banner
feb 26, 2019
1720 Views

Naar de kerk om een asschekruiske

Written by

Het ware leugenachtig mijn stadsgenoten van vóór de eerste wereldoorlog met alle deugden Gods te overladen of hen van alle zonden vrij te pleiten. Het tegendeel zou nog onrechtvaardiger zijn. Hun verdiensten wogen ruimschoots op tegen hun onhebbelijkheden.

banner

Veurne voor de eerste wereldoorlog

Het ware leugenachtig mijn stadsgenoten van vóór de eerste wereldoorlog met alle deugden Gods te overladen of hen van alle zonden vrij te pleiten. Het tegendeel zou nog onrechtvaardiger zijn. Hun verdiensten wogen ruimschoots op tegen hun onhebbelijkheden.

Voor het grootste deel waren ze naarstige, vlijtige lui, zuinig en spaarzaam uit noodzaak, verre van gierig, maar toch elke cent tweemaal omdraaiend vooraleer uit te geven. Een eigenschap van ons Vlaamse ras, geleerd van moeder op dochter. En dat was nodig ook want wie voor zijn oude dag geen centje had vergaard en van een karig pensioentje moest leven, kon creperen of kwam in het oude mannenhuis terecht. Er bestond een duidelijk klassenverschil in het Veurne van toen. Je had er de rijke burgerij, die er een meid, dienstbode, hovenier, koetsier en een gouvernante voor de kinderen op nahield, de middenstand die stilaan voet van de grond kreeg en de volksklasse.

Deze laatste maakte de overgrote meerderheid van de bevolking uit, noeste werkers, die door hun stielvaardigheid in de bouwsector terecht kwamen, de boeren bijstonden bij het hard labeur op de velden of in de onderscheiden steenbakkerijen van de streek hun brood verdienden.

Een luttel aantal begenadigden vonden werk in de stad zelf, bij brouwer of bakker of in de enkele ondernemingen welke men toen te Veurne aantrof.

Ietwat ruw van taal en inborst, droegen ze het hart op de tong. Onbesuisd soms in hun uitlatingen, konden ze je het ene ogenblik een schop onder je broek beloven om twee minuten later met een instemmend hoofdknikje hun goedkeuring met je mening te laten blijken.

Hun huisjes waren meestal goed onderhouden en hulpvaardigheid bleek geen ijdel woord. In uiterste nood sprong de een winteravonden werden in de huiskring doorgebracht, de voeten op de stoof met de reuk van de gepofte aardappelen nog in de neus. Licht werd zo weinig mogelijk aangestoken en om brandstof uit te sparen – de armsten kochten één emmer kolen per dag of behielpen zich met brandhout – werd vroeg naar bed getrokken.

In de zomer, na gedane dagtaak, troepten de buren samen vóór de lage geveltjes van hun huizen of lagen languit op de stoepen te redekavelen over ’t weer en ’t werk, tot de tijd voor ’t slapen gaan aanbrak. Na ‘elk een goeien avond’ zocht ieder zijn slaapstede op, want ’s anderendaags wachtte hun een nieuwe lange dag. Van jongsaf diende de “kroette” verdiend. Eenmaal zijn twaalfde jaar bereikt, na zijn ‘Plechtige Communie’ kreeg in menig gezin de jongen een plunje aangemeten en mocht hij met vader optrekken naar het werk of moest hij een stiel aanleren.

De meisjes stonden moeder bij in het vaak kroostrijk gezin, gingen in de leer bij een naaister of verhuurden zich als meid. Slechts de zondagen onderbraken even het dagelijks slameur. De herbergen werden dan druk bezocht. Voor een ‘klute’ kreeg men een pint onder de neus geschoven. Meer gespecialiseerde soorten bier, zoals de Forte-Bruine van de brouwerij Feys-Callewaert uit Roesbrugge, geleverd door Raphael Rabaey aan de Statieplaats en de Oude-Bruine, het Verlende’s bier uit Lo, waarvan een depot gevestigd was in de Noordstraat bij Jules Symoens, kostten iets meer. Diepgelovig als onze mensen waren, werden de kerkelijke voorschriften getrouw nageleefd, maar meteen werd ook geprofiteerd om de traditie van het feestvieren, bij mis- en hoogdagen, in ere te houden.

Het Driekoningenfeest ging haast ongemerkt voorbij, Nieuwjaar had te veel kosten meegebracht. Met Lichtmis kwamen de pannekoeken op tafel, geld of geen geld. Men ging ter kerke om de kaarsen te laten wijden, die daarna bewaard bleven in de linnenkast om bij onweer bovengehaald of bij een overlijden ontstoken te worden.

Op Aswoensdag gingen de huismoeders met hun kinderen naar de kerk om een ‘asschekruiske’. Meteen stond de Vasten voor de deur, tijd om aan de grote kuis te denken. De meeste huisgezinnen hielden zich stipt aan de strenge vastenwet, geen oogje vet op saus of soep, geen snoep voor de kinderen en vlees, dat anders reeds zo schaars werd opgediend, kwam niet eer op tafel. De kostwinner diende zijn buik te vullen met gebakken of gekookte eieren of met een schelle kaas.

Op Palmzondag zag men de kinderen van huis tot huis trekken hun palmtakjes aan de man te brengen. Ieder huisgezin aarde zo’n takje, om, gedoopt in gewijd water, bij ontij de kamers en stallingen te besprenkelen. De boeren plantten vier hoeken van hun velden en weilanden zo’n takje in de grond.

Op Witte Donderdag of Goede Vrijdag volgde minstens één het gezin de Kruisweg door de stad. Een ingetogen stoet van paternosterende mensen, als lugubere schimmen, trok bij valavond langs de verscheidene statiën op boetetocht.

Natuurlijk ging de hoogdag van Pasen niet onopgemerkt voorbij. Eens de kerkelijke plichten vervuld, kwam – na de zes wekenlange vastenperiode – een deugdelijke maaltijd op tafel: bouillie met erwtjes en worteltjes. De kinderen werden verwend met de gebruikelijke paaseieren, een traditie zelfs door de armste gezinnen gevolgd. Een hoogdag als Ons Heer Hemelvaart, in het midden van de week, viel niet zozeer in de smaak, al moest er heel wat op het getouw staan om zich aan de kerkelijke voorschriften te onttrekken.

Maar zo’n hoogdag bemerkende een dag loonverlies wat zwaar doorwoog in de geldbeugel. Geen werk, geen verdienste, was toen immers de leuze.

Des te feestelijker werd Pinksteren gevierd. De Sinksenbruid diende verkozen en weer stond de deegpot op tafel. Veel onkosten bracht dit niet met zich mee. De meeste gezinnen beschikten over een achterkoertje waar wel een paar hennen rondscharrelden, die op dit tijdstip reeds goed legden. Zij die dit voorrecht niet genoten schooiden bij gebuur of kennis een paar eieren af. Een kletske boter kon er wel af en bruine suiker was er meestal in huis voorhanden. ’s Namiddags trok men gezamenlijk met de kinderen ter beêvaart naar Corneeltje te Adinkerke.

En toen kwam de zomer met zijn lange werkdagen van tien tot twaalf uren zwoegen, slechts onderbroken door het feest van Onze Lieve Vrouwhemelvaart op 15 augustus, een welgekomen onderbreking in volle werkperiode. Na het bijwonen van de H. Mis zochten de mannen hun stamcafé op, terwijl de vrouwen zich huiswaarts spoedden om de dis te bereiden. Kort na de middag trok het ganse huisgezin op wandel langs de Vesten, langs ‘Kareltje Stroens’ of luierde langs de waterkant om de talrijke hengelaars gade te slaan. Kortom, een lange namiddag van zalig nietsdoen.

Allerheiligen verliep ingetogen met een bezoek aan het kerkhof, meteen een gelegenheid om vrienden te ontmoeten die men slechts éénmaal in het jaar weerzag. Op Allerzielen trokken de gelovigen, vrouwen en kinderen, kerkwaarts voor het winnen van een volle aflaat voor hun dierbare afgestorvenen. Onderwijl knapten de mannen een noodzakelijk karweitje op in huis of tuin dat geen verder uitstel meer duldde.

De komst van St.-Maarten verwarmde even de kinderhartjes, maar meer dan enkele gesuikerde koekjes bracht hij hen niet. De heilige kindervriend baadde toen nog niet in de weelde van nu.

De spaarcentjes dienden zuinig belegd en week na week geteld en herteld voor ’t vieren van Kerstmis en Nieuwjaar. ’t Was dan immers volop winter en de verdiensten lagen langs de magere kant. Gelukkig diegenen waar in de ‘stande’ nog een stuk van ’t zwijntje stak om de geboortedag van ’t Kindje Jezus te gedenken, na de gebruikelijke zondagsplichten. Kersten en stalletjes en de daarbij horende versieringen, nu in elk huis ingeburgerd, waren toen nog onbestaande. In het beste geval flakkerde een kaars vóór het beeld van de H. Familie.

Na het aflezen van hun nieuwjaarsbrief voor vader en moeder op de eerste dag van het jaar bracht het ganse huisgezin zijn wensen over aan peter en meter, die respectievelijk bedacht werden met een pakje tabak en een hartje peperkoek. De knechten gingen op bezoek bij hun meesters en kregen een. ‘druppel’ en een ‘lukke’ aangeboden.

De gewone processies, zoals de H. Sacraments-, de H. Kruis-, de 0. L. Vrouw- en de Rozenkransprocessie schonken een eigen sfeer aan de stad. Aan de gevels wapperden de vlaggen en achter de vensters flakkerden de kaarsen welke echter onmiddellijk na de doortocht van de processie gedoofd werden. Kapellen, met geschilderde altaren van de gekende Veurnse kunstschilder Georges Verschingel, stonden opgesteld aan de hoek van de Vleeshouwers- en Zwarte Nonnenstraat, vóór het klooster van de Blauwe Zusters, op de hoek van de Ooststraat en het Kaatsspelplein en naast de ingangspoort van het hospitaal.

De schoolgaande jeugd stapte mee op, de meisjes gekleed in het veelkleurig gewaad van een engeltje of een heilige. De jongetjes beeldden een tafereel van de Gewijde Geschiedenis uit of droegen een bordje waarop bedoeld tafereel stond vermeld. De vaders en moeders wezen fier hun kind aan wanneer het zo devotelijk mogelijk voorbijstapte, zijdelings glurend of men het wel had opgemerkt. Bij het naderen van het baldakijn, waaronder het Allerheiligste werd gedragen, omgeven door de deftige fakkeldragers, knielden de toeschouwers eerbiedig neer. Na de doortocht trok men huiswaarts of naar de kerk om zijn kinderen af te wachten.

Slechts één- of tweemaal in hun leven aanschouwden de meesten de jaarlijkse Boet- of kermisprocessie. De vreemdelingen overrompelden op bewuste dag de binnenstad, zodat de gewone Veurnaar zich wat onwennig voelde in al die drukte. Slechts zij die langs de doortocht woonden en hun stoeltjes aan de toeschouwers verhuurden, zaten voor hun bovenvensters de stoet te bekijken. Die dag hoorde immers toe aan de gelovigen uit het omliggende die van ver en nabij kwamen toegestroomd.

Men ging ter beevaart – meestal te voet – naar Steenkerke om genezing van zweren te bekomen, naar Bulskamp of Ramskapelle tegen de ‘livientjes’ of reumatiek, naar Vinkem om de koortsen te bezweren, naar Houtem tegen de ‘roze’, naar Avekapelle tegen tandpijn of om een normale tandengroei bij de kinderen af te smeken, naar Adinkerke tegen de kinderstuipen, naar 0. L. Vrouw van Izenberge of naar Baaldjes Kruis. Laatst genoemde bedevaart werd meest als zondags~ of vakantiewandeling beschouwd. Na het bidden van enkele “Weesgegroetjes” vóór het kapelleke in de duinen tussen St.Idesbald en Koksijde, mochten de kinderen een uurtje in het zand stoeien of pootjebaden in zee, alvorens de terugtocht aan te vatten.

Verre afstanden, zoals naar Hondschote waar gediend werd tegen keel- en hoofdziekten, naar Arneke tegen alle mogelijke ongeneeslijke ziekten of naar de H. Godelieve te Gistel voor ‘zere’ ogen, werden in groep afgelegd. De terugweg geschiedde meestal met koetsen. Welstellenden en zij die minder goed ’te pote’ waren, huurden een pelgrim, die voor een bescheiden vergoeding, in hun plaats de tocht maakte. Het aantal keren dat Jantje Rathé voor geburen, vrienden en kennissen is gaan dienen heeft hij nooit bijgehouden. Geen enkel paadje of wegeltje. dat de afstand inkortte, was hem onbekend. Zelfs op gevorderde leeftijd ging hij nog op stap, de ‘male’ met de nodige proviand op de rug en een knoestige stok in de hand, voor het weren van loslopende honden of om koeien op de vlucht te drijven die hem in de weg liepen.

Het werd hem steeds moeilijker de soms verre afstanden af te leggen zonder een of meerdere rustpozen. Het vertrouwen van de mensen kreeg een lelijke deuk toen men hem eens, fel beschonken in een landelijk cafeetje aantrof, zonder ter bestemming te zijn geraakt.

Verontwaardigd over de afvalligheid van sommige van zijn vroegere klanten liet hij op 2 januari 1907 in ‘De Veurnaar’ volgende ‘annonce’ opnemen:

‘Jean Rathé, Pellerin Bedevaarder tot Veurne. Provincie West-Vlaanderen (Belgique). Ik ben in mijn tweën en tachtigste jaar, er zijn mogelijks personen die peizen dat ik geene verre afgelegen bedevaarden kan doen. Ik heb liever honderd uren te voet te gaan als maar vijf uren, als God mij de gezondheid geeft gelijk nu, want in mijne jonge jaren was ik voyageur in verscheidene gewesten van Europa, zoowel aan de zeeën als er binnen.’

Indien we zijn bericht aan de bevolking mogen geloven, eisen we voor Jantje Rathé een borstbeeld op als de eerste Veurnse globetrotter. Wanneer Jantje’s ster als pelgrim-bedevaarder aan het tanen ging, trad Pol Debergh in zijn plaats naar voor. De eeuwige gang van het leven, de ene komt als de andere gaat.

Veurne geleek een mierennest van bedrijvigheid in die tijd. Er werd veel op straat geleefd en gewerkt. Talrijke schilderachtige beroepen, nu verdwenen, behoorden tot het gewone stadsbeeld. Venters van allerlei pluimage en meestal vreemd aan de stad vielen ‘alle vijf voeten’ de bewoners lastig om hun waar aan te prijzen. Hun opdringerigheid leidde vaak tot scheld- of zelfs vechtpartijen. Op de vele klachten van neringdoeners en burgers reageerde de stedelijke overheid met het heffen van taksen op het verkopen op straat. Het leuren was tot dan toe taksvrij geweest. V

Naast de talrijke bakkers, trokken ook de melkleursters Pietje Maeckelberg, Eugenie Debergh en Léonie Verplancke dagelijks op ronde. Met hun hondekar waarop de gepoetste koperen melkstopen blonken, belden zij bij hun vaste klanten aan. Bij afwezigheid stond in een hoekje van het deurgat een pannetje met deksel klaar.

Miel Debacker, de petrolemarchand meldde zijn komst aan bij middel van een bel op zijn karretje en met de uitroep: ‘Moet er gin petrolle zîe’n?’ Slunzen marchands zoals Henri De bal, Gusten Dufour en Fielle Verhulst liepen, met hun hondekarren, waarop de ‘bascule’ schommelde of met een zak over de schouders de huizen af om oude vodden, benen, ijzer of keunevellen op te kopen.

Bij een sterfgeval deden de lijkbidders, Hector Backere en Henri Gesquiere de mare bij de geburen, vrienden en kennissen van de overledene om hun eenzelfde eentonig deuntje af te ratelen: ‘Er wordt gebeden voor de zielerust van (meneer …. of madame …. ) gisteren overleden en …. aanstaande om …. ure te begraven’.

En Sieche Kesche die zijn ‘lapjesnaam’ dankte aan zijn kaarsrechte houding, kon je van bij het ochtendgloren ontmoeten met ‘Het Nieuws van den Dag’, toen het enige dagblad in Veurne te verkrijgen. Tweemaal per week, op woensdag en zaterdag, trok hij zelfs te voet naar Bulskamp en De Panne. Tijdens de marktdagen en na de hoogmis deed de liedjeszanger zijn toehoorders huiveren bij het laten horen van de gruwelijkste moordliederen, afgewisseld met een komisch- liefde of modeliedje.

Typerend voor onze mensen was niet alleen hun werklust, maar ook hun drang naar hoger op, naar wat meer welstand, die zij tot nog toe hadden moeten ontberen. ·Tussen de reeds gevestigde grote handelszaken mengden zich aldus de éénmansbedrijfjes, de kleine middenstanders, die zich tijdens de latere jaren met noeste arbeid stilaan zouden opwerken. Meer en meer arbeidersjongens trachtten op eigen benen te staan en begonnen, eens een gezin gesticht, voor eigen rekening te werken. Ten nadele soms van plaatsruimte en comfort werd een kamertje ingericht om winkelwaar of eigengemaakte produkten tentoon te stellen. Veelal vermeldde een houten uithangbord boven het venster of de voordeur de bedrijvigheid van de uitbater.

In afwachting dat de klanten kwamen opdagen was niet veel meer nodig om als zelfstandige op te treden. Ieder op zijn manier trachtte aldus aan de kost te komen of iets bij te verdienen en meestal werd ook moeder de vrouw rechtstreeks bij de uitbating betrokken.

De Veurnse weekbladen deden er hun voordeel bij op. Regelmatig verschenen aldus korte berichtjes van stielmannen die op hun eigen begonnen en de lezers als cliënten trachtten te lijmen of van herbergiers die van uitbating veranderden. Zowel ‘De Veurnaar’ als ‘Het Advertentieblad’ boden daarbij in een afzonderlijke rubriek hun lezers – herbergiers de gelegenheid aan, gratis hun activiteiten te vermelden.

Ik laat je even monkelen bij het lezen van onderstaand stukje proza, dat August Depagie, waard uit ‘De Vink’ in ‘Het Advertentieblad’ van 21 september 1906 liet opnemen:

Leute! Leute! Gusten Page, die in De Vinke weunt lanst de Pannekochie, dout en oproup an ol ze kennissen van Veuren en ’t omliggende, om Zundage 27 September ’s achternoens te vieren en zuen Hagefeeste te kommen biweunen, deur nuens aangeboon aan zuen vrienden, en di go bestaan uit alle soorten van leutige priskampen lack : Papeten mei stokches, appeltjeknap, velokoursen, ringsteken mi è puupegalle, patattenrapen, eiersslaan, vugclpikken, schuven, enz. ’t Con groote pinten zin en van ’t beste bier ! Zegget julder e bitche vors ost je blieft.

En Gusten sloeg de nagel op de kop. ’t Liep storm in ‘De Vink’op bewuste dag en het bier stroomde de keelgaten in en de deuren uit.

–

Uit Veurne rond 14-18 van Albert Dawyndt – publicatie van Heembibliotheek ‘Bachten de Kupe’ uit 1980 –

Article Categories:
Veurne 100 jaar geleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *