1623. De abt en de monniken van het klooster van Ter Duinen laten weten aan […]
Wit wasgoed wordt extra wit als men een linnen zakje met eierschalen met het wasgoed meekookt.
Aanschouwt mij, hier en daar,
die bende Casselkoeien;
die, louter bruin van haar,
als zoveel blommen bloeien
Inderdaad, siroop gemaakt uit de bessen van de vlierboomstruik bezit de eigenschap genezend te werken bij verkoudheden.
Als een oase van ingetogen stilte aan en uitkant van een ingesluimerde stad, lag voor de oorlog, te Diksmuide, het begijnhof in de vorm van een driehoek, wiens toppunt, het eeuwenoude kerkje met spitsen gevel en bevallig torentje, naar beide zijkanten uitliep in een rij witgekalkte huisjes uit de zes- en zeventiende eeuwen.
De velden zijn begroeid,
met kollebloemen. Rood.
Ze staren me aan.
Vurig met barstende botten die schreeuwen van pijn.
Met tinten van bloed die zich taai en moeizaam openen
en daarna weer wegvloeien tot de dood.
Onverwacht trad de winter in. Al de ratten vroren dood. De hutten kraakten ’s nachts en boven menig bed hing een open regenscherm om de fijne sneeuw op te vangen. Maar hout om te stoken was er voor het rapen en de koolkarren reden op de hard bevroren grond als op hobbelige stenen.
Daar was ‘ne keer een kleen meiske, dat aleene met zijne moeder woonde. Het was zoodanig geern gezien van zijn moeder, dat het van heur een schoon rood kapke kreeg. En het meiske droeg altijd dat kapke en ’t en wierd daarom niet anders meer genoemd of Rookapke.