De Romeinen laten stilaan het bestuur over aan de Franken en verlaten het land. Een eerste tijdperk van grootheid en imperialisme is definitief voorbij. Aanvankelijk is er nog sprake van veel verschillende Frankische stammen maar vanaf de 5de eeuw verenigen de Franken zich onder één Merovingische noemer met Clovis als grote heerser.
De naam Merovingers komt trouwens van Meroveus, de grootvader van Clovis. In 496 laat Clovis zich bekeren tot het christendom. De Frankische heersers zijn nu overtuigd christen en stimuleren een ketting van missieactiviteiten om de inheemse bevolking te doen afzien van hun heidense geloof en zich te bekeren tot de leer van Christus. Predikmannen zoals Willibrordus en Bonifatius worden niet altijd met open armen ontvangen. Chrysolius zal dat wel hebben ondervonden. In 484 bekoopt hij zijn predikinspanningen te Komen met de dood. St. Elooi en St. Amand krijgen het niet altijd gemakkelijk maar hoe dan ook geraken de oude gewoonten in onbruik. De bevolking kan trouwens weinig anders dan gehoorzamen.
Sinds de bekering van Clovis zijn kerk en staat één pot nat geworden. De eenvoudige mensen worden overdonderd met de vrees voor God en de dreiging van de hel. Je zal voor minder door de knieën gaan. De nederzettingen in die tijd zijn doorgaans klein en zo goed als zelfbedruipend. Dat is ongetwijfeld ook zo op de Zonnebeekse heuvels middenin de Rumetra. Maar stilaan moeten de bewoners zich schikken naar nieuwe wetten en regels die vanuit de buitenwereld worden opgelegd. Meer en meer bossen moeten trouwens wijken voor de schapen- en veeteelt.
De Franken zijn als overwinnaar uit de bus gekomen en palmen ons land in. Het is een volk van vrije boeren en eigenaars. Bij de verovering van Vlaanderen krijgt elk gezin een perceel grond die ze met hun horigen kunnen bebouwen. De bestaande ‘cultura’ ter hoogte van het latere centrum komen in Frankische handen. De percelen land worden voortaan omschreven als kouters.
De woning van de nieuwe eigenaars wordt omsloten door een aarden wal. Er komt plaats voor stallingen, een bakoven, een graanschuur en er is plaats voor het vee. De woning, stallen en landerijen van de nieuwe heer worden omschreven als ‘myn heeres heerlykheyd’. Vooral de grond van de heerlijkheid ter hoogte van de Hanebeek (het latere centrum) is uiterst vruchtbaar. In die tijd is er trouwens nog altijd geen sprake van de naam Hanebeek, maar van de Alne of de Olne een naam die al duizenden jaren van vader op zoon is doorgegeven.
Het valt niet te verwonderen dat het huis van de heer aan de Alne de beste papieren heeft om belangrijk te worden. De eigenaars van het ‘Alneheim’, het huis aan de Alne, worden machtige boeren. Binnen enkele honderden jaren zal op perkament blijken dat Alneheim pal in het centrum ligt van hun uitgestrekt domein tussen Ieper en Ledegem. Het geslacht Alnehem, Olnehem, (R)olnehem, Rolleghem zal binnen 500 jaar verantwoordelijk worden voor het ontstaan van de abdij van de Nonnenbossen.
Het is een redelijke veronderstelling die niet kan worden ondersteund door geschriften omdat die eenvoudigweg niet bestaan in die tijd. Maar zo ver is het allemaal nog niet gekomen. Er moet nog heel wat water door de Alne stromen. We keren terug naar de Zonnebeekse beginjaren bij de Franken. Het heidendom moet eruit!
Op de plekken waar de mensen tientallen generaties lang de gunsten van hun afgoden afsmeekten, komt nu een christenkapel. Niet langer een boom of een heidens symbool. Hier wordt nu een bescheiden houten kapelletje gebouwd. Waarschijnlijk in de onmiddellijke nabijheid, ietwat ten oosten van de kerk zoals we die nu kennen. Op een boogscheut van ”s Heeren Huyse’.
De kapel wordt het nieuwe middelpunt waar de mensen samen komen. Bij de kapel wordt nu een officiële parochie gesticht. Een priester komt er misdiensten houden. De doden worden niet langer gecremeerd. Ze worden begraven. Geleidelijk verschijnen er bij de eerste houten kapellen ook begraafplaatsen waar de doden zonder grafgiften worden bijgezet. De bidplaatsen worden opgedragen aan de populaire heiligen van die tijd.
Een beetje zoals bij de hitparade. Martinus van Tours overleden in 397, en onder de naam van Sint-Maarten heilig verklaard in de 5de eeuw wordt de nieuwe patroonheilige van de parochie Beselare. Je mag er zeker van zijn dat de eerste kapel in Beselare nog voor het jaar 500 gebouwd wordt. Net zoals trouwens deze in Ieper. Veel namen van parochiekerken verwijzen naar heiligen uit het begin van onze tijdsrekening. De namen van de apostelen en evangelisten.
Later komen daar de nieuwe heiligen bij. In Passendale vinden we Sint-Audomarus (de eerste bisschop van Terwaan tussen 639 en 667) terug die de Westhoek kerstende in de 7de eeuw wat dus eigenlijk laat vermoeden dat de heidense landbouwnederzetting Passendale rond 700 omgevormd wordt tot een parochie gestoeld op de christelijke leer. De eerste kapel van de parochie Zonnebeke? Sint-Maarten is vanaf de jaren 400 bijzonder populair bij de Frankische adel. Het wijst er op dat de parochies van Ieper, Beselare en Moorslede wel eens rond die periode kunnen gesticht zijn. De macht van het nabijgelegen Terwaan is vreselijk groot.
Er komt trouwens een geografische indeling van de nieuwe kerkelijke gebieden. Bisdommen. De beboste heuvelrug die vroeger de grens vormde tussen Morinen en de Menapiërs vormt nu de grens tussen het bisdom Terwaan en het bisdom Doornik. Zonnebeke valt in het bisdom van Terwaan. De parochies Beselare, Geluveld, Passendale, Zandvoorde en Hollebeke ressorteren onder het bisdom Doornik.
Op de grens tussen de bisdommen worden hoge houten kruisen geplaatst die met de tijd hun naam zullen geven aan bosnamen zoals het ‘Groot Cruycebosch’ en ‘Cruycebierckenbosch’ nabij de Kruisbierboomstraat. Via de hele hoogte vinden we ook nog de oude weg die via de Oude Kortrijkstraat, de Spilstraat en de Morul verder loopt via de uithoek ‘Bolrots hende’ (daar heb je weer die olrot) en de Schipstraat naar ’s Graventafel.
Het Frankische Rijk is nog altijd in volle expansie als Karel de Grote op het einde van de jaren 700 het roer over neemt. De nieuwe Karolingische heerser introduceert de feodaliteit over heel Europa. Het is een nieuw politiek systeem waarbij de koning bijstand krijgt van een netwerk van vazallen. De laagste vazallen zijn de lokale graven die het plaatselijk bestuur uitoefenen. De plaatselijke bestuurders zullen de volgende eeuwen het mooie liedje uitmaken over de leengoederen van hun vorst.
Karel de Grote organiseert in het jaar 802 een algemene rijksvergadering en kondigt een algemene wetgeving af die van tel wordt binnen de grenzen van zijn rijk. Enkele jaren kiezen de Ieperlingen hierdoor hun eerste wethouders; Goudebaut, Haribert en Waltryk. Zij zullen het recht en de wetgeving moeten doen laten naleven en respecteren.
In 862 behoort Ieper al tot de belangrijkste bevolkingskernen van Vlaanderen. Vlaanderen wordt ingedeeld in gouwen die men in die tijd pagi noemt. Zonnebeke bevindt zich ietwat geprangd tussen de pagus Iseretius, de pagus Mempiscus en de pagus Cortracensis. Toch behoort het tot de invloedsfeer van de pagus Iseretius en het nabijgelegen Ieper. Grote delen van Vlaanderen zijn woest en armzalig. Een afwisseling van bossen en moerassen.
Eindeloze stukken heide bedekt met kreupelhout. De meeste mensen zijn onvrij. Ze bewerken het land voor de eigenaar van de grond die vazal is van de koning. Jaar-in-jaar-uit ploegen, zaaien en oogsten. Zo leven ze: de zoon na de vader: op dezelfde grond. Ze worden niet echt mishandeld maar het leven is hopeloos en vreugdeloos.
De Noordzee, de Ieperlee en de Leie vormen stilaan het toneel van een bloeiende handel. Aardewerk, glas, metaal, textiel. De haast onbeperkte aanwezigheid van water zorgt voor een stijgende welvaart. Maar die uitstraling van stijgende luxe werkt als een magneet op de ruwe volkeren die in Noord-Europa een onherbergzaam en armtierig leven leiden. De noorderse Vikingen kampen met overbevolking en voedseltekorten.
Een overschot aan jonge mannen zorgt er voor dat die vanaf de 9de eeuw op zoek gaan naar betere oorden. Het valt sterk te betwijfelen of het jaar 820 een goed jaar is voor onze contreien. De regen is maandenlang met bakken uit de lucht gevallen. Beken en rivieren treden uit hun oevers. Het land is totaal onbruikbaar om er voedsel op te telen. Het vee en de mensen zijn ziek. En dan volgt er nog die eerste inval van de Noren.
Dit is een fragment uit Boek 1 van De Kronieken van de Westhoek


