banner
mrt 15, 2019
2480 Views

Cinema in Veurne

Written by

Sporadisch sijpelden in onze stad ook berichten door over de wonderen van de ‘cinématographe’. Reeds in 1903 hadden de Veurnaars kennis gemaakt met die nieuwe uitvinding. Een echte cinemazaal was er echter nooit gekomen.

banner

Verzet en leute vonden onze mensen in de onderscheiden verenigingen. Deze waren van uiteenlopende aard. Hun bloei ging crescendo en nieuwe gilden staken de kop op. Tussen de talrijke reeds bestaande boldersgilden mengde zich vanaf 1908 de nieuwe gaaibolderskring ‘Zoo gij, zoo ik’ gevestigd in het lokaal ‘De volle Maan’, zich ook in het debat. De aloude schuttersgilde ‘St.-Joris’ verdween van het tapijt in 1906, maar kreeg onmiddellijk een waardige opvolger, nl. de ‘Willem Tell’ met als lokaal de herberg onder dezelfde naam bij waard Comein in de Pannestraat. Het jaar daarop kwam de karabiniersgilde ‘Vrij en blij’ van de grond en vestigde zich bij Pol Godderis in het ‘Hotel du Commerce’.

Men schreef 1910 toen beslist werd tot de oprichting van ‘De jonge Schutters’ die ‘l’Espèrance ‘ als lokaal hadden verkozen. De liefhebbers van de nog niet lang in de mode zijnde vogelpik, deden ook hun duit in het zakje en stichtten een maatschappij in ‘het Spaarpotje’ bij Silvain Van Holme in de Zwarte Nonnenstraat onder de benaming ‘De ware Vogelpikkers’. De vinkeniersgilde ‘ het Vogelengezang is de stem van ons Vermaak’ had reeds sedert lang haar sporen verdiend. Op 13 september 1910 rees echter een nieuwe vinkeniersgilde uit de grond, onder de naam ‘De vrije Kraaiers’ bij Tuur Allaeys op de hoek van de Oude Vestingstraat. Een kegelclub zag het levenslicht op 1 juni 1913 in de ‘Chalet du Boulevard’.

Reeds in november 1905 had een eerste contactname plaats gehad met het doel een ‘Bond der Gewezen Soldaten van Veurne-Ambacht’ op te richten. In 1906 ging men officiëel van start in het lokaal ‘l’Aigle’ op de Marktplaats onder volgend bestuur : voorzitter: Leopold De Bois, oud-officier van de Gendarmerie; ondervoorzitter: Honoré Ruyssen; sekretaris: H. Servranckx; schatbewaarder: H. Van Immerseel; commissaris-econoom: P. Odeyn; commissarissen: A. Notebaert, Is. Ryckewaert, Cassiers, samen met H. Eeckhout uit De Panne en geneesheer Boedts uit Alveringem.

De inhuldiging van het vaandel geschonken door koning Léopold II, gaf aanleiding op 4 augustus 1907 tot luisterrijke feestten. Afvaardigingen van oudstrijdersverenigingen uit het ganse land namen aan de viering deel. De feestrede werd uitgesproken door Generaal-Majoor Graaf Van der Stegen de Putte, bevelhebber der 4de Brigade ruiterij te Gent. Eerste vaandrig werd E. Obeyn. De Veurnaars, niet gewoon dergelijke vaderlandse manifestaties met militair vertoon in hun stad te zien doorgaan, spaarden hun aanmoedigingen niet bij het horen van de marsliederen die het 4de Linieregiment uit Brugge ten beste gaf.

Onder de benaming ‘Flora’ kwam op 4 april 1909 een maatschappij tot stand tot bevordering van de bloemen- sierstruiken- en groententeelt. Op de eerste vergadering in de ‘Rhetorica’ werd volgend bestuur samengesteld: voorzitter: Ernest Draps, hofbouwkundige uit Oostduinkerke; ondervoorzitters: Dokter Verraes en apotheker H. Ruyssen; sekretaris: Oscar Vandereecken; hulp secretaris; boomkweker Miel Knockaert; schatbewaarder: brouwer Gustaaf Vanderstraete; bestuursleden: landbouwingenieur Eug. Quatannens en de hoveniers: Emiel Pil, Flor Seru, Dis David, C. Prinzie en Evarist Dedeurwaerder uit Alveringem. Reeds op 10 oktober van hetzelfde jaar verzorgde de nieuwe gilde een merkwaardige tentoonstelling in het Spaans Paviljoen van eigengeteelde groenten, bloemen en fruit.

Sporadisch sijpelden in onze stad ook berichten door over de wonderen van de ‘cinématographe’. Reeds in 1903 hadden de Veurnaars kennis gemaakt met die nieuwe uitvinding. Een echte cinemazaal was er echter nooit gekomen. In 1900 had-Nesten Allaeys een smidse opgetrokken op het einde van de Zuidstraat, waar zich thans een bekende glashandel gevestigd heeft. Nesten, als vooruitziend man, had oog voor de toekomst en de ontwikkeling van de filmwereld. Boven de smidse bouwde hij een zaal bereikbaar langs een buitentrap, die afwisselend als dans- toneel- en cinemazaal dienst deed. Van 9 tot 15 januari 1914 gingen er de eerste vertoningen door van ‘Quo Vadis’ aangeprezen als: ‘een grote kunstfilm, het grootste succes der wereld in 6 gekleurde delen met 2000 personen en 25 leeuwen’.

Om zo te zeggen gans Veurne trok er naar toe en men geraakte maar niet uitgepraat over het wonderlijke scherm met levende figuren. Onze mensen kenden tot nog toe alleen de lichtbeelden die af en toe in de patronagezalen als ‘den Tap’ en de ‘Germaine’ waren vertoond. Van nu af liet Nesten Allaeys maandelijks een nieuwe film afrollen en hij vaarde er wel bij. Geen enkele zaal in Veurne werd drukker bezocht dan zijn ‘Festa’. De geestelijkheid was minder geestdriftig. Van op de kansel werd regelmatig van katoen gegeven op de verderfelijke invloed van de film. Zelfs het toenmalig Departement van Rechtswezen, schreef duidelijke richtlijnen voor, betreffende cinemazalen:

‘De bewaking moet drieërlei zijn: 1. toezicht over de films die worden ontrold en die zedekwetsende taferelen kunnen voorstellen. 2. Toezicht over de diefstallen die in de cinemazalen worden gepleegd. 3. Bewaking zoo binnen als buiten de zaal om overtredingen tegen de openbare zedelijkheid te voorkomen en desnoods te beteugelen.’

Uit Veurne rond 14-18 van Albert Dawyndt uit 1980

Article Categories:
Veurne 100 jaar geleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *