Velen leerden hun toekomstige levenspartner kennen op hun werk. Een boerenmeid liep veel kans om met een boerenknecht aan te pappen, want ‘soort zoekt soort’. Een jonge meid kon ook wel een oogje laten vallen op een rijke boerenzoon (en zijn fortuin), maar de ‘schoonouders te wege’ (aanstaande schoonouders) staken daar wel zo vlug mogelijk een stokje voor, opdat er ‘geen ongelukken zouden gebeuren’!
Er was eens een gezin met twaalf jongens en er kwam een dertiende bij. Dat kind groeide of bloeide echter niet. Zijn vader werkte bij een boer en hij pakte hem altijd mee in zijn onderlijfzakje.
Die Boudewijn van de Ijzer is me het kereltje wel. Sterk, dapper, zijn reputatie die hem in lijn brengt met zijn ijzeren imago.
Hij hield zich verscholen tussen de twee tenten (zie nummer 2 op de foto). Het koppel kwam aangelopen en toen ze op enige meters afstand waren, lost D’Hoine twee schoten in hun richting. De twee kogels troffen het meisje: de linkerwang en de schedel werd doorboord.
– Een rechtermollepoot in de zak dragen brengt geluk aan.
– Een klaverblad van vieren bij zich dragen brengt ook geluk aan.
– Een cent met een gaatje in brengt de bezitter geluk bij.
– Als ge een duit vindt, dan moet ge ze weggooien om meer te vinden.
Zijn eigenlijke naam was Sissen Voorde; hij kwam ter wereld op Passendale, binst een gruwelijke dondervlaag en hij kreeg al wijwater van eer hij gedoopt werd, wijl ’t kraakte buiten, dat het daverde. – Louize, zei Warden Voorde aan z’n wijf, we zullen ’t nooit vergeten, dat we vandaag onzen kadet indeden.
Ge stopt nie van lachen o’j oud komt, moar ge komt oud o’j stopt van lachen.
Maakt liefde of maakt oorloge. Of doet de twee tegoare: trouwt.