banner
mrt 19, 2026
19 Views
Reacties uitgeschakeld voor Inval te Roesbrugge

Inval te Roesbrugge

Written by
banner

Oktober 1792. De Fransen proberen zich meester te maken van Roesbrugge. Op de hoogte van Oost-Cappel plaatsen ze drie kanonnen en vanuit die positie beschieten ze het dorp. Door het open veld durven ze niet te naderen, maar ze dwingen de landlieden van Beveren-aan-den-IJzer loopgrachten te delven zodat ze zelf buiten gevaar blijven. Na de Franse liniesoldaten volgen hele scharen leeglopers en deugnieten van Hondschote en andere grensdorpen.

Onder hen bevinden zich heel wat Vlamingen die zich niet generen en niet de minste scrupules kennen om hun eigen geboorteplaatsen te verwoesten en te vernietigen. Dankzij dat gespuis weten de Franse rovers perfect waar er buit te rapen valt. Bij voorname burgers en brave mensen die kerkgoed en hun eigen bezittingen verstopt houden. De inwoners van Beveren kunnen er over meepraten.

Overal waar die woeste bende voorbijkomt gebeurt dat met brand, roof, moord en vernieling. Op een bepaalde novemberavond staat de brave Beverense landbouwer Filips Goudaert plots oog in oog met een Franse krijgsman die hem iets toeroept en hem dan vervolgens neerknalt. Goudaert valt dood neer in de gracht waarover hij nog wanhopig probeerde over te springen. Die moord bezorgt de Bevernaars grote schrik, van nu af aan durven ze niets meer te weigeren aan dit vreemd volk.

In Roesbrugge worden de Fransen tegengehouden door een borstwering waar de keizerlijke troepen zich verschansen en de aanvallen beantwoorden met geweervuur en enkele kleine kanonnen. De schermutselingen slepen meer dan een maand aan terwijl de kleine bezetting er in slaagt om de zowat 3.000 Fransen in bedwang te houden. De inwoners van Roesbrugge kijken vol bewondering toe hoe die vreemde soldaten hun dorp beschermen, ze vergeten hun oude veten en helpen de Oostenrijkers waar ze kunnen.

M. Ryckaseys, de eigenaar van een lokale papiermolen gebruikt zijn installatie om op vernuftige manier tekens te geven aan de Oostenrijkers. Hij draait zijn molen volgens de manier waarop de vijand aanvallen deed. Zo komt het dat deze relatief kleine bezetting de Fransen kan afstoppen en hier en daar zelfs succesvol kan bevechten. Tot de vijand uiteindelijk begrijpt wat ze hier in Roesbrugge uitmeten. Hun wraak zal verschrikkelijk zijn.

De winter nadert. De weilanden langs de Ijzer staan gewoontegetrouw onder water. De Fransen voorzien dat ze vanuit Oost-Cappel geen middelen meer hebben om Roesbrugge in te nemen. Op een mistige morgen trekt een groep Frans voetvolk te Haringe over de Heybeek en belandt zo op de steenweg aan de Molenwal, een kwartier stappen van het dorp van Roesbrugge.

De Oostenrijkse schildwachten hebben zich laten vangen door de palmtakken die de Fransen op hun jassen dragen en meenden dat het Hollanders waren. Ze krijgen net de tijd om alarm te slaan waarop de keizerlijken en de Huzaren hun makkers op het nippertje kunnen komen ontzetten. Dat gebeurt via de weg die naar Proven en Poperinge leidt. Voor de Fransen is het nu wel duidelijk dat ze hier nu al een maand tegengehouden worden door een handvol mannen. Een massale aanval blijft niet lang op zich wachten. Daarbij kennen hun frustraties en woede geen grenzen.

Ze vallen binnen in Roesbrugge. Terwijl de inwoners gevlucht zijn naar Krombeke en Stavele liggen hun woningen nu uitnodigend te wachten op een grondige plundering. Drieëndertig ervan vergaan in de vlammen samen met een kapel. In Krombeke ligt een wachtpost van een kleine 100 man om de tweede linie te beschermen. Om niet meer verrast te worden staan er bij alle uitwegen schildwachten opgesteld.

De Fransen van hun kant herstellen eerst de bruggen over de Ijzer, plaatsen hun kanonnen op de weg naar Poperinge en beginnen aan de plundering van het platteland. Dat onze landlieden dat allesbehalve prettig vinden leren we uit volgende gebeurtenis: op zowat 10 minuten van de plaats van Krombeke bevindt zich de hofstede van Jan Vrambout die op dat moment een veulen lopen heeft op de weide.

Op zekere morgen komt een knecht bij Vrambout aangelopen met de boodschap dat een Franse dragonder bezig is met binnen te dringen in de fameuze weide. Zijn jongste zoon Pieter slaagt er in om in allerijl het jonge paard te zadelen en wil ermee vluchten in de bossen. De jongen wordt echter ingehaald door de dragonder die hem een sabelslag op zijn arm toedient. Pieter Vrambaut duikelt zwaargewond in de gracht terwijl de Fransman ervandoor gaat met het beest.

De boerenzoon slaagt er nog in tot in het veld te strompelen waar hij meer dood dan levend opgeraapt wordt. Hij zal van zijn wonden genezen, de opgedane angsten bezorgen hem naar verluidt de tering die hem op een later tijdstip het leven zal kosten.

De keizerlijke brigade van Roesbrugge vlucht naar Poperinge, op de hielen achternagezeten door de Fransen. Die van Poperinge kunnen hun ogen niet geloven, hoewel ze perfect wisten dat het niet goed zou aflopen. De krijgers zien er afgemat uit, zwartgeblakerd van het schieten. Ze zijn vijf man kwijtgespeeld, vier ervan voeren ze mee in hun vlucht. Ze trekken met hun kanonnen door Poperinge en gaan dan naar Ieper.

Hier hebben 3.000 aardewerkers met karren en paarden een kleine maand gewerkt om nieuwe verschansingen op te werpen. De vrees om Ieper te verliezen is reëel. De Oostenrijkse bevelhebber vraagt aan het magistraat of de burgers in geval van een belegering een handje zouden kunnen helpen. Ze krijgen een negatief antwoord. De bezetters die er van overtuigd zijn dat ze hier Fransgezind zijn laten hun ongenoegen zien door de nachtelijke plundering van enkele winkels.

Op 10 november 1792 arriveren de Fransen in Poperinge. Het stadsbestuur ontvangt hen bevreesd en beleefd. Op Sint-Maartensdag schuiven ze verder naar Ieper om zich wat later te gaan vervoegen bij het leger van Dumouriez. De Oostenrijkers zijn het dan al afgetrapt en worden nu vervangen door een bezettingsmacht van enkele honderden Franse soldaten.

De hele omgeving krijgt verder nog te maken met onder andere extra patriotten uit de streek van Belle. De kloosterlingen van de abdij van Waasten zijn al eerder naar Ieper gevlucht. De Fransen profiteren er nu van om hun abdij en de leegstaande huizen in de omgeving te beroven. Het is trouwens overal hun eerste werk om de kerken open te breken om er hun goddeloosheden en onbeschoftheden te bedrijven.

Het lijkt er op dat de beeldenstorm terug van weg is. Op 13 november trekken 400 baldadigen naar Westouter om er de boom van de vrijheid te planten. Ze sleuren de pastoor en de kapelaan uit hun woningen en laten hen rond de boom springen terwijl ze zelf zingen van ‘Ah ça ira, les aristocrates à la lanterne!’, zowat het volkslied van de Franse Revolutie. Daarna stormen de indringers naar de kerk, beklimmen de altaren en gaan op zoek naar wapenschilden en afbeeldingen van wapenschilden van de lokale heerlijkheden die ze in stukken slaan en ter plaatse verbranden.

De poort van het plaatselijk kasteel is gesloten maar de idiote eigenaar ervan opent die voor de Fransen en laat hen alles eten en drinken wat er beschikbaar is. Een dozijn schavuiten gaat op bezoek in de pastorie en de kapelanie en doet er zich te goed aan de voorraden in hun kelders. Het gespuis brast en fuift de hele nacht door op kosten van de gemeente.

