Op 18 augustus 1793 veroveren de Hollanders de Franse kant van Wervik. Nog diezelfde namiddag revancheren 6.000 Fransen zich. Tijdens de gevechten sneuvelen er 140 Hollanders en verliezen ze twee kanonnen. Twee bataljons Engelsen en Hollanders schieten ter hulp en zij doden op hun beurt 400 Fransen en maken daarbij 10 stukken geschut buit.
Heel het Westland lijkt nu al op een onvervalst legerkamp. Op 19 en 20 augustus trekt een grote afdeling Engelsen met soldaten uit Hannover, Hessen en Ierland via Ieper en Poperinge naar Roesbrugge. Dag en nacht volgen er zware legerwagens, kanonnen, mortieren, houwitsers. Munitie getrokken door vier of zes paarden per wagen. Men rekent dat er wel 20.000 mannen doorstomen naar de grens bij Roesbrugge.
Een tweede legerbende slaat de weg op die via Elverdinge en Woesten naar Veurne leidt. Een derde eenheid onder het bevel van de hertog van York verhuist naar de regio van Diksmuide. De drie afdelingen zullen gezamenlijk het kamp van Ghyvelde aanvallen om zich dan achteraf meester te maken van het noorden van Frankrijk.
Ierse ruiters moeten zich tussen Roesbrugge en Stavele door de Ijzer waden om via Beveren-aan-den-IJzer Frankrijk binnen te vallen en de vijand de weg af te snijden. Spijtig genoeg voor de ruiters hebben de Carmagnolen de bomen gekapt en daarmee de wegen ernaartoe geblokkeerd, de mannen moeten er met hun paarden aan de teugel te voet voorbijkomen, verliezen ze kostbare tijd en komen ze te laat om de Franse nederlaag te bewerkstelligen.
Van Cappel-vijfweg tot aan Sint-Winoksbergen, van Wormhoudt tot aan Veurne, overal liggen de hofsteden er verlaten bij. De ongelukkige boeren zijn op de vlucht voor de Fransen en wanneer deze moeten wijken zijn het nu de legerbenden van de bondgenoten die er hun slag slaan. Levende zielen zullen er er niet vinden. Geen volk, geen paarden of vee. Hier en daar liggen nog wat vruchten opgestapeld in de schuren.
Een bezoek aan de hofsteden achteraf is ontnuchterend; het huisgerief en het akkergereedschap ligt rondgestrooid en vernield in en rond de huizen. Kasten en koffers staan opengebroken. De hele streek is verlaten, een duidelijk bewijs dat van alle rampen die de mens kan overkomen de oorlog wel de verschrikkelijkste moet zijn.
Te Rexpoede vinden de krijgslieden dertig tonnen bier in de kelder van een brouwerij. Een godsgeschenk zelfs voor wie niet in hem gelooft. Ze slaan aan het zuipen en met hun zatte botten lopen ze nu van huis tot huis om er zich te goed te doen aan roof. De mannen verkopen alles wat ze scheefslaan (zoals de meubelen) aan de ‘smousen’, Joodse sjacheraars die het leger op nauwe afstand volgen.
Het huisgerief van de intrus wordt op wagens geladen, naar Ieper vervoerd en daar voor 25 gouden ‘Louis’ verkocht. De plundering is vooral ingegeven door wraak omdat enkele inwoners van Rexpoede zich eerder hadden aangesloten bij de Fransen en zich zelfs hadden laten opmerken met baldadigheden in Poperinge en Roesbrugge. Zo is het bekend dat Roesbruggenaar Marcus Waels beroofd was van zijn meubels en zijn vee. Maar toen hij met de bondgenoten meestapte naar Frankrijk vond hij tot zijn niet geringe verwondering een deel van zijn beesten terug in Rexpoede.
Op 23 augustus 1793 beschieten de bondgenoten de stad Bergues of Sint-Winoksbergen. Toch ligt het doel van hun onderneming verderop. De twee divisies die hun weg hadden genomen via Elverdinge en Diksmuide smelten samen in Veurne en vallen nu het Franse kamp in Ghyvelde aan. De derde divisie sluit eerst Bergues op en neemt daarna ook deel aan de strijd te Ghyvelde.
Dat stadje is bezet door 18.000 Carmagnolen die vrij gerust zijn in de sterkte van hun eigen kamp. Maar ze krijgen een zodanig grote aanval te verduren dat ze in zeven haasten naar Duinkerke moeten vluchten. De bondgenoten schieten op hen zoals ze op de mussen schieten, ze doden heel veel Fransen en nemen er ook krijgsgevangen. Onder hen twee kolonels en andere oversten die ze overbrengen naar het basiskamp in Veurne.
Diezelfde ochtend vindt er een gevecht plaats op Sint-Jozef bij De Panne. Daarbij maken de Engelsen 202 krijgsgevangenen, klissen ze twee spionnen en maken ze enkele kanonnen buit. De weg naar Frankrijk staat nu wijd open. In de plaats van hiervan te profiteren blijven de Engelsen dralen. Hun bevelhebber de hertog van York houdt duidelijk meer van eten en drinken dan van oorlog voeren.
Zijn bekwame veldoversten en dappere krijgslieden wachten op zijn instructies, die er helaas niet komen. De Oostenrijkers van hun kant slaan hun kamp op in de streek van Hondschote waar ze door het magistraat ontvangen worden.
Te Killem en te Quaedypre nemen ze de revolutionaire priesters, de ‘intrus’ gevangen en sturen die onder bewaking naar het klooster van de kapucijnen in Ieper. Ze zullen hier verblijven tot de inname van deze stad door de Fransen in 1794. De gevangenname van hun priesters zorgt voor wraakoefeningen vanuit Franse kant; Boddaer, de priester van Houthem bij Veurne, Ignatius Ceriez, kapelaan te Gyverinkhove en de Veurnse pater-kapucijn worden van hun vrijheid beroofd en te Bergues opgesloten.
Ondertussen houdt het wegvluchten van de bevolking uit Frankrijk verder aan. Het zijn vooral eenvoudige, brave mensen die aan de vervolgingen van de conventie willen ontsnappen. Toch is het nu erg moeilijk om nog weg te geraken. Het nieuws dat ze in de Westhoek vanuit Frankrijk opvangen is weinig hoopgevend: de hellewagen voert nog altijd slachtoffers naar de gevangenis of het schavot.
Zo bijvoorbeeld in Bethune waar de inwoners hun gram willen halen op de verschrikte passagiers van de hellewagen. Onder hen bevindt zich een oude eerbiedwaardige man, mijnheer De la Vieville, de markgraaf van Steenvoorde. Hij is in het gezelschap van zijn dochter en haar kind dat enkele dagen geleden nog in Poperinge gedoopt werd. Zijn schoonzoon, de markgraaf van Bethune doet dienst in het leger van de gevluchte edelen.
De la Vieville moest zelf al lang weggegaan zijn maar de man is stokoud en vermoedelijk al dementerend. Nu zitten ze daar opgesloten op een bondel stro terwijl ze achtervolgd worden door het gespuis dat hen met slijk en stenen bekogelt.
Aan de grensgemeenten is de toestand al even bedenkelijk. In Houtkerke liggen 1.000 Carmagnolen die de boeren van Watou dagelijks lastig vallen. De Carmagnolen van Belle rijden met een bende paardenvolk naar Westouter. De inwoners roepen in paniek de hulp in van de krijgslieden die kamperen in Reningelst, maar het blijken allemaal onervaren rekruten te zijn die het niet aandurven om zomaar naar Westouter op te trekken.
De lokale baljuw verneemt dat er nog 600 Fransen op komst zijn en dat ze de bedoeling hebben om de keizerlijke troepen de doorgang naar Duinkerke te beletten. Hij laat dat nieuws weten aan de bevelhebber van Reningelst. Dat is de hoofdman van de Huzaren, de dappere krijgsman Van Blankenstein, een ervaren krijgsman met al 42 jaren dienst op de teller.
Ongelukkig genoeg ligt hij ziek te bed in het kasteel. Wanneer die verneemt wat zijn nieuwe manschappen geantwoord hebben schiet hij in een kolere, laat zijn paard halen en geeft het bevel om op staande voet te vertrekken. Zijn soldaten weten dat ze geen tijd te verliezen hebben, ze krijgen welgeteld drie minuten, ze nemen de wapens op en zetten zich onder leiding van deze Van Blankenstein op weg naar Westouter.
Ze slagen er in om de vijand te verdrijven. De actie is er wel te veel aan geweest voor de aanvoerder. Zijn mannen moeten hem uit het zadel halen en voorzichtig terugbrengen naar het kasteel in Reningelst. De dappere aanvoerder sterft er op 27 augustus. Van eenvoudige krijgsman heeft hij het geschopt tot een onverbiddelijke maar strenge commandant die niet aarzelt om stokslagen toe te dienen als dat nodig is. Spijtig genoeg was de overledene een calvinist. Daardoor moet priester Van Alstein het verbieden om hem op zijn kerkhof te begraven.
De Ieperse bezetters kunnen daar hoegenaamd niet om lachen en zetten de pastoor – op zijn eigen kosten – gevangen. Dank zij de tussenkomst van het vicariaat van Ieper geven ze in Reningelst alsnog de toestemming om Van Blankenstein op het kerkhof te begraven, dat kan weliswaar niet in gewijde grond. De teraardebestelling gebeurt ’s avonds om 18u onder massale toeloop van zijn krijgsvolk.
Rond het graf planten de Oostenrijkers vier jonge eiken, met centraal een speer en een vlag. De veelzeggende tekst ‘Hij, die begeerde door het zweerd te sterven, is nu overleden op zijn bed!’ Met daarbij zijn naam. De doorluchtige Littasy, Hongaarse hoofdman Van Blankenstein stierf op 27 augustus 1783.’ De inwoners schrijven er nog ‘reconnaissance des habitants de Reninghelst’ bij.
Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek


