewijk dan wel zijn geld bij de geestelijken en op de dis van de armen. De verdrukking van de Vlamingen is zonder meer schrijnend.
De vloek van de Fransen
Ondertussen lopen de Fransen het Vrije en de Vlaamse streken af tot diep in het Land van Waas, rovend, moordend en brandend. Vooral in 1684 is dat het geval. Lees maar wat de chroniqueurs schrijven: ‘honderden boeren werden gevangengenomen en op onmenselijke wijze mishandeld. De Fransen verdienden zeker de naam van christelijke Turken zoals de Vlamingen van die tijd hen benoemden.
Er was geen week waarin er niet een of andere landstreek verwoest en geplunderd werd door de markies van Boufflers. De Gazette de France kondigde aan dat de Parijzenaars met deze veldheer vertrokken waren naar Ieper met 13.000 voetknechten, 6.000 ruiters en paarden en 16 stukken geschut. En dat ze de kleine sterkte van Plassendale hadden ingenomen en vernield. Ze waren de Brugse vaart overgestoken en een van de Gentse voorsteden in de as gelegd. Heel het rijke Land van Waas was op schatting gesteld wat de Fransen zo maar eventjes 1,8 miljoen pond rijker maakte.’
En zo gaat het jaar in jaar uit verder. Uit 1691: ‘de kastelen en boerenhuizen van het Kamerlingsambacht, de streek rond rond Stene, Leffinge en Snaaskerke werden geplunderd en in brand gestoken, de oogsten op de akkers platgetrappeld en de schuren geleegd. De arme landlieden als gijzelaars weggevoerd, mishandeld of doodgeschoten, de vrouwen gruwelijk vermoord.
De pen weigert de afschuwelijkheden te beschrijven door de soldaten van Lodewijk XIV gepleegd in ons vaderland.’ Het is duidelijk: de naam van de Fransman is hier in de 2de helft van de 17de eeuw zo gehaat en verfoeid dat ze in ieders oren klinkt als een vloek. Het volk bidt met opgeheven handen om toch maar van die zware gesel verlost te worden, net zoals ze in de 10de eeuw smeekten om bevrijd te zijn van de Noormannen.
Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek


