De nieuwe graaf zit in 1323 nog geen jaar in het zadel. Een nieuwe procureur, een ontvanger, een tros ambtenaren met “rechterlijke” macht en hun aanhang van bedienden zwaaien de plak over Vlaanderen. De belastingen lopen op. De pointingen voelen aan als een verschrikking voor de ambachtslieden. De bureaucratie is onpersoonlijk en zonder scrupules. Het volk wil wel de belastingen betalen, wil wel bijdragen tot de herstelbetalingen aan het Franse hof, maar de manier waarop die worden opgeëist, tart elke verbeelding. Afpersing en willekeur alom. Net nu de levensomstandigheden zo fel achteruit zijn gegaan, wordt de fiscale druk op de mensen genadeloos opgevoerd. Valt het te verwonderen dat het groeiende onbehagen weer eens zal uitmonden in een nieuwe crisis?
Er ontstaat een broeihaard van ongenoegen in de regio Veurne-Ambacht. Midden tussen het volk dat men in die tijd ietwat respectloos “het gemeen” noemt. In 1323-1324 is er op den buiten sprake van een samenzwering van “li compagnons de l’esmeute” die zich aansluiten met gelijkgestemden uit Veurne, Nieuwpoort en Lombardie. Ze zweren dure eden om iets te doen aan de willekeur van de keurheren en de pointers. Het landbestuur moet veranderen, er moet een nieuwe wet komen waar ze zich zullen aan onderwerpen.
Een uitgebreid rechtscollege onder leiding van Robrecht van Cassel onderzoekt de claim van het bondgenootschap en komt tot de vaststelling dat er inderdaad sprake is van slecht bestuur, geldverduistering en geknoei met de belastingen door de aangestelde ambtenaren. Er worden straffen uitgesproken tegen dertien pointers die elk meer dan duizend pond moeten teruggeven aan het gemeen. Ze worden beschuldigd van verkwisting van ’s lands middelen en ze worden verbannen. De manier van het inzamelen van de gelden wordt afgeschaft. Er is niet langer plaats voor de “beryders” met hun bandietenmanieren.
Het oordeel van Robrecht van Cassel oogt perfect voor de mensen. Maar de bijkomende maatregelen zijn nefast. Er volgt een echte kaakslag voor de fiere boeren. De vrije landhoudersfunctie wordt afgeschaft. Er komt een strikt voorgeschreven manier voor het innen van de belastingen en de controle op de rekeningen. Het oproer dat aan de basis lag van de rechterlijke uitspraak, wordt strikt aan banden gelegd.
Het is voortaan verboden om nog verbonden aan te gaan, eden en beloften af te leggen, de klokken te luiden om het volk bijeen te roepen. Het aanstellen van hoofdmannen wordt verboden. Ieder die zich schuldig maakt aan verboden kliekjesvorming zal schuldig verklaard worden “op lijf en goed aan vredebreuk, moord en vijandschap” tegenover de graaf van Vlaanderen.Het is de beginperiode van het bondgenootschap van het gemeen. Eén van de hoofdmannen van het bondgenootschap is Nikolaas Zannekin van Lampernisse.
Een “waaghals zonder weerga”. Nikolaas Zannekin wordt aangesteld als hoofdman van Veurne-Ambacht. Zijn grootvader heeft met zijn zonen de polder op de zee en de IJzerdelta veroverd. Zijn vader heeft vele helpers een vrij bestaan geschonken en op Groeningeveld zijn bloed voor Vlaanderen geofferd. Nikolaas Zannekin zal uiteindelijk de hoofdrol opeisen in het smeulende verzet en bij de gebeurtenissen van de volgende jaren. Het “kleine volk” van de Westhoek, uit de bossen van West-Vlaanderen, en van het Brugse Vrije sluit zich aan bij het bondgenootschap van Zannekin.
Het volk is meer dan woedend op iedereen die, al dan niet actief, deelneemt aan het beleid van de graaf. Kop van jut zijn de keurheren, de schepenen, de rijke en perverse burgerij, en natuurlijk de adel die zich zoals gewoonlijk tussen de gezagsstructuren heeft genesteld. Het zijn die edelen en patriciërs die er voor zorgen dat de boetes en belastingen verder worden opgedreven. Achterstallen en annuïteiten die in hun eigen zakken verdwijnen. Het komt voor de mensen over als een kaakslag als de onlangs gestrafte en verbannen keurheren na een tijd opnieuw in hun vroegere functies worden hersteld. Het zal niet lang meer duren vooraleer de spreekwoordelijke druppel de emmer zal doen overlopen. De situatie is wraakroepend.
Het spel zit op de wagen. De mensen van de polders en van de Westhoek, gaande van Veurne, Sint-Winoksbergen en Broekburg smeken gewoonweg om zich te mogen aansluiten bij de “compagnons de l’esmeute” onder leiding van de aanvoerder Nikolaas Zannekin die iedereen ophitst tot gewelddaden en massaal protest. En vooral om niet langer belastingen te betalen. Het volk begint een revolutie die eigenlijk ongezien is in het rurale Vlaanderen.
De revolte van de Westhoek verspreidt zich haast organisch over de hele westelijke kant van Vlaanderen. Nikolaas Zannekin zelf is een niet onvermogende landeigenaar. Geboren te Veurne, stamt hij af van één van de voornaamste adellijke huizen van de stad. In Lampernisse is hij zowat de belangrijkste landbouwer met achttien hectare land in eigendom. Zijn relatie met het elitaire bestuur van de Casselrij Veurne-Ambacht is bij de aanvang van de revolte in 1322 al ernstig verstoord. Zit Groeninge hier voor iets tussen?
Dat wordt merkbaar in 1323 als hij uit Veurne verbannen wordt. Zijn sterke persoonlijkheid en zijn fundamenteel onrechtvaardigheidsgevoel maken hem bijzonder populair bij het gemeen. Het is echt niet verwonderlijk dat Zannekin besluit om zich te vestigen in het belangrijke Brugge waar hij de status van “haghepoorter” krijgt. De Vlaamse Bruggelingen ontvangen hem met de glimlach en bieden hem de functie aan van dijkgraaf. Hij wordt aangesteld als schout over de moeren en delta’s, waar geen patriciër uit Veurne of Duinkerke ook maar één voet durft te wagen. Hier kan hij maximale druk uitoefenen op de slagkracht van zijn “compagnons”.
De jonge Lodewijk van Nevers heeft na de rellen in Brugge en Sluis graaf d’Aspremont aangesteld als bestuurder om orde op zaken te komen stellen in de woelige Westhoek. De machtshebbers van Ieper, Brugge en Gent worden verzocht d’Aspremont bij te staan en om de situatie uit te klaren. De graaf zelf verblijft in het Franse Gray-sur-Saône. Het blijkt al snel dat de opstand van de bevolking escaleert. De steden smeken al enkele maanden bij de graaf om ter plekke te komen en de explosieve situatie te ontmijnen, maar Lodewijk is vooralsnog niet ingegaan op die smeekbede.
Als d’Aspremont finaal dreigt de controle te verliezen, roept hij zijn graaf op om begin februari 1324 onverwijld terug te keren naar Vlaanderen. Lodewijk keert nu eindelijk terug en organiseert een ijloverleg met de grote steden. Zonder veel resultaat. De toestand is inderdaad niet rooskleurig. De gewelddaden van het gemeen ontaarden die winter in massale onlusten. De burgeroorlog is uitgebroken. Met hele benden rukt het volk op naar onder andere Veurne, waar de schepenen, de heren van stand en ieder die te maken heeft met de schandalige pointingafpersing gevangen gezet worden. Hun huizen worden in brand gestoken of vernietigd. Vooral de baljuws zijn kop van jut.
Einde 1323 is het wettelijk gezag in de kuststreek volkomen ingestort: de autoriteiten van Broekburg, Veurne, en St.-Winoksbergen geven zich over. Het rumoer verspreidt zich als een lopend vuur. De hele kuststreek van zuid naar noord, met inbegrip van alle kleine steden in de provincie, wordt het toneel van zware rellen. Het stadsbestuur van het belangrijke Ieper kijkt ondertussen angstvallig toe, houdt nauw diplomatiek overleg met Brugge en Gent, maar bewaart vooral de nodige afstand van de revolte. Begin 1324 doet zich een aardbeving door in de streek en dan slaat koning winter nog onverbiddelijk toe tijdens de maanden januari en februari 1324. Die barre natuuromstandigheden leiden er toe dat de regio Ieper-Poperinge grotendeels wordt gespaard door de rebellen.
Brugge van zijn kant ontsnapt niet aan de volkswoede. Begin februari 1324 (als zo dikwijls voordien) wordt er weer eens gefoefeld om de patriciërs hun onrechtmatige stek te geven in het nieuwe stadsbestuur. (Dat hebben ze deze keer niet gedaan in Ieper, vandaar de relatieve rust daar). De meerderheid van de schepenbank gaat weer eens naar de Fransgezinde elite.
Het gepeupel en de ambachten vinden dit onaanvaardbaar. Het roven en regulier plunderen van het gemeen in de Westhoek en de polders slaat over naar Brugge. Op 21 februari 1324 luiden de Brugse klokken ten teken van aanval. Met de hulp van de Brugse ambachtslieden vallen ze op drieste manier de stad binnen waar ze alle graafsgezinden en edelen die ze te pakken kunnen krijgen een kopje kleiner maken.
De gemeentenaren hebben de wapens opgenomen tegen de elite. Graaf Lodewijk verzoekt zijn oom Robrecht van Cassel om de opstand te onderdrukken. Hij verzamelt een aantal ridders en soldeniers en beslist om de opstand vanuit zijn Nieuwpoortse hoofdkwartier te bestrijden. Maar de ridders en edelen die hem dienen hebben niet echt zo’n groot vertrouwen in Robrecht. Ze beseffen dat hij niet “de grote vriend” is van de graaf en dat hij vooral de kat uit de boom wil kijken ten opzichte van het volk. En natuurlijk zal de Blauwvoetgezinde Johannes, de burggraaf van Nieuwpoort, er wel voor iets tussen zitten dat hij aarzelt om maatregelen te nemen tegen de gewone mensen.
Robrecht van Cassel beslist om soldaten te sturen naar Oudenburg en naar Gistel en van daar uit gezag te houden op het opstandige Brugge. Maar het plan om de bolwerken van Oudenburg en Gistel in te nemen mislukt. En ook Veurne sluit zich aan bij de opstandelingen. Weldra staan ze aan de poorten van Nieuwpoort waar ze de overgave van de stad eisen. Iedereen verwacht een hard en lang beleg maar tot ieders verbazing biedt Robrecht niet de minste weerstand. Hij ontruimt de stad en laat de rebellen binnen. De hogere kringen beginnen hem stilaan te beschouwen als een verrader. De Nieuwpoortenaars laten het niet aan hun hart komen en verwelkomen de rebellen met open armen. We zijn maart 1324. Voor de eerste keer in hun leven hebben ze de wapens opgenomen tegen hun souverein.
Robrecht van Cassel zelf trekt naar Sint-Winoksbergen. Maar als hij verneemt dat de opstandelingen zich ook gekeerd hebben tegen zijn Duinkerkse vesting doet hij verwoede pogingen om hen de weg af te snijden. Maar bij de eerste ontmoeting van het voetvolk met de rebellen, lopen zijn mensen over naar de strijders van het volk. Ze moeten niet eens de moeite doen om Duinkerke in te nemen. Het zijn de Duinkerkenaars zelf die zich aansluiten bij de opstandelingen.
Graaf Lodewijk zit klem. Op 20 maart 1324 geeft hij er zich rekenschap van dat het beter is om een wapenstilstand af te sluiten en te proberen tot een regeling te komen. Hij besluit in het voorjaar van 1324 om enkele toegevingen te doen aan de revolutionairen en biedt aan om de talrijke mistoestanden die aan de basis lagen van het oproer, grondig te onderzoeken en bij te stellen. Er worden twee scheidsrechterlijke commissies opgericht die zullen zetelen in het Brugse en in de abdij van Ter Duinen. Een eerste beoordelingscommissie staat onder leiding van Artaud Flote. Deze doet onderzoek m.b.t. de mistoestanden in het Brugse Vrije. De tweede commissie onder leiding van Robrecht van Cassel zal het onderzoek voeren naar de voorbije gebeurtenissen in de Westhoek.
Er volgen een reeks maatregelen. De Bruggelingen krijgen amnestie voor hun aanval op Sluis en krijgen een aantal privileges om hun invloed op die haven te consolideren. Ook de verkiezing van de Brugse voogd wordt aangepast. De stad krijgt wel een boete van 66.000 ponden opgelegd voor de zware rellen van 21 februari. De bewoners van de Brugse buitengebieden worden niet verder vervolgd voor hun gewelddaden en de graaf geeft toe dat er inderdaad sprake is van misbruiken door de edelen. Hij eist een strikte inzage in de boeken om verdere mistoestanden te vermijden. Er wordt trouwens een onderzoek ingesteld naar alle raadsleden en edelen die deelgenomen hebben aan de frauduleuze inning van onterechte boeten. Er is ook sprake van de terugkeer van enkele gevluchte schepenen en edelen.
De uitspraken in Veurne zijn analoog met die van Brugge. Amnestie voor allen die gewelddaden hebben gepleegd en sancties tegen de corrupte magistraten. Er komt een strengere controle op de centen door de graaf zelf. In ruil moeten de lieden afstand doen van hun bendeleiders en hoofdmannen en mogen ze niet langer de klokken luiden om bijeen te komen en opstandige plannen te smeden. Graaf Lodewijk denkt dat de situatie opgelost is.
De welvaart in Vlaanderen hangt in grote mate af van de lakennijverheid en die is in grote mate afhankelijk van de goede zakelijke relaties met de Engelse markt. De levensbelangrijke onderhandelingen tussen de Vlaamse steden (onder leiding van Bruggeling Willem de Deken) en de Engelse koning Edward II om de relaties tussen beiden in een duurzame vrede om te zetten, lopen echter niet zoals gewenst. Aan het einde van de zomer is er nog geen sprake van een structurele vrede. Dat de Fransen en de Engelsen elkaar naar het leven staan rond het bezit van Aquitanië is daar natuurlijk niet vreemd aan.
De zomer van 1324 brengt ook op het platteland geen rust. De graaf heeft wel iets gedaan aan de wanpraktijken van de ambtenaren bij het innen van de boeten en taksen. De mensen zijn wel niet veroordeeld voor hun geweldplegingen. Maar waarom is er eigenlijk niets gedaan aan de boeten zelf? Zijn ze soms de melkkoe van de lichtzinnige en onbezorgde graaf die ergens in één of ander Frans kasteel een exuberant leventje leidt op het zweet van hun arbeid?
De edelen, graaf en de koning worden door de landmensen bekeken als hun vijanden. De Westhoekers voelen zich diep vernederd onder de Franse dictatuur. Ze zijn woedend om de kwijtgespeelde vrijheid en hun verloren “vrijmanschap”. De wrok wordt nog gevoed door nieuwe financiële wanpraktijken bij het innen van belastingen in het Brugse Vrije. Het zoveelste bewijs voor de opstandelingen dat het kwaad niet is aangepakt zoals het hoorde.
De actie van de “compagnie” worden geleidelijk aan beter georganiseerd. De opstandelingen verdelen zich in operationele groepen met elk hun leiders en elk hun specifieke actieplannen. Het hart van de operatie ligt in Brugge met Zannekin als onbetwiste leider. Hondschote, Zuidkote, Gijvelde dragen hem op de armen, verafgoden hem, zweren op zijn naam en geslacht. Over de Steengracht en de Kromme Gracht, over de grote en kleine Beverdijk en het Duivenbroek klinkt zijn naam als een vrijheidskreet tot Bonen, Sint-Omaars en Cassel, waar de Fransen hun scherpe tanden in onze grenzen en in de ziel van ons boerenvolk planten.
Ondanks het verbod aan voormannen, worden Zeger Janszone en Lambrecht Bovin aangesteld als hoofdmannen in het Brugse Vrije. Zannekin en Janszone nemen samen de Westhoek voor hun rekening. Op Sint-Pietersdag van 1324 (op 30 juni) vertrekt hij naar zijn slot in Nevers. De Vlamingen zullen nu wel rustig blijven. Hij moet zich nu concentreren op een pact met de Engelsen. Hij geeft d’Aspremont de opdracht om de belastingsschroef nog wat meer dicht te draaien en de boetes van Athis in versneld tempo op te eisen. Want hij heeft te kampen met een ernstige persoonlijke geldnood.
“Weet hij niets beter dan zijn vaderland te verlaten?”. Dat is de vraag die de Vlaamse mensen zich stellen. Op enige goodwill kan de graaf echt niet meer rekenen. Het oproer barst opnieuw in alle hevigheid los. D’Aspremont doet het in zijn broek. Hij vreest voor zijn leven en trekt naar de Franse koning om er zijn beklag te doen over de brutaliteit van de Vlamingen. Hele bendes van gewapende opstandelingen doorkruisen Vlaanderen op zoek naar alle profiteurs van ontvangers en belastinginners die de bevolking jarenlang zo hebben getergd met ondraaglijke lasten en belastingen.
Wie niet tijdig kan ontkomen, wordt zonder enig medelijden gedood, de huizen worden geplunderd en, zoals naar gewoonte, achteraf in brand gestoken. De boeren brengen iedereen die misbruik maakte van zijn gezag meedogenloos om het leven. De heren van Halewijn, Haveskerke, Moerkerke en nog vele anderen die de Franse koning gevolgd zijn in het opeisen van de belastingen en boetes, worden de keel overgesneden.
Tijdens de afwezigheid van de graaf wordt het gouverneurschap nu waargenomen door de edelman Filips van Axel. Hij is de “ruwaard” van dienst. De hechte samenwerking tussen de vrije landlieden van de zeekant, die geen feodale historiek achter zich hebben, en het volk van het Brugse Vrije die integendeel al enkele eeuwen leven in het systeem van feodale heren, ridders en leenmannen, resulteert in een geheel nieuw gedachtegoed. Waarom moeten er eigenlijk heren zijn? Waarom zijn die heren beter dat de andere mensen? Waarom wonen de edelen in versterkte huizen en kastelen? Waarop baseren zij het recht om zich beter te voelen dan de gewone mensen?
Waarom heeft het graafschap nog altijd geen Vlaamse bisschop? De stoel van Doornik wordt bezet door Franse prelaten. Terwaan is Frans tot en met. De Fransen lachen met de Vlaamse tongval. Autoritair en vanuit de hoogte. Waarom? Het is allemaal geestelijke smeerlapperij. Kijk maar naar het uitroeien van de tempeliers door de vorige koning van Frankijk. De Vlaamse tempeliers van Ter Doest en van het Tempeliershof in Ieper stierven warempel op de brandstapel. Goswijn van Brugge, Jan van Veurne, Jan van Slype en Gobert van Male.
En dan is er nog onze heldhaftige tempelier Willem van Saeftinge die op schandelijke wijze door Jan Breydel en Pieter de Coninck aan de Fransen werd uitgeleverd in de afloop van de Guldensporenslag. Ja, het is onze Willem van Saeftinge die voor ons Vlaamse “honden” genade is gaan afsmeken bij paus Bonfiatius en gepleit heeft voor een geestelijke politiek van evenwicht in onze kuststreek.
De stemming van de opstandige buitenmensen krijgt in het najaar van 1324 een revolutionair karakter die zich afzet tegen het maatschappelijk systeem. De volksgezinde poorters en de ambachtslieden van Brugge zien het gedachtegoed maar al te zeer zitten en sluiten zich graag aan bij de beweging. In de steden Ieper en Gent stijgt de spanning tussen de begoede patriciërs en de massa eenvoudige ambachtslieden. De sfeer wordt grimmiger en rumoeriger met de dag.
De dreigende aversie tegen het “blauw bloed” maakt de lokale heren bang en onzeker. Met de afwezigheid van hun graaf voelen ze zich geïsoleerd. Er dreigt gevaar. De patriciërs en de edelen bekijken de ontwikkelingen met stijgende onrust. Die onrust uit zich in de herfst van 1324 wanneer de vierschaar van Ieper enkele sympathisanten van de opstandelingen veroordeelt tot een jarenlange verbanning weg van Vlaanderen. Het laat vermoeden dat die verbanning er komt wegens opstandige activiteiten tegen de Ieperse bourgeoisie. Er is overal niet veel meer nodig om het potje te laten overkoken.
In het noorden van de provincie neemt de opstand steeds grotere proporties aan. De streek ten noorden en ten oosten van Brugge, richting Maldegem, wordt nu geleid door de begoede boeren Walter Ratgheer en Hugo Beukels die notabene leenmannen zijn van de graaf zelf. De edelen doen er alles aan om hun kastelen te versterken en zich te organiseren tegen de nakende opstand. Ze stellen Jan van Bergen uit het Westland aan als hun leider. Er volgt een militaire actie om Brugge af te zonderen van de rest van de provincie. Een reeks gewelddadige raids volgen.
De kronieken vertellen: “De ridders trokken uit, zij verbrandden de huizen van het gemene en al dezen die zij vonden werden gedood of gevangen, en degenen die zij gevangen wegvoerden uit het gevecht of zonder gevecht, werden onthoofd of zonder medelijden op hooge wielen geradbraakt”.
De acties van de edelen steken het vuur definitief aan de lont. “Si souden die kaerlen hangen??”. Het volk is ontketend. Volkswoede. Vanaf nu is het oog om oog en tand om tand. Hele bendes vallen nu de kastelen en versterkte woningen van de heren aan. De bewoners van de elitewoningen moeten het ontgelden. Brandstichting, geweld, moord, diefstal en plundering alom. Ook de geestelijke grootgrondbezitters zijn kop van jut. Schuren en graanvoorraden van de steenrijke abdijen van Sint-Baafs en Sint-Pieters worden geplunderd. Het stro en de tienden worden opgevorderd door de massa.
In Brugge wordt ondertussen hard gewerkt aan de militaire organisatie van de revolutionairen. Grote bastions van de edelen kunnen niet zomaar worden veroverd. Er worden twee expeditiekorpsen samengesteld. Het korps van Lambrecht Bovin zal Aardenburg aanvallen en oprukken naar het Land van Waas. De militie van Zeger Janszone zal eerst het vuile riddernest van Gistel verdelgen om daarna op te trekken naar het Westland. Nikolaas Zannekin assisteert Zeger Janszone en roept het volk van Veurne-Ambacht op om mee ten strijde te trekken. Het Veurnse ontvangt Zannekin als een ware volksheld. Hij wordt er begroet als een “Engel van God” schrijven de (vijandelijke) kronieken.
“Ze vertrouwen meer in hem en hebben groter ontzag voor hem dan voor gelijk welke heer, tegenover hem achten zich noch graaf, noch koning”. Robrecht van Cassel trekt zich strategisch terug in Sint-Winoksbergen en wacht op hulp. Want die zal er nodig zijn. Hij informeert de graaf en de Franse autoriteiten over de losgeslagen revolutie in Vlaanderen.
De Franse koning Karel de Schone beseft in december 1324 dat de situatie in zijn leengebied toch wel erg uit de hand is gelopen. Hij maakt zich terecht ongerust over de toestand in Vlaanderen. Hij roept Lodewijk van Nevers en zijn nonkel Robrecht van Cassel op het appel en verzoekt hen a.s.a.p. naar Vlaanderen te reizen en daar orde op zaken te stellen. Op kerstdag arriveren ze in Kortrijk waar de graaf overleg wil plegen met de vertegenwoordigers van de grote steden. Gistel en Aardenburg zijn nog steeds in de handen van de rijke burgerij. Hier houden veel ridders zich schuil uit angst voor de volkswoede. Gent en Ieper beslissen om samen een honderdtal boogschutters naar Gistel en Aardenburg te sturen als assistentie.
De toestand op het veld wordt stilaan hachelijk voor de graaf. Kasteelheren die het hebben gewaagd om vergeldingsacties te organiseren tegen het gemeen worden simpelweg afgemaakt. Er moet een serieuze tand bij gestoken worden. Lodewijk maant Robrecht van Cassel op 21 januari 1325 aan om de huizen van iedereen die meedoet met de rebellie in brand te steken en alle rebellen die hij te pakken krijgt, te liquideren. Lodewijk van Nevers weet natuurlijk dat het de welgestelde Nikolaas Zannekin is die de hele boel coördineert bij de opstandelingen. Waar hij aanvankelijk de obscure hoofdman was in Veurne ziet hij tot zijn stijgende verbazing dat de rebellenleider nu officieel de opstand leidt vanuit Brugge.
Hij is er in geslaagd om alle lokale verzetshaarden onder één banier te verenigen. Robrecht van Cassel krijgt daarom het dringende verzoek om die vermaledijde Zannekin op te pakken en te elimineren. Robrecht en Lodewijk trekken nu naar Gent dat meer en meer het centrum van het verzet wordt. Wel te verstaan het verzet tegen de opstandelingen van het Westland! Terwijl de boeren in het westen driftig verder gaan met hun plunderingen tegen het begoede volk, worden er vanuit Gent door de adel wraakacties gelanceerd waarbij de huizen van de plattelandsbevolking platgebrand worden. Her en der worden opstandige boeren opgepakt. Ze worden genadeloos geradbraakt of onthoofd.
De represailles van het blauw bloed sterken de opstandige boeren in hun overtuiging dat ze definitief komaf moeten maken met de overheersing van de Fransgezinde elite. Op 3 januari 1325 rukt de brigade van Zeger Janszone op naar het bolwerk van Gistel. Boogschutters of niet. De mensen van het West-Vrije en van Westkerke zijn (al dan niet vrijwillig) noodgedwongen achter hun Gistelse heren blijven staan. Vijftien moedige en sterke Westkerkenaars blijven dood achter op het slachtveld en al evenveel vluchten naar de kant van de opstandelingen. Leider Jan van Bergen wordt zwaar gewond gevangen genomen. Hij wordt weggevoerd naar het cachot van Brugge.
Het volk van het West-Vrije sluit zich vrijwel onmiddellijk aan bij het heir van Janszone. De meute rukt op naar het versterkte Nieuwpoort dat onder het bevel van Robrecht van Cassel staat. Maar er is geen spoor van gehoorzaamheid tegenover hun heer. Ze openen integendeel de stadspoorten en sluiten zich aan bij het volksverzet.
Het volk en het stadsbestuur van Brugge hebben al tijdens de winter 1324-1325 onvoorwaardelijk de kant van het Vlaamse verzet gekozen. De graaf reageert koel op die beslissing maar wacht even af om maatregelen te nemen. (die zullen er pas komen half maart 1325 als hij zijn beslissing van het vorig jaar i.v.m. het Zwin laat annuleren). Veel handelaars en kooplieden hebben ondertussen het woelige Brugge verlaten en laten de stad achter in een toestand van chaos en verwarring.
Dit is een fragment uit Boek 3 van De Kronieken van de Westhoek


