Oktober 1792. De Fransen proberen zich meester te maken van Roesbrugge. Op de hoogte van […]
Het is natuurlijk erg vrijblijvend om in enkele regels tekst die vele maanden vol ellende […]
In 1377 dus werden er twee pausen gekozen. Urbanus VI, paus van Rome en Clemens, […]
Zie hier wat de mensen van die parochie vertellen. Der was ‘ne keer een Pietje […]
Een boer had eens warmoes gegeten
waardoor hij kreeg grote kak,
en nu zijnde neergezeten
in het kakhuis met gemak,
De lente en de zomer van 1658 brengen de temperaturen terug op peil en voldoende droogte om weer te kunnen oorlogen. Slik. Voor de Fransen het signaal om te starten met een nieuwe campagne om nog dieper in Vlaanderen door te dringen.
‘Famme is è wuuf en Pier is è vint’, wordt tot een meisje gezegd dat na speels gefopt te zijn geweest, uitroept ‘Go famme’ (blijf van mij af).
‘De Oostendse bezetters bleven de hele tijd doorgaan met hun strooptochten op het platteland. Ze voerden op 18 juli 1589 een algemene plundering uit door zowat het hele Brugse Vrije. Hun vermetelheid groeide na elke geslaagde uitval.
’t Was opnieuw voor de zoveelste keer kermisse, koekeboterhammen, hespe en gebraan peeren, konijnen en kiekens met suikerboonen en erwitjes en overal taarte.
Zondag laatst, rond 18u30 was de kermis volop aan de gang bij het gehucht ‘Smiske’. Volk bij de vleet, gelijk ten andere heel de kermis door, in de herbergen en ook langs de baan waar men druk bezig was de volksspelen voor te bereiden toen er al met eens een autocar, volgepropt met Engelse soldaten in volle vaart, vanuit de richting Ieper naar Diksmuide te wege, aansnelde.
– omdat er te veel lediggangers zijn
– omdat er te veel schuimers zijn
– omdat er geen eerlijkheid bestaat
Kardinaal Petrus à Colle komt officieel de kruistocht verkondigen en meldt zich ook aan in de Sint-Walburgakerk van Veurne waar hij een groot sermoen afsteekt en de inwoners van de casselrie oproept om in deugd en godvruchtigheid hun duit in het zakje te doen en mee te helpen aan deze goddelijke opdracht. De inwoners van de casselrie Veurne slagen er in een schip gevuld met gereedschappen, goederen en proviand klaar te krijgen om de lange zeetocht naar het oosten te maken.
‘k En zal noch dag noch jaar noemen, maar hetgeen ik hier vertel, heb ik bij het Vlaamse volk gehoord. Zekere Tisten hield herberg in ‘De Kromme Krinkel’ maar, ik weet niet aan wie of waaraan het loog, de verkoop wat bitter klein. Menigmaal had Ciska de bazin daarover haar beklag gemaakt aan de weinig klanten, die nog van tijd tot tijd in ‘De Kromme Krinkel’ hun dorst kwamen lessen: maar het was allemaal boter aan de galg, niets een baatte.
Een slechte kerel van Veurne wilde weten hoeveel heksen er wel in de stad waren; daarom besloot hij ze eens in ’t bijzijn van geheel de gemeente in de kerk op te sluiten.
Oktobersmoor hangt om de toren en rond zijn naald, in wilde vlucht, één enkel zwaluw, als verloren, maakt krinkels in de grauwe lucht
In de hoge middeleeuwen geldt nog steeds het Germaanse principe: de beklaagde moet zijn onschuld bewijzen! Hij wordt als schuldig beschouwd zolang hij geen bewijs van zijn onschuld kan voorleggen. Meer en meer laat de kerk zijn invloed gelden in de barbaarse rechtspleging. In de 14de eeuw zijn die barbaarse principes al helemaal omver gesmeten. De betichte is zolang onschuldig tot dat de aanklager zijn schuld op een klare manier heeft kunnen bewijzen.
Rechtstreekse beledigingen aan het adres van God, de heilige maagd of de heilige kerk zijn taboe. Ook hier velt de vierschaar verschillende vonnissen. Een zekere Meulin Heerbrecht wordt aan de schandpaal gebonden en vervolgens met afgekorte tong voor zeven jaar in verbanning weggestuurd: ‘pour les despiteuses inhonestes et innaturèlez parolez blas fèmes qu il dist sour notre Seigneur Jhesu Crist et de la glorieuse benoite Vierge Marie’. De poorter Eloy Mazin wordt voor 7 jaar verbannen ‘de destourbir le ville des parolles qui dist au contraire de sainte eglise…’. Menselijke Majesteitsschennis.
Er waren, men weet het genoegzaem, geene bestendige legers in dien tyd, maer de gilden en ambachten oefenden zich vrylyk in het wapengebruik, en er bestonden wapengilden (confréries militaires) in byna al de groote steden van Vlaenderen. De overheden waren de dekens der gilden, en al deze wapenbroeders waren goed uitgerust en allerrykst gekleed: de eene in het blauw, de andere in het gheel, vele in het wit met een rood kruis, kleeding die van den kruisvaerderstyd overbleef.