De twee Moeren die tussen de steden van Veurne en Sint-Winoxbergen naast elkaar liggen zijn al sinds eeuwen ver in de tijd twee reusachtige waterpoelen geweest, gevuld met stilstaand water dat op sommige plaatsen een diepte heeft van 1,5m tot 2m. De stank en de kwade dampen die het brak water veroorzaken kunnen onmogelijk gezond zijn voor de mensen die in de omgeving wonen.
De Moere in het oosten kennen de mensen als de Grote Moere terwijl de plas aan de westkant de Kleine Moere voorstelt. Met uitzondering van een hoeveelheid vis van slechte smaak brengen de Grote en de Kleine Moere weinig profijten voor de omwonenden. Er zijn hier al vaak verstandige lieden en ingenieurs naar deze gewesten afgezakt om metingen uit te voeren aan de Moeren.
Ze wensen de diepten te weten in een poging om die reusachtige plas droog te leggen. Maar er is nooit iets van terechtgekomen tot een zekere Wenceslaus Coebergher, hoofdintendant van de liefdadigheidsinstelling ‘De Bergen van Barmhartigheid’ in de Nederlanden het plots in zijn hoofd krijgt om de drooglegging op eigen kost en verantwoordelijkheid te laten uitvoeren. Coeberger sluit een deal met Albrecht en Isabella; als hij in zijn opzet slaagt zullen ze de drooggelegde gronden fiftyfifty met elkaar delen. Dat is best een intelligent idee; de Moeren zijn inderdaad van niemand.
Meer dan erveloze grond die al die pestdampen produceert welke op hun beurt de gesel van koorts en ziekte over heel Veurne-Ambacht verspreiden. Hoe de Moeren er visueel uitzien krijg ik ook te lezen: aaneenhoudende watervlakken met een waterspiegel die men als meren bevaren kan, ze lijken wel grenzeloos als de zee, vooral omdat er zich geen duinen aan de overkant bevinden en het wel lijkt of het water wegzinkt in de einder.
In die watervlakken verheffen zich hier en daar kleine meerslanden begroeid met biezems, distels en dokkeplanten. De plassen verspreiden zich over een oppervlakte van 3.500 hectare. Als Coebergher er in slaagt om die stinkplas te transformeren tot vruchtbare landbouwgrond dan zal zijn broodje zeker gebakken zijn.
De voorbereiding van Coeberghers plannen dateren al van september 1617. Zijn ingenieur Bruno Van Cuyck begint dan al met het afstaken van het ‘Ringslot’ om gaat daarna uitbazuinen dat hij vanaf mei 1618 zal beginnen aan de werken. Het magistraat van Veurne-Ambacht kijkt argwanend toe. Na een bezichtiging van de geplande werken komen ze tot de vaststelling dat Van Cuyck zich naast de waterpartij ook nog om en bij de 1.400 hectare landbouwgrond van Veurne-Ambacht zal toe-eigenen om zijn Ringslot te realiseren.
Met inbegrip van 36 hofsteden waarvan sommigen toch wel hele schone lenen zijn. Dat kan natuurlijk niet door de beugel! Veurnse gezanten haasten zich als de bliksem naar Brussel om zich te verzetten tegen de plannen van Coebergher.
De ‘Raad van Financiën’ buigt zich over de kwestie. Het blijkt dat de aannemer hen wel enigszins misleid heeft met zijn bewering dat de landen van de kasselrij die hij in zijn werken zou meenemen van kleine waarde waren omdat ze voortdurend bedorven werden door de wateren van de Moeren. Terwijl het magistraat nu pretendeert dat het wel gaat om waardevolle landbouwgrond. Wie nu het gelijk aan zijn kant heeft zal deel uitmaken van een grootschalig onderzoek en dat betekent meteen dat de geplande werken absoluut niet kunnen doorgaan in 1618.
Ook vanuit Bergen-Ambacht stromen er gelijkaardige klachten binnen. In 1619 beslist het hof dat de raadsheren van de Raad van Vlaanderen, Pieter Vanden Broucke en N. Stalins als commissarissen ter plekke moeten komen om de gronden te onderzoeken en conclusies voor te bereiden voor het hof. Dat heeft voor gevolg dat de palen van het Ringslot moeten verzet worden tot naast het Moerwater.
Dat is toch het geval aan de zijde van Veurne-Ambacht. Aan de overzijde in Bergen-Ambacht blijkt de waarde van de lege en waterachtige gronden te verwaarlozen en blijven de palen netjes staan. De werken van de drooglegging kunnen nu eindelijk van start gaan in 1620. De arbeiders beginnen de werken met het delven van een vaart die een verheven dijk krijgt, het is die hoge oever die men omschrijft als het ‘Ringslot’.
Door die ingreep vloeit het water van de omliggende gronden niet langer naar de Moeren en krijgt dit enorme reservoir niet langer het overtollig grondwater uit de omgeving te verwerken. Een tweede stap is nu het uitgraven van een diepe vaart, de Moerevaart die het water nu van de Moeren naar Duinkerke moet leiden. In Duinkerke is er een sluis voorzien om het water dan in de Noordzee te pompen.
De infrastructuur in Duinkerke is bepaald indrukwekkend. Twee jaar later zijn de effecten van de werken al heel goed te zien. Grote oppervlakten van de Moeren staan al droog. Om de rest van het water nu nog weg te leiden graven de mannen nu wijde grachten dwars door de Moeren. Om het water uit de lege plaatsen op te halen gebruiken ze een aantal speciale werktuigen.
In 1622 vangt Coebergher aan met het delven van vaarten van het ene einde tot het andere uiteinde van het overgebleven moeras. Van een ‘vijver’ is er dan al geen sprake meer, er blijft alleen een modderige massa over. Naast de nieuwe kanalen komen er nu brede straten zodat er nu vervoer kan plaatsvinden. De grond wordt daarna door kleinere vaarten nog een keer in min of meer gelijke rechthoeken gesneden.
Kavels van 200 m x 100 m. Maar liefst 20 windmolens die voorzien zijn van waterschroeven werpen nu de rest van het water in de omleidingsvaarten. Tot algemene bewondering is de superintendant er in geslaagd om de Veurnse Moeren droog te leggen. De bewuste windmolens hebben dan ook nog een dubbele bestemming: koren malen en indien nodig ervoor te zorgen om nieuw water in de diepste kavels weg te pompen.
Van landbouw te bedrijven op de gewonnen gronden is er in eerste instantie nog geen sprake. In de modder gooien ze massale hoeveelheden koolzaad zoals dat vaak gebeurt op waterachtige of nieuw bedijkte polderlanden. Dat betekent voor het eerste jaar meteen een opbrengst. De eerste proef lukt wonderwel, de mannen van Coebergher oogsten een ongelooflijke hoeveelheid koolzaad. Na dat eerste succes blijken de drooggelegde gronden uiterst geschikt om houtgewas en bomen te kweken, behalve waar er sprake is van deirink (turfgrond).
Het resultaat oogt al na enkele jaren verbluffend. De Moeren ondergaan een heuse metamorfose. Zeer schone dreven omzoomd door bomenrijen van zes of acht rijen breed met telkens een lengte van honderden meters flankeren aangename boerenhoven en zeer vruchtbare boomgaarden. Ondertussen hebben de heer Coebergher en aartshertog Albrecht de grond verkaveld en conform de afspraken onder elkaar verdeeld.
De superintendant krijgt de westelijke zijde van de Grote Moere, ook wel de ‘West-Moere’ genoemd. Dat gebeurt na lottrekking. Albrecht gaat lopen met de ‘Oost-Moere’ die nu natuurlijk ook de naam van ‘Konings-Moere’ toegemeten krijgt. Coebergher bezit als heer alle rechten op de West-Moere. Hij kan er hoge en lage justitie organiseren en bezit alle autoriteit om het recht van verbeurte, van wind, jacht, vogelrie, visserij, bastaardgoed te regelen en er bovendien een pastoor aan te stellen. Beiden Moeren krijgen elk hun magistraat, een baljuw en hun griffiers zodat er justitie kan gebeuren.
Tot in 1644 zal de magistraat van de Oost-Moere aangesteld worden op last van de koning zelf. Coebergher zelf zal in datzelfde jaar 1644 zijn rechtsgebied verpatsen aan de baron van Noirmont. De nieuwe eigenaar laat er al direct een kerk bouwen, de Onze-Lieve-Vrouwekerk. In augustus is er sprake van een eerste misviering in de nieuwe kerk.
Die wordt voorgedragen door Geeraard Fleurkin, een geestelijke van het klooster van Sint-Niklaas en de kapelaan van Houthem en voortaan de priester van de Moeren. Noirmont ontwikkelt een nieuwe agglomeratie in de buurt van de kerk. Nieuw aangelegde straten krijgen nog in 1645 veertig woningen en het ligt in de bedoeling om het geheel uit te bouwen tot een fraaie stad. Het valt me op dat de schrijvers het woord ‘zou’ in hun mond nemen. Ik kijk dan ook met belangstelling uit naar de verdere gebeurtenissen op dit nieuwe stuk Westland.
Om nieuwe inwoners aan te trekken krijgen ze alvast een heel aanbod van vrijheden: zo moeten ze geen accijnzen betalen op bier en wijn. Ze krijgen vrijheid van maalrecht, slechtgeld, beestengeld en alle taksen die de Vlamingen van die tijd plegen te betalen. Verder zijn ze ook vrijgesteld om logies te verschaffen aan soldaten. Fraudeurs, mensen op de vlucht voor hun schulden en zelfs misdadigers die doodslag pleegden hebben het recht om zich te gaan verstoppen in de kloosters van de Moeren.
Een vrijheid die men echter in 1660 zal herroepen. De Moerenaars moeten relatief weinig bijdragen om hun pastoor te onderhouden en hun kerkelijke diensten te financieren. Ze betalen geen tienden op hun landgewas. De kosten blijven beperkt tot 4 stuivers kerkrecht per gemet zaailand en de helft voor braakland. Dankzij al die schitterende voorwaarden en natuurlijk vooral te wijten aan de extreme vruchtbaarheid van het land zullen de Moeren op korte tijd goed bewoond zijn.
Schone boerderijen, lusthuizen en weelderige boomgaarden schieten uit de grond. De speeltjes van rijke lieden uit Veurne en Sint-Winoxbergen die de Moeren plots als een topinvestering bekijken. Een van de voornaamste bouwmaterialen heeft men bij de hand. Met de grond kan men hier ter plekke een soort witgrijze bakstenen bakken. Voor de eerste keer in de geschiedenis wonen hier mensen. Dat ‘zou’ blijft door mijn hoofd spoken.
Al die geweldige exploten zullen in 1646 een plotseling einde kennen. De kroniekschrijver laat het nu uitschijnen dat de Moeren in 1646 opnieuw kopje onder zullen gaan. En dat er bijgevolg sprake is van de periode voor en na dit jaar. De Jaarboeken van Veurne gaan dieper in op de namen van de eigenaars van de diverse percelen. Veel details wil ik daar zelf niet over kwijt. Het valt me wel op dat er sprake is van diverse eigenaars uit Antwerpen.
Anno 1621. Ik keer terug in de logica van de tijd. Ik moet mijn lezers helaas op hun honger laten over het al dan niet welvaren van de drooggelegde Moeren. Het land bevindt zich weer in volle beroering. Het twaalfjarig bestand tussen Spanje en de Verenigde Staten van Holland is afgelopen zonder dat er sprake is van een nieuw vredesverdrag. Op 9 april 1621 nemen beide partijen weer de wapens op.
Adieu vrede en voorspoed. Het magistraat van Veurne neemt al onmiddellijk maatregelen om zijn inwoners te beschermen tegen roof en brand van vijandelijke ruiters. De heren nemen er zelf 25 in dienst om de zeekant te bewaken. De cavaleristen komen onder het bevel van Geeraard Lennes. Enkele ruiters zullen logeren in het vervallen klooster van Ter Duinen. Er komt daar alvast een wachthuis en een stal voor de paarden.
De rest van de mannen neemt zijn positie in rond de Kleine Vierboete bij Nieuwpoort. Ook hier bouwen ze een nieuwe paardenstal. De manschappen moeten nu dag en nacht het zeestrand in de gaten houden. Het magistraat treft nog meer maatregelen. Men stelt wachters op de torens van Oostduinkerke en Adinkerke die in geval van nood alarm kunnen klokken zodat de inwoners tijdig hun wapens kunnen grijpen om het land te beschermen tegen een onverhoedse inval van de vijand.
Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek


