Op 18 oktober 1748 komt er een einde aan de zogezegde ‘Oostenrijkse successieoorlog’. De vrede van Aken. Naast een aantal herschikkingen op de Europese kaart kijk ik vooral in de richting van ons eigen land. Frankrijk toont zich bereid om zich terug te trekken uit de Oostenrijkse Nederlanden. De republiek van de Verenigde Nederlanden komt zo weer in het bezit van zijn barrièresteden die ingesteld werden op 5 november 1715.
Meer bepaald de grenssteden Veurne, Ieper, Menen, Doornik, Bergen, Charleroi en Namen. Met daarbij ook nog de citadel van Gent. Voor wat Vlaanderen betreft is het na al die jaren van oorlog een ordinaire terugkeer naar de situatie van voorheen. Met Maria Theresia van Oostenrijk als onbetwiste vorstin weliswaar. De Fransen hebben tussen 1744 en 1748 natuurlijk niet stilgezeten om die grenssteden toegankelijker te maken. Zo begonnen ze in 1746 al met de afbraak van de twee hoornwerken van Belle en Elverdinge met alle daaraan toegevoegde versterkingen aan de buitenzijde ervan.
Bij de intrede van de Hollanders in 1749 zien we nu een open ruimte in de richting van Elverdinge. Ze zullen er ook geen verdere aandacht aan besteden om aan een heropbouw te beginnen. Vereecke heeft het trouwens over een proces-verbaal uit 1782 waarbij de door Frankrijk genivelleerde terreinen t.h.v. het verdwenen hoornwerk nu te koop worden aangeboden aan het publiek.
Na het verdrag van Aken in 1748 tot aan de dood van Maria Theresia in Wenen op 29 november 1781 geniet België van de zoetigheden van een diepgaande vrede. Het valt me op hoe positief er anno 2020 nog altijd gesproken wordt over deze vorstin. Een opmerkelijk gegeven bij deze keizerin is wel de wetenschap dat ze maar liefst 16 kinderen ter wereld bracht, allemaal (hopelijk) het resultaat van haar huwelijk met Frans I Stefan.
Haar oudste zoon Jozef II zal haar in 1781 opvolgen als nieuwe keizer van het Roomse rijk. Tijdens haar 32-jarig bestuur is er niet een keer sprake van militaire feiten in en om Ieper. De schrijver staat even stil bij de aandacht van Maria Theresia van Oostenrijk voor de weduwen en wezen en voor haar soldaten. In dat verband richt ze een soort opvangcentrum voor hen op in de oude abdij van Mesen.
Keizer Jozef II volgt zijn moeder op de 29ste november van 1780. Hij begint zijn bestuur met de toch wel verrassende beslissing dat zijn Belgische staten aan Oostenrijk toebehoren en dat al die Hollandse bezetting overbodig is. Hij start onderhandelingen met de Verenigde Staten van de Nederlanden om het barrièretraktaat van 15 november 1715 te annuleren. Holland die op dat moment betrokken is in een oorlog ter zee tegen Engeland heeft maar weinig valabele argumenten om zich te verzetten tegen de wil van de Roomse keizer.
In 1782 sluiten ze een akkoord om hun aanwezigheid in de barrièresteden te beëindigen, de Hollanders tonen zich bereid om hun garnizoensrecht aan de Franse grenzen op te geven. Onze noorderburen trekken hun manschappen terug uit de diverse grenssteden van het Westland die nu allemaal te maken krijgen met keizerlijke bezettingstroepen. Ieper krijgt een Oostenrijks garnizoen op zijn dak. De onderhandelingen rond het barrièretraktaat waren nog niet eens afgerond toen Jozef II al de principebeslissing nam om de versterkingen in en rond de Belgische grenssteden te laten afbreken.
Op 16 april 1782 verschijnt daartoe in Wenen een keizerlijk decreet. Het lijkt dan al duidelijk dat er met deze keizer niet te sollen valt. Vereecke merkt op dat heel wat van die afbraken tegen die tijd al deels gebeurd zijn in Ieper. Dat kan hij afleiden uit de verkoop van percelen grond op de 6de en de 18de april. De vrijgemaakte terreinen waar de afgebroken vestingen verdwenen zijn worden opgesplitst in 192 loten. Slechts 176 ervan belanden in de verkoop. De 149 hectare gronden brengen in totaal 73.555 florijnen op.
De Oostenrijker is bepaald een snuggere gast. Artikel 11 voorziet dat het de kopers zelf zijn die de versterking op hun perceel moeten afbreken en de grond te nivelleren. Elk op zijn eigen terrein. Jozef II regelt het achteraf dat de afbraakkosten op de 16 niet verkochte percelen gelijk verdeeld moeten worden onder de kopers van de 176 opgekuiste percelen. Vereecke spuit nogal veel cijfers in dat verband die ik dan liever zelf achterwege laat. Het is zo al moeilijk genoeg beste lezer.
Dat keizerlijk decreet van 16 april 1782 heeft ook betrekking op alle arsenalen, magazijnen, kazernes van de ontmantelde steden. De publieke verkoop ervan zal zeker niet op gang schieten voor 28 september 1782.
Ik krijg ook wat meer info over de exacte ligging van die 192 percelen waarvan sprake. Uiteraard liggen die allemaal in de nauwe buitenomgeving van Ieper. De plaatsen waar Vauban zijn hoornwerken had laten bouwen, de massieve buitenwerken, de bastions, de vestingsgracht langs de hele omtrek van de stad worden echter niet verkaveld en belanden dus niet in de publieke verkoop.
De verkavelingen gelden wel voor de terreinen van de overstromingsgebieden van Belle en Mesen, de kleinere vestingswerken langs de wegen naar Belle, Rijsel en Komen. En ook de kazematten in het overstromingsgebied van Mesen vallen onder de verkoophamer. Dat is ook het geval voor het overstromingsgebied van de Paddevijver (het Lichterveld). De reeks van de te koop aangeboden percelen begint buiten de Mesenpoort aan de rechterkant van de weg met de bastions en de halvemaan versterking van Vauban tegen de steenweg naar Belle, richting Dikkebus.
Het duurt natuurlijk ettelijke jaren voor al die grote werken hun beslag krijgen. En om mensen te kloten zijn de afbraakwerken en het omwoelen van het land amper afgelopen als de Brabantse Omwenteling het land in 1789 op zijn kop zet. Het gaat om een opstand van de zuidelijke Nederlanden tegen het pietluttig bestuur en de regeldrift van de keizer. Vereecke wil niet veel kwijt over de context ervan en concentreert zich op de diverse gebeurtenissen die Vlaanderen te verwerken krijgt.
Op 27 oktober 1789 verslaat de gefrustreerde Belgische generaal Jan Andries vander Mersch, een gewezen kolonel in het Franse en het Oostenrijkse leger en nu nationaal verzetsleider tegen de troepen van Jozef II. Een veldslag die zich afspeelt in Turnhout en goed voorbereid werd in Breda en Brabant. Na een Oostenrijkse reactie gaat vander Mersch nog een stukje verder. Hij geeft zijn troepen de opdracht om vanuit Zeeland binnen te vallen in Vlaanderen. Op 13 november om 8u in de morgen breken ze alvast binnen in Gent.
De Oostenrijkse bezetters van Ieper zien dan al de bui hangen en evacueren twee dagen later de stad. De keizerlijke compagnie vertrekt naar Frankrijk en laat zich daar ontwapenen. De 17de dwingen de Bruggelingen de 238 soldaten van het Oostenrijkse garnizoen om de wapens neer te leggen en ook in Oostende spelen zich gelijkaardige taferelen af. Generaal-majoor de Rinsmaul probeert nog tevergeefs de Oostenrijkers van Brugge en die van Oostende te reorganiseren ter hoogte van Torhout. Zijn manschappen arriveren vervolgens aan de Ieperse muren in de hoop dat ze hier door hun collega’s zullen binnengelaten worden. Maar die zijn zoals gezegd al lang schampavie.
De Ieperlingen steunen de revolutie en denken er niet aan om hun poorten te openen voor een nieuwe lading Oostenrijkers. Integendeel; ze reppen zich gewapend naar de vestingen, of althans een restant ervan. Generaal Rinsmaul sommeert de inwoners om zich over te geven maar de Ieperse patriotten houden voet bij stuk. Het keizerlijk legertje is op zijn beurt te bescheiden om zich hier een toegang te forceren. Veel meer dan een terugtrekking richting Frankrijk om zich daar te laten ontwapenen zit er voor hen niet in.
Vlaanderen ziet zich nu plots bevrijd van de keizerlijke troepen. Het moet een bevreemdende ervaring zijn voor de inwoners. Een nationaal congres roept de republiek België uit. Dat is echter buiten de waard gerekend van de Brabantse staten die alle macht naar zich toe trekken en onomwonden de Verenigde Nederlandse Staten oprichten. Een onafhankelijk land met een pompeuze titel.
De zelfverklaarde soevereiniteit zal maar van korte duur zijn. Vooral omdat de opstandelingen allemaal met verschillende meningen rondlopen. De Staten van Brabant onder leiding van advocaat Hendrik vander Noot domineren de nieuwe regering. Brussel en Antwerpen bepalen de wet. Ze krijgen wel serieuze oppositie van volksvriend en advocaat Jan Frans Vonck die vooral steun vindt in Vlaanderen en Henegouwen.
Zijn aanhangers laten zich opmerken als ‘vonkkisten’ en kiezen ervoor om de monarchie op te richten, zoals in Frankrijk. De tweespalt tussen beide blokken zorgt zowat overal voor geweld en rebellie. Ieper ontsnapt evenmin aan de golf van ongeregeldheden.
In de annalen van de stad is er in elk geval toch een spoor van plundering en vernieling terug te vinden die aan deze kortstondige passage in onze geschiedenis zal blijven herinneren. De Ieperlingen kiezen onder een of ander voorwendsel een slachtoffer uit om hun frustraties op te ventileren. Een zekere M. Vermeersch, voormalig pensionaris van de stad, een man die woont aan de rechterzijde van de Rijselstraat, tussen de Lombaardstraat en de doodlopende straat voor de kapucijnen. Vermeersch is naar verluidt niet bijzonder populair omdat hij de keizerlijke wetten altijd scrupuleus liet naleven.
De Ieperlingen voeren op zondag 6 juni 1790 een wraakexpeditie uit op Vermeersch. Rond 21u in de avond dringt het gepeupel – aangewakkerd door enkele volksmenners – een klein huisje binnen aan de zuidkant van de Lombaardstraat. Het gaat over een bijgebouwtje van Vermeersch’ woning in de Rijselstraat. Na een eerste plundering in de Lombaardstraat dringen ze nu via de achterkant binnen in zijn woning. Rond 22u beginnen ze met hun vernielingen en plunderingen.
Het gemeen gooit zijn meubelen en zijn kostbare inboedel in het midden van de Rijselstraat en steken de stapel vervolgens in brand waardoor er niets meer van zal overblijven. En nog zijn de volksmenners niet voldaan; ze eindigen hun inval met een totale vernieling van beide geplunderde woningen. De overblijvende ruïnes blijven achter als herinnering aan hun blinde wraak. Zowel de Rijselstraat als de Lombaardstraat zullen meer dan twintig jaar ontsierd blijven door deze puinhoop.
Op 20 februari 1790 overlijdt keizer Jozef II. Zijn broer en opvolger Leopold II werkt zich uit de naad om de rellen en de onrust te verzachten. Hij belooft aandacht te besteden aan de grieven die de inwoners naar voren brachten in hun poging om een eigen land te krijgen. De Staten krijgen zijn manifest te horen op 31 oktober 1790 en zijn ‘nobele’ bedoelingen krijgen het gezelschap van een stevige militaire macht die hij overal laat gelden in de Belgische provincies.
De keizerlijke troepen stappen op 1 december binnen in Brussel. Vijf dagen later krijgt ook Ieper zijn keizerlijk garnizoen als waakhond toegemeten. Tegen die tijd is Frankrijk al binnengetreden in zijn verschrikkelijke en illustere revolutie. Die van 1789. Zo verplicht de Franse ‘assemblée nationale’ de zwakke koning Lodewijk XVI om de oorlog te verklaren aan het huis van Oostenrijk.
De oorlogsverklaring volgt op 20 april 1792. De eerste vijandelijkheden gaan al acht dagen later van start in Henegouwen en spreiden zich als een olievlek uit over de grensgebieden van Namen en Luxemburg.
Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek


