Uit Wijtschate
Ter gelegenheid van de dagen van carnaval hebben we een massa volk te Wijtschate gezien. Waarom zoveel volk? Omdat de ingezetenen van Wijtschate durven tonen dat er nog warm bloed door hun aderen stroomt, dat ze het hoofd niet willen bukken onder de ijzeren hand die het gemeentebestuur, door de geestelijkheid ingeblazen, op heel de gemeente doet wegen.
Onze inwoners hebben die overheden welke samenspannen om de gemeente te doden en de belangen van de vreemdelingen te handhaven, openbaar durven laken, maar met zoveel finesse dat de vrienden van het bestuur zelf zegden: ‘wat een schoon feest!’
Maar overzien we kort de stoet die op zondag 7 en dinsdag 9 maart 1886 door onze straten trok.
Voorop had men enige mannen te paard die slechts dienden om de stoet op te luisteren. Daarop volgde een ezel, goed opgetooid en waarop een soort van sterrenkijker zat, eigendom van de almanak-verkoper. Op de staart van de ezel zal men het opschrift ‘groot verstand’. De ezel opende de stoet en was er de leider van. Wat zou hij verbeelden?
Na de ezel kwamen de vier praalwagens. Op de eerste zag men dokter Isembart, die nieuwe cliënten moet zoeken terwijl ons gemeentebestuur een vreemdeling zoekt om de zieken van de Dis te genezen.
Op de tweede wagen waren een hoop leutemakers, die soms de ene of andere operatie van de dokter moesten ondergaan. Maar, daar was ook een pop in een wieg, wat zou dat uitbeelden? Onnodig te zeggen, elke Wijtschatenaar zal dat wel raden.
De derde wagen was de schoolwagen, die een onderwijzer met zijn kinderen bevatte. Deze droegen opschriften ‘naar de Congo – afschaffing’. Achter de kinderen zag men een flinke kerel die de burgemeester voorstelde, tussen twee personen helemaal in het zwart gekleed, die een zwarte roede boven het hoofd van de kinderen zwaaiden om aan te geven dat ze die uit hun school verjaagden. Dit waren twee priesters, de raadgevers van de burgemeester.
Achteraan op de wagen had men een klein bosje waarin een koppel zat te vrijen. Wie zou dat zijn? Ik mag niet vergeten te zeggen dat, wanneer de stoet stilhield, de onderwijzer vroeg: ‘burgemeester, zult ge het hart hebben ons hier buiten te schoppen?’. Deze antwoordde ‘ja ik, mijn plicht gebiedt het mij!’. Daarna zongen de kinderen allemaal het liedje ‘naar de Congo’.
De vierde wagen was de bakkerswagen. Daar rookte de oven, daar bakte men brood aan 16 centiemen per kilo. Zij ook trokken naar de Congo. Waarom? Omdat onze wijze wetheren het brood van de Dis te Voormezele doen bakken.
Op deze wagen was de muziek, die voortdurend het liedje ‘naar de Congo’ en de schoonste polka’s, walsen, enzoverder uit haar repertorium speelde.
En het gemeentebestuur? Het zat de hele stoet te bespieden achter de gordijnen van de pastorie.
Ere dus aan de inwoners van Wijtschate, die het hoofd zo durven opheffen en hun eigen belangen verdedigen als de hoofden van de gemeente ze verwaarlozen.
–
Gelezen in – www.historischekranten.be – van 1886


