Poperinge. Een verordening van 1573 benadrukt nog eens het belang van het onderwijs: ‘al de ingezetenen van deze stad en heerlijkheid welke van de dis leven, moeten hun kinderen iedere zon- en feestdag, zowel meisjes als knechtjes ouder dan vijf jaar ter voorzeide scholen sturen op straffe van het verlies van hun steun.
Ze moeten onderwezen worden en met alle mogelijke middelen weggehouden worden van de straat, “tryffelinge” en spel die de kinderen van jongs af aan alleen maar verleiding en verderf bezorgen. De meesters moeten goed bijhouden welke kinderen er op de rol staan en moeten zorgen dat er gewerkt wordt aan goede en naarstige kinderen die beschikken over een discrete zoetigheid. Traagheid, weerspannigheid en kwaadwilligheid moeten bestraft worden met de roede.’
De overheid beslist al sinds 1550 welke boeken er al dan niet mogen gelezen worden. Op 21 april 1571 worden de duimschroeven nog wat verder dichtgedraaid. Het wordt verboden voor alle kinderen om te spelen in kerken, kapellen, kerkhoven of andere gewijde plaatsen. Op straffe van 7 schellingen voor de ouders of de meesters en de kinderen zullen op een strikte manier gevangen worden gezet waar ze door de wet hun straf zullen krijgen.
Omdat de kinderen ook om geld spelen en dat dit erg slecht is voor hun ‘zelfverderfenis’ en hun ‘kwalijkvaren’, wordt bijvoorbeeld het spel van de ‘mockepit’ verboden. Ik heb het hier over een knikkerspel waarbij kinderen een kuiltje (een ‘mok’) in de grond maken en er proberen om daar knikkers van hun vrienden in te spelen.
De term ‘schurftige schapen’ duikt nog eens op. Deze rotte appelen moeten absoluut verwijderd worden uit de mand van de goede appelen. De schurftige schapen moeten afgehouden worden van de gezonde kudde. Herbergiers en hoteliers worden verplicht om de namen te noteren van mensen die bij hen overnachten. Er mag niet meer verhuurd worden aan vreemdelingen die geen keurbroeders of -zusters zijn tenzij ze hun namen en voornamen aan de overheid doorgeven. De kwaliteit en de integriteit van de huurders moet voorafgaandelijk gecontroleerd worden met een attest van de pastoor waar ze vandaan komen en ‘op peine van uitgezet te zijn buiten de stede.’
Het wordt ook verboden om enige man of vrouw in dienst te nemen die de Poperingse keure niet heeft onderschreven en dan nog met een attest nopens haar of zijn kwaliteit en geloof. Zo moet Janneken Luysseunes op 2 mei 1592 een eed afleggen vooraleer ze als vroedvrouw kan worden aangenomen. Maar hoe je het ook draait of keert; de Poperingenaars laten zich rond die tijd al lang niet voor de gek houden door de katholieke pastoors met hun trukendozen en hun heiligen.
Juliaan Opdedrinck stelt het tot zijn grote spijt zelf vast: ’ten gevolge van de godsdienstgeschillen was, ter stede, de eerbied voor het huis van God en de ijver voor het vieren van zon- en heiligdagen merkelijk verminderd. Daarom vaardigde het magistraat op 1 juni 1590 een verordening van wel achttien artikelen uit.’
Een hele waslijst van termen als ‘god almachtig’ en ‘here gods’ en ‘heilige en apostolische kerk’ allemaal bestemd voor de al dan niet godvruchtige lieden van Poperinge. Het is maar al te duidelijk dat de bisschop van Ieper er de hand in heeft. Een verordening van 25 september 1560 is veel interessanter. ‘Het is voor jong en oud verboden om te kaatsen, te bollen, te schieten, te knikkeren of enig ander spel te spelen, “zangerijen” te doen of voor te stellen op markten, straten of openbare wijken.’
Mochten de mensen toen eigenlijk nog iets anders doen dan werken, jaknikken en naar de kerk gaan? De volgende tien jaar zal het verordeningen van dergelijk allooi regenen. Zelfs in de tavernes mag er niet gespeeld, gekaart of gedronken worden terwijl er in de kerken gepreekt wordt of terwijl de goddelijke diensten aan de gang zijn.
Er komen altijd zware boetes bij kijken. De mensen moeten al schrapen om rond te komen maar daar hebben de schepenen geen oren naar. God en kerk tellen, de rest kan stikken. Die wetgeving voor de cafébazen laat trouwens weinig aan de verbeelding over. Zo het volgende voorbeeld: ‘het schependom beveelt ook tavernes en herbergen te sluiten tijdens dezelfde tijd van goddelijke dienst of predicatie en hun “vaetkens’ in te houden.’ Op zon- en feestdagen moeten alle winkels dicht. ‘Geen winkelhouders konden nog hun winkels en vensters openhouden of er waren tentoonstellen op boete van 20 schellingen.’
Nog zo’n idiote wet is deze van 19 augustus 1573. ‘Wanneer overdag de heilige gerechten naar een stervende moeten worden gedragen, zijn de bloedverwanten van de zieke verplicht de zes naastwonende buren te vermanen, dat die, zowel binnen als buiten de stad, in het gaan en in het keren de priester zullen vergezellen, op een boete van 3 ponden en arbitraire correctie. ’s Nachts zal de priester door zes mannen van de wake opgeleid worden.’
Veel Poperingenaars zoeken wat steun bij een glaasje brandewijn. Maar in 1596 wordt ook hier paal en perk gesteld. ‘Omdat er meer en meer problemen ontstaan door het drinken van gebrande wijn, bijzonder op zondagen, heilig- en vastendagen en dagen waar de aanwezigheid gewenst was bij de preken en te bidden voor onze moeder de heilige katholieke christenkerk, wordt er verboden brandewijn te verkopen na 9 uur. De brandewijn mag maar te koop gesteld worden op de markten en openbaar langs de straten.’
Opdedrinck snijdt hoofdstuk dertien aan. Hij zal het eens hebben over de vorst. Hij bedoelt hiermee Filips II, de Spaanse zoon van keizer Karel en grote baas over de Nederlanden. Filips zien ze niet veel hier. Hij laat het bestuur in de Nederlanden over aan een hele trits landvoogden. Eerst is er Margaretha van Parma die opgevolgd wordt door respectievelijk Alva, Don Juan van Oostenrijk, Lodewijk van Requesens en prins Alexander Farnese. Al die prinsen worden hier in het verraderlijk bad van de ketterij en geuzenrebellie gegooid. Maar welke is betrokkenheid van de koning zelf?
Ik val maar meteen met de deur in huis. Filips II is een gevaarlijke en oerkatholieke kwezel. Alleen God is verantwoordelijk voor het geestelijk welzijn van de mensen. Ketters begaan misdaden die erger zijn dan die van moordenaars en gifmengers. Want ze doden de ziel. Hij zou liever zijn landen kwijtspelen dan door te gaan als de vorst van ketters en liever sterven dan iets te doen dat tegen zijn eer en faam indruist.
Uiteraard is het katholiek geloof de enige staatsgodsdienst en elke vorm van ketterij die hier tegen ingaat moet met strenge edicten aangepakt worden. Onderpastoor Opdedrinck kan het maar matig appreciëren dat de koning omschreven wordt als ‘de duivel van het zuiden.’
Hij kan er niet bij dat deze kloekmoedige verdediger van het katholiek geloof zo maar wordt verguisd. Zouden ze beter niet kijken naar deze Maarten Luther die paus en kerk met de afschuwelijkste namen heeft vereerd en daarmee de weg voor de rest van de beschimpers heeft gebaand? Was deze Spaanse vorst werkelijk wreedaardig? Van zichzelf beweert hij dat hij liever geen bloed zou vergieten, maar hij doet wat hij moet doen. Met wat fantasie kan ik die laatste zin ook toepassen bij een of andere beul van de Islamitische Staat. Per slot van rekening is het wel deze Filips die de inquisitie heeft ingevoerd in de Nederlanden.
Het was allemaal zijn plicht, stelt Juliaan. Heel zijn leven heeft hij gestreden voor God en zijn kerk. Ik bekijk het toch wel even anders. Als koning Filips II op 13 september 1598 sterft, kleeft er wel heel veel bloed aan zijn handen. Volgens de principes van zijn eigen geloof zou hij zeker dik gebuisd zijn voor zijn toegangsexamen richting hemel. In de Westhoek prevelen ze natuurlijk alleen maar goed voor de dode koning. De Poperingse stadsrekening van 1598-1599 heeft het over enkele kostenposten voor een plechtige uitvaartdienst voor de zielrust van de Spaanse vorst.
En dan zijn er al die soldaten, Spanjaarden en anderen. Allemaal opgetrommeld om de rust te doen terugkeren maar die op hun beurt meer kwaad doen dan goed. Wat een belasting betekenen ze toch voor het land! Hele benden soldaten arriveren op elke mogelijke uren in de Vlaamse steden om er zich te vestigen of er voor enige tijd te verblijven. Het hoofdgarnizoen bevindt zich in Oostende en van daaruit lopen de vreemde soldaten Vlaanderen rond, voeren ze aanslagen uit op steden en dorpen, nemen ze soms de gegoede burgers gevangen om ze dan tegen betaling van enorme losgelden weer op vrije voeten te brengen.
‘Onze noeste wevers verlieten hun moederstad en zo ging de oude lakenhandel te kwiste. Op het grondgebied van Poperinge lagen uitgestrekte landerijen er verlaten en onbeploegd bij, terwijl hongerige wolven door de woeste akkers en bossen zwierven. Langs de openbare wegen bestond er voor de reiziger geen veiligheid meer.’ Tot overmaat van ramp is het de bevolking die moet instaan voor de soldij van de vreemde soldaten. Een toestand die vanaf 1580 leidt tot een lawine aan extra kosten en belastingen.
Poperinge gaat door de knieën onder de aanhoudende en altijd maar verhogende krijgslasten en blijft er uitgeput en in ellende gedompeld achter. En dan heb ik het nog niet gehad over de zedelijke last die de oorlogslieden uit verschillende landen aan de inwoners berokkenen. Het merendeel betreft het Spanjaarden die door de Vlamingen maar met een scheef ogen bekeken worden.
De Spaanse soldaten zijn meestal besmet door een of andere geslachtsziekte die door de bevolking ‘de Spaanse ziekte’ wordt genoemd. Een ziekte die natuurlijk overgedragen wordt op nogal wat Poperingse meisjes. Meestal gebeurt dat tegen hun zin, want de lokale vrouwen worden niet graag beschuldigd van intimiteiten met deze vuile Spaanse bezetters.’
‘In Vlaanderen bleef er rond 1595 nog één stad, Oostende, het vijandelijk juk dragen’. Oostende heeft rond 1570 de kant gekozen van de Nederlandse protestanten in hun strijd tegen de Spaanse dictatuur van het katholiek geloof en is dus met het jaar 1600 in zicht nog altijd een bolwerk van de geuzen, Nederlandse en Engelse soldaten gebleven. In de rest van Vlaanderen heersen de Spanjaarden en de katholieken.
Ik begrijp meteen waarom Opdedrinck het heeft over een vijandelijk juk. Ik laat hem even uitspreken: ‘de soldaten van de Oostendse bezetting deden aanhoudende uitlopen op de bodem van Vlaanderen en verspreidden vrees en schrik in steden en dorpen. Ze zorgden voor grote onrust bij de inwoners van het Poperingse grondgebied. Niet zomaar een korte periode maar voor een tijdspanne van vijftien jaar!’
De oorkonden van die dagen omschrijven de rondzwervende soldaten als ‘rovers, geboefte, bosboeven, vrijbuiters, lopers of de vijand’. ‘Die erge vijand was te vrezen. Des te meer daar hij, in diverse benden onderverdeeld, hier en daar rondzwierf en zijn misdadige ontwerpen vooral overnacht uitvoerde en er zijn weerloze slachtoffers mee verraste.
Men bespiedde aanhoudend de rovers langs al hun wegen en vervolgde die overal waar het mogelijk scheen. Soms viel er al eens een of andere vrijbuiter in de handen van de gerechtsdienaars, maar ondanks hun pogingen om vijandelijke aanslagen te voorkomen, slaagden de rovers er in om Poperingenaars te ontvoeren en naar hun roversnest mee te slepen.’
Ik krijg enkele voorvallen te lezen. Een relaas van namen en data. Ik houd even halt in juli van 1589 wanneer de Poperingse burgemeester, de hoofden van het magistraat en twee schepenen in de strikken raken van de vrijbuiters. Een tijding die de inwoners nog meer verbittert en hen aanspoort om zich extra te bewapenen tegen deze laffe booswichten. De helse periode zal nog duren tot in 1600 wanneer Spaanse legerbenden de stad Oostende zullen omsingelen en na een heldhaftige strijd dit roversnest zullen binnenvallen en uitroeien.
De ellende achteraf is niet te overzien. Het zijn vijftien loodzware jaren geweest voor de Poperingenaars en hun buren. Nooit enig zicht op beterschap met daarbij het opdrogen van de bron van alle inkomsten; de lakenweverij is zo goed als verdwenen. De oude geschriften weerspiegelen het verdriet van Poperinge tot diep in hun poriën. Ze hebben het altijd weer over het verval van de nering en de populatie en de onmacht om nog markten te organiseren en hun belastingen te betalen. De abt van Sint-Bertinus en de ontvanger van West-Vlaanderen moeten wachten op hun centen. In 1590 wordt er geen enkel laken geproduceerd en de volgende jaren volgt er geen beterschap.
Bij de landbouwers is het ook allemaal kommer en kwel. ‘Bij de Coppernolle, ligt het land dat toebehoort aan de Sint-Janskerk en door de stad gepacht wordt, er vaag en zonder cultuur bij. De overdrachten van het Reepkens en in Westvleteren met hun bijhorend land zitten zonder pachter. Een algemene toestand van ‘zonder pacht en zonder cultuur’ die ervoor zorgt dat er geen ontvangsten zijn. ‘Op de verlaten landerijen en in de wouden, krioelden benden verhongerde wolven die mensen en dieren aanvielen. Soms richtten de “weyenaars” klopjachten in, daardoor aangespoord omdat het schependom hen een premie van drie pond per wolf en zes pond per wolvin beloofde.’
In het jaar 1599 worden er zestien wolven gedood in de bossen van ‘den Brabant’ of in de wouden langs Woesten, Krombeke en Westvleteren. ‘Het was voorwaar niet aantrekkelijk zich ergens op reis te begeven in de Westhoek. Men liep telkens het gevaar om in aanraking te komen met hongerige dieren of met onmenselijke baanstropers. De magistraten, krijgsoversten en vooral de geestelijken werden op hun tochten door een lijfwacht vergezeld. Zo begeleidden tien soldaten de pastoor van Sint-Bertijns en zijn goederen op zijn trip van Steenvoorde naar Poperinge in de meimaand van 1584.’
En dan al dit zedelijk verval. Juliaan Opdedrinck heeft het er zichtbaar moeilijk mee. ‘De verleidelijke grondstelsels van de protestantse leer die aan de driften hun vrije teugels lieten vieren, de gevaarvolle gemeenzaamheid tussen de ingezetenen van de stad met de vrijlevende krijgslieden van alle soort en slag. De verderfelijke tuchteloosheid had ervoor gezorgd dat het voorvaderlijke geloof en de christelijke zeden in veel harten uitgedoofd waren. ‘De sporen van al dat zedelijk verval zijn nog vers in de Poperingse oorkonden met uitspraken langs hier en vervolgingen langs daar.
Zo reizen burgemeester Lodewijk Makeblyde en zijn schepen Willem de Vos in oktober 1588 naar Ieper om juridisch advies in te winnen rond het proces van twee kinderen die geweld gepleegd hebben op een Ieperse Minderbroeder die te Poperinge bij de inwoners om aalmoezen bedelde. In 1598, 1599 en 1600 worden er drie moorden gepleegd. De eerste langs de Elzenbruggestraat, de tweede bij herberg de Leene en de derde in de nabijheid van de Onze Lieve Vrouwkerk.
Hoe de Poperingse rechters denken en handelen, ondervindt Martin Tellier. Hij heeft na het luiden van de avondklok (de wingeroen) bij nacht gegooid met stenen, lawaai en ambras gemaakt, de rust van de gemeente verstoord en zich weerbarstig gedragen tegen de officieren van justitie die hem wilden oppakken. Ongetwijfeld een sujet met een stuk in zijn voeten die dan nog zo dwaas blijkt om te spotten en te zeveren tegen de ambtenaren van dienst. En als er in de zakken van zijn jas nog een ‘penneke met brievekens waarop allerhande superstitieuze snoodheid te lezen staat’ gevonden wordt, weten de officieren het wel zeker: deze man is van plan om ‘dieverie’ of ongeoorloofde zaken uit te richten.
Ik kijk reikhalzend uit naar het oordeel van de rechters. Bij Martin Tellier zal dat ongetwijfeld met de grootste angsten zijn. ‘Op een marktdag leiden twee dienaren hem naar de markt en binden hem voor een uur aan de schandpaal. Naast hem ontsteekt men een vuur waar het penneke en de superstiueuze papiertjes verbrand worden. Martin moet dan op zijn beide knieën smeken dat God en de wereldlijke rechters hem vergiffenis willen schenken.
Hij wordt verplicht om een nieuw verhemelte voor de predikstoel van de St.-Janskerk te vervaardigen, twee rasieren koren te bezorgen aan de armen en de proceskosten te betalen.’ En alsof dat nog niet allemaal genoeg is, wordt de man voor tien jaar verbannen uit de heerlijkheid van Poperinge.
Dit is een fragment uit Boek 7 van De Kronieken van de Westhoek