’s Anderendaags is Reningelst aan de beurt. Drie dagen geleden hebben de sansculotten hier al hun boom geplant, voorzien van een driekleurige vlag en een rode muts. De lokale pastoor en griffier mogen net zoals in Westouter in een kring rond het Franse symbool dansen en springen. Ook hier genieten ze van een braspartij. Nog diezelfde ochtend hadden twintig gevluchte priesters de mis gelezen in de kerk van Reningelst en waren ze er na de communie direct weggetrokken. Een Franse ‘citoyen’ komt in de school gelopen en dwingt de kinderen om een Franse kokarde op hun pet te spelden.

Daarna lopen de verwoesters naar de kerk. Ze slaan ook hier de wapenschilden van de edeldom en de meubelen aan diggelen en steken de resten in brand. Precies zoals ze gisteren deden in Westouter. De hele namiddag gaat verloren met fuiven en drinken terwijl ze de klokken laten luiden om hun lol in de verf te zetten. Diezelfde namiddag is ook Loker aan de beurt waar zich gelijkaardige taferelen voordoen. In elke bezochte gemeente laten ze een geschrift achter, een door hun commandant ondertekend proces-verbaal waarin vermeld staat dat in het jaar 1792 de eerste boom van vrijheid van de Franse Republiek geplaatst werd en dat de lokale bevolking de patriottische ijver van Frankrijk ingeblazen werd.

De gevluchte priesters zitten natuurlijk met de daver op het lijf. Niet zonder reden trouwens. Wat staat er hen toch te wachten? Wie weigert om de eed af te leggen aan de revolutie zit met een probleem. Terugkeren naar hun eigen parochies is risicovol. In Parijs werden er begin september nog 700 priesters vermoord en ook de geestelijken uit het seminarie van Saint-Maxim hadden het niet overleefd.

De geestelijken verbleven hier in de Westhoek maar bij de boeren of in werkmanshuisjes waar ze in daguren werkten om aan de kost te geraken. Veel mensen lopen nu 10 tot 12 uur om naar hun woningen te komen om hun kinderen te laten dopen of om voor hun eigen pastoor te trouwen. De doden worden zonder de laatste zegen begraven in het koor van hun eigen kerk. De afvallige priesters die wel de eed hebben afgelegd aan de Franse Republiek, benoemd als ‘intrus’ in het Vlaams ‘infiltranten’ zijn dan op hun beurt woedend omdat de mensen niet langer naar hun diensten komen.

Ze ontpoppen zich wraakroepend genoeg tot de wreedste vervolgers van de goede priesters. Hun kwade driften gaan zover dat ze zelfs de doodskisten openen en de lijken mishandelen omdat de familie het vertikte om de begrafenis bij hen te laten uitvoeren.

Zolang de kerken in onze Westhoek openblijven ziet men de mensen van uren in het rond uit Frankrijk naar hier komen om mis te horen. Onze steden en dorpen zitten vol inwijkelingen, edellieden, priesters en burgers die hun land ontvlucht zijn. De edelen doen dat vooral omdat hun eigendommen verbeurd zijn en de revolutionairen een prijs op hun hoofd hebben gesteld. Deze vluchtelingen worden overal met Vlaamse gulhartigheid ontvangen, geherbergd en verkleed om zo aan hun landgenoten te ontsnappen.

Zo verblijft er onder andere een oude priester in Krombeke in het huis van strodekker Jacob Cappoen. Bij een inval van de Franse revolutionairen op een zekere morgen snauwt vrouw Cappoen de priester toe ‘ga naar het werk grote leêgaard, en wat rap!’ De grijsaard, met versleten broek en jas staat zonder spreken op, smijt zijn alaam op de rug en ontsnapt zo aan zijn vervolgers. De inwijkelingen verschuilen zich tijdens gevechten meestal in de bossen en keer pas terug op het platteland als het weer voor even rustig wordt. Hier en daar in Frankrijk blijven er priesters op post. Ze weigeren om hun parochie te verlaten.

Een van die helden is zeker de pastoor van Bambeke. Als er echt gevaar dreigt dan zorgen de brave landlieden wel voor hun priester. Boer Jacob neemt na een bezoek aan geestelijke de volgende morgen een nieuwe knecht in dienst, Pier mag voortaan werken voor kost en inwoon op zijn boerderij. Enkele dagen later krijgen ze het bezoek van enkele gendarmen die opgevangen hebben dat hij de verdwenen priester herbergt.

Tijdens een huiszoeking vragen de Fransen aan knecht Pier om te helpen zoeken in wagenkot tussen hooi en stro. De vermomde priester vindt natuurlijk niets en waagt het zelf om de gendarmen persoonlijk uitgeleide te doen en hen een ‘goên nacht’ te wensen. De brigadier klopt Pier nog vriendelijk op zijn schouder en vertelt hem dat hij hier zijn tijd verspeelt met dom boerenwerk en dat hij beter zou dienen als hulp bij de republiek. Pier laat de woorden over zich heen waaien en slentert met zijn lantaarn tot in de hofstede waar boer Jacob van de schrik zit te beven. Zo gaat het er aan toe in deze bangelijke tijden.

De Fransen verkondigen ondertussen overal in het Vlaamse land dat ze gekomen zijn om de Oostenrijkers te verjagen en de oude vrijheden van het land terug te schenken. Schone woorden. Hun vrijheidsboom is alleen maar de eerste aanzet van een complete vrijheid. Een en ander begint al serieus aangebrand te ruiken wanneer de besluiten van de conventie van 15 december 1792 bekend geraken.

De achterdocht van de inwoners slaat om in vrees en wanhoop. De tekst kan maar zo duidelijk zijn: ‘in al de landen die verlost zijn van de dwingelandij en door de Franse legers bezet zijn, zullen de krijgsoversten een nieuw bestuur inrichten en alle misbruiken, tienden en leenrechten vernietigen.’ Alle staatseigendommen, bezittingen van wereldlijke en geestelijke gestichten moeten onder curatele gezet worden.

Commissarissen zullen de volkeren her en der met elkaar doen verbroederen en hen de principes van de revolutie bijbrengen. Het blijken stuk voor stuk mannen die carte blanche krijgen en met een enorme willekeur te werk gaan. Ze showen daarbij een gloeiende haat tegen alles wat riekt naar het oude koningdom, de godsdienst en de adel.

De situatie verbetert er niet op wanneer generaal Dumouriez op 6 november 1792 de Oostenrijkers bij Jemappes verslagen heeft en achteraf zijn beruchte proclamatie in onze steden en dorpen laat aflezen en aanplakken. Vanaf 17 november zijn alle magistraten en bestuursfuncties vervallen. Allen worden ‘vriendelijk’ ontslagen. De commissaris heeft voortaan alles te zeggen. De tekenen van edeldom en gezag worden vernield, overal zien de mensen de aanplakbrieven van de Franse republiek. Wie het aandurft om die te beschadigen of te bekladden riskeert de dood.

De Fransen roepen daarna de bevolking samen om hun ambtenaren te kiezen. Wie wil stemmen moet wel eerst zijn eed van getrouwheid zweren aan ‘de vrijheid en gelijkheid’ en schriftelijk akkoord gaan met de afschaffing van alle vorige privileges. Ondertussen spelen de Fransen hier de baas. ‘Het goud en zilver van de kerken, de goederen van de kloosters en de adel moeten bewaakt worden’, beweren ze. Daarmee verstaan ze dat ze alles wat ook maar enige waarde heeft naar hun eigen land vervoeren. Zo transporteren ze bijvoorbeeld vanuit Menen ruim 150 wagens vol van kostbare voorwerpen naar Rijsel. Te Veurne lopen de krijgsmannen met de gewijde vaten langs straten en wegen.

De klachten en het verzet tegen deze ongehoorde manier van werken zijn zo goed al algemeen. Wie ook maar een greintje zelfrespect en eergevoel bezit weigert om deel te nemen aan het nieuw bestuur. Toch zijn er locaties waar de Fransen enkele opportunisten vinden die dan binnen hun clubje de keuze maken over de nieuwe ambtenaren. Daar verspreiden die sujetten dan nog de leugens dat het nota bene het Belgische volk zelf is die vraagt om de aanhechting met Frankrijk.

Een mens kan zich inbeelden dat deze landverraders geschuwd en veracht worden door de Vlamingen. Vooral omdat ze dan noch zo arrogant zijn om hun landgenoten te straffen voor uitgesproken beledigingen tegenover de Franse republiek. In Diksmuide treffen we zes van dergelijke kwibussen aan die openlijk verklaren de Franse grondwet te aanvaarden wat bij commissaris Gadolle de uitspraak ontlokt dat er maar zes treffelijke burgers leven in Diksmuide.

In Menen doet Alexander Courtois dienst als Franse commissaris. Op 29 december 1792 roept hij de Menenaars bijeen om hun ‘provisoire représentanten’ te kiezen. Dat staat de bevolking niet erg aan, maar omdat de vorm van het te kiezen magistraat vrij is, kiezen ze dan maar een burgemeester en zes schepenen, net zoals ze dat gewoon zijn.

De zeven verkozenen weigeren na hun verkiezing wel hun ‘republikeinse’ eed af te leggen. Twee dagen later gaan zes van de zeven alsnog overstag. Een zevende weigert en zal vervangen worden. Over de situatie in Ieper valt er ook wel wat te vertellen. De Oostenrijkers zijn al spoorloos wanneer de Fransen op 11 november 1792 de stad binnenrijden. In hun spoor volgen enkele Vlaamse patriotten die in 1789 weggevlucht waren uit Ieper en nu in hun thuisstad in actie schieten. Ze stichten in hun vroeger Jezuïetencollege een club van gelijkgestemden.

Een of andere apotheker speelt de hoofdrol, maar het gros van de Ieperlingen blijft zich distantiëren van deze ‘verraders’. Ondertussen staat de verkiezing van het nieuw magistraat op de agenda van de Franse commissarissen.

In januari 1793 raken de decreten van de conventie van december bekend. Veel heren van de Acht Parochies, de Spleten en Branken van de Westhoek beschikken over een winterverblijf in Ieper en beseffen dat ook zij het lot van de Franse edellieden zullen ondergaan. Er zit niets anders op dan naar Holland of Duitsland op de vlucht te slaan. Charles-Alexander van Arberg, de laatste Ieperse bisschop beseft dat hij als geestelijke én edelman het meest te duchten zal hebben. Hijzelf is wat ziekelijk en beslist om gehaast stad en land te verlaten.

Het duurt zeker niet lang vooraleer de Franse bezetters doorhebben dat al die heren het schip achterlieten. Ze maken een lijst op van de uitwijkelingen, slaan hun goederen aan en verkopen de geconfisqueerde woningen. Op de meubelen van vrijheer d’Hongouart, de heer van Reningelst moeten ze echter niet rekenen want die blijken eigendom te zijn van zijn meubelmaker. De vrijheer was trouwens al lang geleden vertrokken en stond niet eens op de lijst.

In Ieper hebben nogal wat Franse vluchtelingen hun veiligheid gezocht. Die zijn nu met de komst van de revolutionairen de dupe. Ze vliegen in gevangenissen en worden vervolgens in kleine groepjes naar hun land teruggevoerd om er gevonnist te worden. Er is onder andere sprake van elf priesters en vijf kloosterzusters die in Atrecht voor de bloedraad van monsieur Lebon zullen moeten verschijnen die hen allen laat onthoofden.

Die ‘vieze’ patriotten van Ieper gaan zich ook al bemoeien in Poperinge. Op 26 december 1792 komen ze naar hier om de inwoners te verfransen en de ‘provisoire repésentanten’ aan te stellen. Ze zijn met vier. Apotheker De Puydt, hoedenmaker Huyghebaert en nog twee andere die in 1789 bekend stonden als grote ‘vijgen’.

Het volk wilde niet weten van hen. Wanneer deze kerels op het Poperingse stadhuis hun zaken uit de doeken doen stormen de Poperingenaars er in massa toe om hen te lijf te gaan. Wie een klein beetje de gevoeligheden van de geschiedenis kent weet dat het zeker de Ieperlingen niet zijn die hier in Poperinge op hun neus moeten komen zetten. De Ieperse clubgangers krijgen het te warm onder de voeten en slaan op de vlucht.

Huyghebaert kan geen kant meer uit en springt dan maar in de vaart. Aan het Rekhof komt hij terug op het droge, maar ook hier wordt hij geconfronteerd met de woede en de wraak van de keikoppen. De hoedenmaker kan alsnog ontkomen door in de richting van Frankrijk te vluchten. Uiteindelijk zal Poperinge onder impuls van de heer Reyphins de ‘représentanten’ kiezen die ze zelf waardig vinden.

Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 10
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.