Ik heb de stad Nieuwpoort achter me gelaten ergens rond 1558. Op dat moment in de tijd beginnen Luther en Calvijn stilaan hun neus aan het raam te steken. Wat aanvankelijk nog schuchter en onschuldig begint zal de volgende tweeënveertig jaar ontaarden in een debacle vanjewelste. Zowat heel West-Europa ontsteekt met de vaak dodelijke infectie van een nieuw geloof.
Ieper, Poperinge, de hele Westhoek komen in de vuurlijn te liggen. Net zoals heel Vlaanderen. Allerhande dagboeken volgen die dramatische gebeurtenissen op de voet en hebben het vaak over de haven en de stad van Nieuwpoort die, zonder dat de mensen er veel aan te zeggen hebben onverwacht uitgroeit tot een landhoofd van het calvinisme te midden van een wezenlijk katholiek Vlaanderen.
Hoog tijd voor mezelf om het hele drama even te belichten vanuit een Nieuwpoorts perspectief. Hier kom ik ongetwijfeld meer te weten en kan ik de geschiedenis herbeleven zoals een echte onvervalste Nieuwpoortnaar. En waar kan ik beter terecht dan in ‘De Geschiedenis van Nieuwpoort’ uit 1971 van René Dumon. Een man die me al zo vaak tot inspiratie heeft gediend.
Rond 1560 zien de mensen hier inderdaad de veranderingen aankomen. De veelbelovende groei van de voorbije decennia komt in het gedrang door moeilijkheden met Frankrijk. De vissers krijgen op zee plots last van Franse kapers en vooral met onze noordelijke buren die het leven hier ingrijpend laten veranderen. René Dumon schetst even het breed plaatje en zal later meer in details treden.
De problemen komen inderdaad vanuit de noordelijke Nederlanden tot bij ons aangewaaid. Onze bovenburen hebben zich massaal geschaard achter een nieuw hervormd geloof. Ze krijgen daarbij de steun van Willem van Oranje. Zeer tegen de zin van de Spanjaarden natuurlijk. Oranje wil zich al gauw meester maken van de Vlaamse havens. De Hollandse vloot wordt uitgerust om de Vlaamse visserij te destabiliseren.
Militair uitgerust, ik wil dat wel even specificeren. Het duurt niet lang voordat hun eerste strijdkrachten aan onze kusten ontschepen. Deze gang van zaken zal jaar na jaar erger worden. Nieuwpoort en Duinkerke proberen zich te wapenen tegen Willem van Oranje. Nieuwe oorlogsschepen worden uitgerust en voorzien van bemanning. Die bestaat grotendeels uit Vlaamse vissers.
Het staatsbestuur van Vlaanderen onderneemt gelijkaardige acties. Er komt een oorlogsvloot met basis te Antwerpen. Veel vissers van Nieuwpoort laten er zich inschrijven. Het lijkt een opportuniteit om toch werk te hebben in de periodes dat de haringvisserij stil ligt. De mannen komen echter bedrogen uit wanneer ze verboden worden om hun schepen te verlaten en zo verspelen ze hun kansen om effectief deel te nemen aan het haringseizoen.
Toestanden die zich afspelen tussen 1568 en 1570. De zeevisserij in Oostende, Nieuwpoort en Duinkerke komt daardoor natuurlijk in de problemen. De vissers sluiten in 1570 een akkoord om samen op haringvangst te gaan en hun vloot te laten begeleiden door een aantal goed uitgeruste oorlogsschepen. In 1571 vaart de vloot uit onder het bevel van admiraal Vincent van Clythove.
Bij de terugkeer van de vissers blijken ze niet enkel gevangen haring bij zich te hebben maar ook een rijke buit die ze veroverd hebben bij Hollandse schepen en hun bemanning; de watergeuzen. Er worden eveneens krijgsgevangenen aan land gebracht. Hoewel het haringseizoen op zijn eind is gekomen besluiten ze een nieuwe tocht te ondernemen om de macht van de watergeuzen verder te ondermijnen. De twee Nieuwpoortse schepen worden aangevoerd door Engelse kapiteins: Willem Cotton en Henry Carew. De actie komt niet zomaar uit de lucht gevallen.
Op Allerheiligen van 1570 krijgt Vlaanderen een van de grootste stormen te verwerken die men in mensenheugenis gekend heeft. Zo goed als alle dijken, verschansingen en wachtposten tussen Duinkerke en Oostende worden weggeslagen. De kust ligt wijd open voor de watergeuzen. En wees maar zeker dat ze profiteren van de gelegenheid. Zo ontschepen ze onder andere in Oostduinkerke, Adinkerke en in Koksijde. De abdij van Ter Duinen krijgt het zwaar te verduren. De gecoördineerde actie van de drie Vlaamse zeehavens is er in 1571 het gevolg van.
De Hollandse vloot zal zich natuurlijk niet zomaar laten doen. De strategie van de watergeuzen is vrij eenvoudig. De calvinisten willen zich meester maken van Nieuwpoort. Onze havenstad is een perfecte pied-à-terre om van hieruit bressen te slaan richting Duinkerke en Oostende. Op 26 juli 1572 verschijnt een Hollandse vloot dreigend voor de haven van Nieuwpoort waar de poorters niet echt verrast zijn.
Het stond in de sterren geschreven. Er staat een sterk garnizoen klaar om in te grijpen. Ook Veurne-Ambacht heeft krijgslieden gestuurd naar de kust en naar de omgeving van de IJzermonding. Hier in de Westhoek krioelt het van medestanders van de geuzen die dienst doen als spionnen voor de Hollanders. Die informeren hun vrienden op zee dat ze hier grote tegenstand zullen ondervinden in geval ze zich aan land zouden wagen.
Korte tijd later verdwijnen de watergeuzen aan de einder. De landing in Nieuwpoort zal voor een volgende keer zijn. Tot diep in de herfst blijft het relatief rustig. In oktober van 1572 mislukt een poging om met drieduizend geuzen de stad Brugge in te nemen. De zenuwen in Veurne-Ambacht en in Nieuwpoort staan onmiddellijk op scherp. De winter gaat desondanks vrij rustig zijn gewone gang.
Tijdens de lente van 1573 broeit er iets. Rond half maart begint het op te vallen dat er wel erg veel vreemdelingen op pad zijn langs de Westhoekse wegen. Allemaal afzonderlijke mensen, in hun eentje op stap, ongewapend en op het eerste zicht ongevaarlijk. Vanuit alle mogelijke richtingen stappen ze richting Nieuwpoort. En dat lijkt meer dan verdacht.
In Roesbrugge wordt tezelfdertijd een binnenschip geladen met oorlogsmateriaal. De overheid heeft er geen weet van. Dat fameus binnenvaartuig vaart ondertussen al richting Nieuwpoort zonder dat het onderweg wordt lastig gevallen. Pas in de haven krijgen de wachtposten de boot in het vizier. Bij nazicht blijken het binnenschip propvol te zitten met musketten, flessen met buspoeders, lonten en ballen. Oorlogsmateriaal om aanslagen te plegen. De autoriteiten van Nieuwpoort haasten zich uiteraard om het voertuig en zijn lading aan te slaan.
Op dat moment verschijnt de vijandelijke vloot opnieuw voor de haven. Even voordien hebben ze ter hoogte van Koksijde een pak gewapend volk in schuiten afgezet en die mannen zijn nu allemaal op komst naar het strand daar.
Het is maar al te duidelijk dat het Roesbrugse munitieschip deel uitmaakt van een grootse onderneming om Nieuwpoort in te nemen. Bedoeld om de vele ongewapende vreemdelingen in de buurt van de stad Nieuwpoort van oorlogstuig te voorzien. Ze rekenen daarbij vermoedelijk op enkele lokale poorters die sympathiseren met de nieuwe religie. Samen willen ze de stad bij verrassing overmeesteren waarop vervolgens de Hollandse vloot er vrije toegang zou krijgen.
Deze plannen gaan natuurlijk grandioos de mist in met het onderscheppen van hun munitieschip. Het gevolg hiervan is natuurlijk dat er in en rond de stad een heksenjacht op gang komt. Een onverbiddelijke zoektocht naar de medeplichtigen. De galgen van Nieuwpoort en Veurne zullen weldra zorgen voor de nodige bestraffingen. De schepen van de Hollandse vloot lichten hun ankers en keren onverrichter zake terug van waar ze gekomen zijn.
Veel verandert dat natuurlijk niet aan de situatie en de strategie van Willem van Oranje. Die wil Nieuwpoort ten alle prijze in zijn bezit krijgen. De spionnen blijven massaal hun werk doen en wie door de lokale overheid betrapt wordt bekoopt dat met de dood. Toch zijn er meer dan voldoende landlieden die hun plaats willen innemen. De nieuwe godsdienst blijkt in elk geval over een flinke aanhang te beschikken in de Westhoek.
Daar heeft de verschrikkelijke wreedheid van de Spanjaarden tegen de hervormers natuurlijk alles mee te maken. In 1576 zal Nieuwpoort finaal aan die hervormden worden overgeleverd. René Dumon wacht nog even met de nodige details. De auteur heeft het eerst nog even over de handel, de scheepvaart en de visserij die zo goed als stilgevallen zijn.
De stad lijkt hermetisch afgesloten door de onveiligheid op zee en uiteraard door de vrees voor een inval van de watergeuzen. De wetenschap dat de vissers het momenteel verkiezen om te werken op de oorlogsschepen doet natuurlijk geen goed.
Vanaf 1570 leven de poorters van Nieuwpoort in volle geuzentijd. Niemand voelt zich veilig. Wie mag men nog vertrouwen? Daarbij komen nog pest en hongersnood deze onzekere tijden vervolledigen. Alles samen een gevaarlijke cocktail van onrust en rellen. Het stadsbestuur reageert vrij mak en zonder overtuiging op de malaise. Waarschijnlijk zitten er tussen de schepenen al mannen die het opnemen voor het nieuw geloof.
Hoewel het merendeel toch wel overtuigd katholiek is gebleven. Het magistraat neemt hier en daar wel wat maatregelen. Zo komen er beperkingen voor het vieren van bruiloften. Er mogen voortaan maar zes personen van elke kant deelnemen aan een huwelijksfeest. Sommige poorters komen vaak bijeen om psalmen te zingen of de rozenkrans te bidden, beter bekend als ‘hoykens’. Voortaan mag hier bij de ‘hoykens’ niet langer wijn worden gedronken. Het bekende spel ‘hoen up te hanghen’ wordt verboden.
Er worden vervolgingen ingesteld voor wie zich aan het nieuw geloof bezondigt. Een zekere Willem Albrecht kan er van meespreken als hij in 1571 voor eeuwig uit Vlaanderen wordt verbannen. Al zijn eigendommen worden daarbij aangeslagen. Het valt wel op dat het bestuur in Nieuwpoort veel gematigder is dan bijvoorbeeld in Veurne en Duinkerke. Hier zou Albrecht voor deze feiten ongetwijfeld opgeknoopt geweest zijn. Een huis waar in Nieuwpoort zondig vertier wordt gehouden, ‘vul ravot’, zeg maar een hoerenkast, moet zijn deuren sluiten.
Dat gebeurt nadat de exploitante een jonge meisje uit Diksmuide heeft geëngageerd. De madame wordt voor deze feiten voor zes jaar uit Nieuwpoort en Lombardsijde verbannen. Ze weet het al vooraf: als ze zich binnen die periode laat opmerken zal ze gegeseld worden. Een andere maatregel van het magistraat bepaalt dat er niet langer op straat mag gedanst worden.
Tijdens de winter van 1575-1576 ontstaan er moeilijkheden op de kaai. De arbeiders bezitten hier een monopolie om de schepen te laden en te lossen. Het conflict draait in elk geval om looneisen. De mannen verhogen zomaar hun tarieven en wanneer schippers die weigeren te betalen zal er niet meer gelost worden. Het regent klachten in het stadhuis waar men er zich rekenschap van geeft dat de arbeiders niet langer met een redelijk loon te paaien zijn.
Het stadsbestuur grijpt in en beslist om voortaan zelf de wettelijke daguren te gaan bepalen. Het fameuze monopolie verdwijnt en elke koopman krijgt het recht om zelf zijn arbeidskrachten aan te werven indien hij dat wenst. De leden van de kaaiwerkersgilde riskeren voortaan van de kaai verbannen te worden als ze zich nog verder bezondigen aan kwaadwilligheid.
Het pesthuis dat jaren bediend werd door twee zusters van de Pottestraat bestaat al niet meer in 1565. Het stadsbestuur moet noodgedwongen andere maatregelen treffen om een uitbreiding van deze dodelijke ziekte te voorkomen. Er lopen te veel pestlijders rond op straat zonder dat men die kan herkennen. Rond 1580 worden de door de pest aangetaste poorters verplicht om een witte rok te dragen.
Later zullen ze een witte roede bij zich moeten hebben. Wanneer die zieken naar de kerk wensen te gaan mogen ze niet verder komen dan de ‘cruusdeure’ en ze mogen zich absoluut niet begeven in de nabijheid van gezonde Nieuwpoortnaars. Fruit wordt in die tijd heel erg scheef bekeken als zijnde de voornaamste bron van pest. In 1564 komt er een totaalverbod om zoete peren en zoete pruimen te verkopen. In 1571 mag er niet langer bier uit Antwerpen gedronken worden. De invoer van Engels bier wordt eveneens stopgezet.
In 1580 wordt er nogmaals herhaald dat het verboden is om ‘soete prumen ofte fruit’ in de stad te brengen. Ander fruit is wel gepermitteerd op voorwaarde dat het vergezeld is van een attest dat er geen pest is vastgesteld in de streek van herkomst. In de tweede helft van de 16de eeuw is er in Nieuwpoort behoorlijk veel werk bijgekomen door de bouw, de uitrusting en het reden van allerhande oorlogsschepen.
Er is blijkbaar een tekort aan betaalbare arbeidskrachten want in 1561 krijgt Joos Meynen, de kapitein van dergelijk oorlogsschip de opdracht om naar Zeeland te varen en daar volk ’te huren alzo goede koop als hij kan.’ Af en toe liggen er verscheidene oorlogsschepen in de haven. Sinds 1552 is het strikt verboden voor de bemanningen om zich met messen of geweren op straat te begeven. Het verbod geldt voor iedereen; de kapitein, de schipper, de kwartiermeester en de bootsgezellen. Het schip van Joos Meynen werd al gebouwd in 1552. Door Jan van Biervliet.
Het was een van de grootste die ze hier ooit gebouwd hadden. Dat gebeurde in opdracht van de stad zelf. Om de kosten van de oorlogsschepen te dekken wordt er lastgeld gelegd op de kaakharing, de verse haring en de korfharing. De tarieven volgen die van Duinkerke.
Dit is een fragment uit Boek 7 van De Kronieken van de Westhoek


