1623. De abt en de monniken van het klooster van Ter Duinen laten weten aan het magistraat van de stad en de kasselrij van Veurne dat ze sinds het begin van het jaar aan het onderhandelen zijn met de deken en de kanunniken van Sinte-Walburga. Gesprekken die handelen over de mogelijke afstand van hun kerk, kerkhof en al de woningen van de kanunniken om op die plaats naar verluidt over te gaan tot de bouw van een nieuw klooster waar de monniken zich dan zouden kunnen vestigen.
Sinds het einde van het wapenbestand leven de broeders hun kloosterleven in angst om overvallen te worden van de geuzen en de Hollanders. Er zijn al herhaalde pogingen geweest om hen van de zeekant te bespringen, vroeg of laat zullen ze de dupe worden van zwaar geweld en riskeren ze van hun levens te verliezen. De regeling zou er in voorzien om de kanunniken en de prebenden van Sinte-Walburga onder te brengen bij de kathedraalkerk van Ieper, die van Sint-Maartens.
De bisschop van Ieper is dat plan alvast niet ongenegen. Er volgt nu een verzoek in de richting van de paus en de koning in de hoop om ook daar toestemming voor te krijgen. De onderhandelaars informeren het magistraat over hun plannen. De monniken zouden de kerk van Sinte-Walburga helemaal restaureren en opmaken en er een schoon klooster aan toevoegen. Allemaal mooi versierd en dus zeker een positieve zaak voor de stad en zijn inwoners die daardoor van allerhande extra voordelen zouden kunnen genieten. De kroniekschrijver gaat niet dieper in op deze voordelen.
Ze hebben het wel over de stok achter de deur. Als de monniken van Ter Duinen hun zin niet krijgen dan zullen ze onderdak zoeken in een andere besloten stad. Een dreigement dat best gevoelig ligt bij het stadsbestuur.
Het magistraat roept op 17 januari 1623 de edelen, de notabelen en de voornaamste parochianen van Sinte-Walburga samen om hun advies in te winnen over het verzoek. Na rijp overleg nemen ze het volgende standpunt in: ze zullen alles doen wat in hun macht ligt om de kanunniken van Sinte-Walburga aan boord te houden. De priesters wonen hier al zo veel eeuwen, hun vertrek zou erg schadelijk zijn voor de stad en de kasselrij en hun plannen moeten ze dus met alle mogelijkheden bestrijden.
En, …. om aan de abt van Ter Duinen geen voorwendsel te geven om zijn nieuw klooster ergens in een andere versterkte stad onder te brengen beslist de vergadering om twee nieuwe locaties voor te stellen binnen Veurne-stad. Eerst is er de kerk van Sint-Denijs met het klooster van de celbroeders conform de mislukte deal van 1602. Een andere mogelijkheid zien ze rond de huizen en de erven aan de noordzijde van het Smissestraatje tot aan de Noordpoort en de vestingen van de stad. Het magistraat volgt het advies van hun raad der wijzen.
De abt en de monniken van Ter Duinen zijn er duidelijk niet gelukkig mee en richten zich tot prinses Isabella met de vraag of zij het niet zou kunnen regelen om hun voorstellen er door te krijgen. Isabella houdt haar antwoord in beraad en roept op haar beurt de geheime raad samen om zich over deze kwestie te bezinnen. Er volgt een oproep aan het magistraat van Veurne om hun argumenten te komen verdedigen.
De wetheren duiken er op met een bundel van maar liefst 43 artikelen waarom ze zich verzetten tegen de voorgestelde deal. Het opzet is dubbel, de staf van Sinte-Walburga aan boord houden en tezelfdertijd de monniken van Ter Duinen voor altijd verankeren aan de stad van Veurne. De geheime raad toont zich achteraf uiterst sceptisch om de geestelijken van Ter Duinen toe te laten in Sinte-Walburga.
De betrokken abt laat op zijn beurt weten dat hij afziet van deze plannen. Hij is op dat moment al druk in de weer om zijn bedreigde klooster te laten integreren in het klooster van Ter Doest en zo zijn gemeenschap verder te laten gedijen in de veiligheid van de Brugse binnenstad. Het is vooralsnog niet zo ver. Het ziet er in elk geval wel naar uit dat ze hun dreigement aan het Veurnse magistraat wel eens hard zouden kunnen maken.
Kroniekschrijver Pauwel Heinderyck houdt even halt. ‘Ik mag niet verder gaan zonder eerst de zeldzame en grote tekenen van heiligheid te beschrijven die er dit jaar bij de ontdekking van het lichaam van de zalige Idesbaldus geschied zijn.’ Ik spits mijn oren en herlees nog even wat hij ooit noteerde. Grote tekenen van heiligheid komen in de beurt van miraculeuze toestanden, en laat me nu net bijzonder geïnteresseerd zijn in mirakelen.
Of ik dat nu al dan niet cynisch bedoel laat ik over aan de mening van de lezer. Die bewuste Idesbaldus was de 5de abt van het klooster van Ter Duinen, en eigenlijk maar de 3de sinds het klooster zich aansloot bij de orde van Cisteaux. Hij leefde tussen 1090 en 1167 en is dus goed op weg om zijn 500-jarig overlijden te kunnen vieren. De huidige abt Bernaert Campmans laat zijn geestelijken een deel van het oude vervallen klooster afbreken om de bouwmaterialen ervan te recupereren. Bij deze afbraakwerken stoten ze op het graf van Idesbaldus.
Pauwel slaat aan het mijmeren; ‘deze heilige man heeft zijn hele leven in deugd geleefd. Hij was afkomstig uit het edel geslacht van Vander Gracht. Hij was enige tijd kanunnik van Sinte-Walburga binnen Veurne en was ooit huisgenoot van Dirk van de Elzas, de graaf van Vlaanderen. Die had hem gevraagd om tijdens zijn kruistocht geestelijke bijstand te verlenen aan zijn echtgenote. Pas op rijpe leeftijd maakte Idesbaldus de overstap naar het klooster van Ter Duinen. Als monnik wel te verstaan. Enkele heel erg deugdzame jaren overtuigden zijn collega’s om hem unaniem aan te duiden als opvolger van abt Albero die andere horizonten opzocht.
Als monnik in Ter Duinen diende hij als eenvoudige zanger, of hoeveel schoner kan een mens ‘het officie van cantor’ omschrijven? Idesbald ontpopte zich tot een vrolijke en naarstige kerel die zodanig opgeslorpt werd door zijn werk dat hij zelfs vergat van te gaan eten op de voorziene uren. Zijn medebroeders troffen hem dan in het koor terwijl hij aan het zingen was en ze vroegen hem of hij dat dan nooit moe werd.
Hij beweerde dan steevast dan hij minder moe werd van te zingen dan van het nuttigen van spijs en drank. Het was deze devote man die het tot leider van de kloostergemeenschap schopte. Een taak die hij 12 jaar in alle deugd uitvoerde. Tot hij in 1167 overleed in de heer, zoals christelijke mensen dat zo mooi kunnen omschrijven. Zijn kloosterbroeders deponeerden zijn dood lichaam in een loden kist en begroeven hem in hun kerk. Tot zover deze herinnering.
Ik krijg er warempel een tweede flashback bovenop. Eentje van 1237, zeventig jaar na de dood van deze brave man. Om een of andere reden ontgroeven de monniken hun dode abt en stelden ze tot hun verbazing vast dat zijn stoffelijke resten nog altijd goed roken alsof ze nog maar pas gebalsemd werden en rijkelijk besprenkeld met welriekende oliën. Dat oogde heel vreemd.
Vooral omdat ze in 1167 zeker niet vergeten waren om levende kalk aan te brengen in zijn kist zodat het vlees zich vlot zou kunnen scheiden van de beenderen. Een handige tip waar ik niet van op de hoogte was. De abt en de geestelijken van de nieuwe lichting zagen er natuurlijk al direct een teken van God in. Ze versierden Idesbaldus’ lijk nu als een kostbare schat met bloemen en welriekende kruiden.
De kalk vloog uit de kist die ze nu trouwens voorzagen van zes ijzeren verzilverde ringen om hem in de toekomst op zijn minst gemakkelijk te kunnen transporteren. Men wist immers nooit dat dit mirakel misschien ooit wel eens helemaal verzilverd zou kunnen worden om het in dezelfde termen te omschrijven. Idesbaldus kreeg nu zijn plaats in de grond van het kapittel, bij zijn voorgangers-abten.
Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek


