Het ooit zo bloeiende gildeleven is al ferm afgezwakt. Ik heb het over de kamers van retorica. Een gevolg van de godsdiensttwisten. Toch wel interessante info om de opmars van het calvinisme in de Westhoek te situeren. Er is al sprake van de nieuwe religie in het jaar 1539. Verrassend vroeg. Tijdens het groot ‘landjuweel’ die gehouden wordt te Gent merkt men dan al dat een aantal gilden doordrongen zijn van de hervormde leer.
Of dat het geval is bij de gilden van Nieuwpoort laat René Dumon in het midden. De Spaanse overheid begint in alle geval de gilden te wantrouwen en vraagt aan de lokale stadsbesturen om streng toezicht te houden tijdens hun opvoeringen. In 1551 beslist het magistraat van Nieuwpoort dat er geen vreemde gilden welkom zijn tijdens de opvoeringen ter gelegenheid van de Sint-Jansprocessie. Als argumentatie wordt verwezen naar de troebele tijd. In 1552 zijn vreemde gilden dan weer wel welkom.
De opkomst is niettemin mager. Alleen de rederijkersgilden van Eecke, Alveringem, Belle, Izenberge, Adinkerke, Ieper, Poperinge en Veurne bieden zich aan. Twintig jaar later valt het helemaal stil. De toestand is in 1572 zo sterk gespannen dat er na de ommegang geen sprake kan zijn van spelen en optredens. Bij de ’ten ommeganghe’ stappen de gilden nog met grote kaarsen en toortsen mee in de processie om achteraf elk in hun toegewezen plaatsje in de kerk de mis te celebreren. Het etentje en de gebruikelijke spelen achteraf gaan echter niet door.
In 1584 worden de gilden van retorica van hogerhand verboden en afgeschaft. Koning Filips II acht ze nutteloos. De tekst van het decreet verraadt de werkelijke reden. De gilden verspreiden veel te vaak nieuwe en foute doctrines. Ze staan veel te goedgunstig tegenover de ‘opinions et nouveautés pernicieuses qui ont produit beaucoup de scandales, mechans exemples et fausses doctrines’.
In 1575 wordt er een nieuwe kalender ingevoerd. De start van elk nieuwe jaar verhuist nu van Pasen naar 1 januari. Iets wat administratief voor de nodige verwarring zorgt. Eerder is er al een hertekening gebeurd van de bisdommen in de streek. Nieuwpoort behoorde altijd al tot het bisdom met Terwaan als hoofdstad. Maar die stad werd in 1553 in opdracht van wijlen keizer Karel verwoest en afgebroken.
Het vroegere bisdom wordt nu onderverdeeld in drie nieuwe bisdommen; Bonen, Sint-Omer en Ieper. Een beslissing die paus Paulus IV in 1559 neemt nadat Veurne tevergeefs geprobeerd heeft de plaats van Ieper te bemachtigen. Paus Pius IV bekrachtigt deze beslissing op 11 maart 1561. Martinus Rythove neemt bezit van zijn Ieperse zetel op Sint-Maartensdag van 1561. Voortaan vallen Veurne en Nieuwpoort nu onder het bisdom van Ieper.
Het decanaat Nieuwpoort bestaat voortaan uit Booitshoeke, ‘s-Heer-Willemskapelle, Sint-Joris, Sint-Catharinakapelle, Oostduinkerke, Ramskapelle en Nieuwpoort zelf. ‘Nieuwpoort wordt een kapersnest’. De kop van het nieuwe hoofdstuk is veelbetekenend. De oorlog blijkt nu toch wel akelig dichtbij. In 1575 komen de Engelse kapiteinen Willem Cotton en Henry Carew opnieuw in beeld.
Ze beschikken dan elk over een vijftal goed bemande en wel bewapende oorlogsschepen die ze voor eigen rekening uitbaten. Cotton en Carew stellen zich ter beschikking van de Spaanse gouverneur van de Nederlanden. Dat is Don Luis de Requesens. Ze zullen voor hem jacht maken op de Hollandse schepen die de scheepvaart op zee voortdurend bemoeilijken. De Hollanders proberen systematisch een blokkade van de Vlaamse havens tot stand te brengen. Het opjagen van de Hollandse vloot zal Requesens niets kosten, de Engelse kapiteins stellen zich tevreden met de opbrengst van wat ze op zee kunnen kapen van de vijand.
Op 11 april 1575 stemt Requesens toe. Hij ondertekent de zogezegde ‘marktbrieven’ waarbij Cotton en Carew gemachtigd worden om jacht te maken op zee. Het duo mag daarbij vrij gebruik maken van alle Vlaamse en andere havens die aan Spanje onderworpen zijn. Ze mogen er vrij het gestolen goed laden en lossen en er zich bevoorraden. Het lijkt me evident dat vooral thuisbasis Nieuwpoort de allure krijgt van een kapersnest. Blijkbaar hebben ze daarbij een en ander afgekeken van buurhaven Duinkerke.
Al bij al zijn de maatregelen van Requesens toch wel niet erg koosjer. Dit officieel attest om de piraat te spelen heeft natuurlijk alles te maken met de oorlog. En daarbij komt zeker ook de overweging dat de oorlogsschepen van Cotton en Carew zich engageren om tezelfdertijd al de Vlaamse, Spaanse, Engelse schepen te beschermen als ze willen gebruik maken van de Vlaamse havens.
Requesens beseft natuurlijk dat hij heel ver gaat met deze beslissing. Hij legt de kapiteinen daarom enkele voorwaarden op. Ze dienen trouw te zweren aan de Spaanse koning, Engeland met rust te laten en hun acties te beperken tot de rebellen van Holland en Zeeland. Alles dient te gebeuren in overleg met de baljuws van de Vlaamse havens. Alle gekaapte goederen dienen binnen de maand verkocht te worden waarbij tien percent van de waarde moet afgestaan worden aan de staat.
Met hun marktbrieven in handen schieten Cotton en Carew al meteen stout en vastberaden aan het werk. Het duurt niet lang voor de eerste gekaapte Hollandse schepen in Nieuwpoort arriveren. Maar nog diezelfde zomer is er al sprake van dat ze ook oosterse schepen aanvallen en beroven. Vertrokken vanuit Baltische havens met koopwaar aan boord voor Vlissingen en Middelburg en dus a priori vriendjes van Oranje.
Enfin, dat beweren ze hier in Nieuwpoort. ‘Niets van’, beweren hun afgevaardigden, ‘de marchandise was bestemd voor Vlaanderen en Antwerpen.’ Er komt een officiële klacht tegen deze gang van zaken. Op 12 augustus 1575 beslist het stadsbestuur om een officieel onderzoek in te stellen en blijven de koopwaren voorlopig in verzekerde bewaring. De lokale autoriteiten kijken voortaan wat nauwkeuriger toe naar de gekaapte schepen die in de haven van Nieuwpoort binnenvaren. Er wordt nu telkens gevraagd of iemand iets in te brengen heeft tegen Cotton & Carew met betrekking tot de vangst.
De vangst wordt nu slechts vrijgegeven na een wachttijd van acht dagen. De schippers van de oorlogsschepen worden ook bij elke vangst verhoord door de burgemeester en de schepenen van Nieuwpoort. Die schippers zijn ook bij naam gekend. Op de ‘Grootenbrouck’ is het Mettaert Reyniersseune en op de ‘Schellynckhout’ zwaait Adriaen Jansseune de scepter. De scheepspapieren worden telkens gecontroleerd. Er wordt nagegaan of het kapen van de schepen, bemanningen en koopwaren naar rechte is gebeurd en of niemand zijn boekje te buiten is gegaan. Pas daarna wordt alles aangeslagen ten voordele van Cotton en konsoorten.
De pseudo-illegale acties op zee hebben natuurlijk één groot voordeel. De Hollandse droom om de Vlaamse havens in een blokkade te persen is nu slechts maar een ijdele droom geworden. De Noordzee blijft toch wel gevaarlijk maar de bevriende schepen kunnen ten minste nu weer de havens van Nieuwpoort en Oostende in- en uitvaren. Met dank aan het Engelse kapersnest van C&C.
Lang zal deze toestand trouwens niet duren. Dumon laat al even in zijn kaarten kijken maar hopt dan al verder om even het onderwijs van die dagen onder de loep te nemen. De stadsschool is nog altijd actief in elk geval. Het ‘Kamerboek’ van 1569-1573 heeft het over enkele maatregelen die getroffen worden op verzoek van de bisschop van Ieper en met de toestemming van de hertog van Alva, de toenmalige gouverneur van de Nederlanden. Alle vaders en moeders van jonge kinderen vanaf zeven jaar zullen hun kinderen op zon- en feestdagen naar het gasthuis moeten sturen om daar geloofsonderwijs te krijgen. Dat geldt echter niet voor kinderen die al tijdens de week van dit onderwijs genieten. Het stadsbestuur focust zich dus duidelijk op kinderen die tijdens de week niet naar school gaan.
Ik begrijp in elk geval dat deze verplichting er komt omdat de hervormde leer nu al fel is doorgedrongen in de Nieuwpoortse hoofden en dat er dringend moet gewerkt worden aan een correctie in de richting van het vertrouwde katholicisme. In het jaar 1576 verandert er hoe dan ook veel in Nieuwpoort. De kaperstoestanden en de bijlessen van godsdienst komen er al direct op de helling te staan.
De strijd tussen noord en zuid, tussen calvinisme en katholicisme blijft voor beroerde tijden zorgen. De godsdienstige twisten zorgen voor een verergering van de toestand. En dat heeft in grote mate te maken met de talrijke buitensporigheden en opeisingen waar de Spaanse soldaten van hertog Alva zich schuldig aan maken. Zowel de katholieken als de protestanten komen er tegen in het verzet. Dat betekent concreet dat de Vlamingen en de Hollanders zich plots gaan keren tegen één gemeenschappelijke vijand; de Spanjaarden en hun koning Filips II.
Er ontstaan dus verrassend genoeg onderhandelingen tussen de zuidelijke (katholieke) en de noordelijke (protestantse) provincies. De Spaanse overheid wordt niet betrokken bij dit overleg. Op 8 november 1576 sluiten de afgevaardigden van alle staten (op enkele uitzonderingen te na gesproken) een deal. Het verdrag raakt bekend als ‘de pacificatie van Gent’.
Willem, de prins van Oranje stemt er ook mee in en verrassend genoeg doet de Spaanse gouverneur dat ook. Ik heb het over Don Juan die Alva nog maar kort geleden heeft vervangen. Het pact legt de nadruk op godsdienstige verdraagzaamheid. Alle vijandelijkheden worden meteen opgeschort. De soevereiniteit van de Spaanse koning blijft erkend, maar de prins van Oranje zal de verdediging van de Nederlanden voortaan op zich nemen.
Daar hoeven de Spanjaarden niets meer voor te doen. Hun troepen dienen het land te verlaten en als het niet goedschiks gebeurt zullen ze met geweld uitgedreven worden. Aan de pacificatie van Gent hangt een verraderlijke angel aan vast. Willem van Oranje weet wat onderhandelen is. Het noorden wil best helpen om de Spanjaarden uit het land te kegelen. Maar wie garandeert hem dat Vlaanderen zich achteraf niet tegen hem zal keren?
Er moeten garanties komen dat de overeenkomst zal nageleefd worden. Oranje eist dat Vlaanderen hem de Vlaamse havens van Nieuwpoort, Duinkerke, Grevelingen en Oostende als onderpand van de deal in het bezit moet stellen. Hij dringt er op aan dat deze havens door Hollandse troepen mogen bezet worden als waarborg dat de zuidelijke provincies de bereikte overeenkomst zullen respecteren.
De Hollanders accepteren wel dat de bezetting van tijdelijke aard zal zijn. Voor Nieuwpoort valt de bijl al direct. De stad wordt al bezet nog voor de ondertekening van de overeenkomst. Het is de eerste vreemde bezetting sinds die van 1383 wanneer de Engelsen de stad hadden ingenomen. Dat gebeurde in de nasleep van het beleg van Ieper.
Dit is een fragment uit Boek 7 van De Kronieken van de Westhoek


