Kleinzoon Arnulf II blijkt een niet al te groot licht te zijn. Hij staat al sinds 954 onder de bescherming van de Franse koning Lotharius. Ondertussen evolueert de vriendschappelijke relatie tussen Frankrijk en Duitsland geleidelijk aan tot een diepe vijandschap. Lotharius kan het zich niet langer permitteren om zijn troepen ter beschikking te stellen voor zijn zwakke Vlaamse leenheer. Bovendien vreest de Franse koning dat de Vlaamse adel wel eens de kant zou kiezen van de Duitse keizer. Het is voor Lotharius dan ook het beste om Arnulf voldoende gezag te geven zodat hij Vlaanderen zo zelfstandig mogelijk zal kunnen leiden.
In 976 eindigt zijn speciale ondersteuning en moet Vlaanderen voortaan zijn eigen boontjes doppen. Ondertussen zit de Duitse keizer niet stil. Langs de rechteroever van de Schelde worden op verscheidene plaatsen burchten gebouwd en versterkte grenszones aangelegd. Valencijn, Ename, en veel andere, met Antwerpen als hoofdvesting. De Duitse keizer speelt het strategisch niet slecht: aan het hoofd van de marke van Ename plaatst hij graaf Godfried van Verdun als bevelhebber. Die is notabene de stiefvader van graaf Arnulf.
De Duitse interesse in het Vlaamse gebied van Arnulf is zonneklaar. Zijn grootvader zou de twee genadeloos tegenover elkaar hebben uitgespeeld maar de jonge Arnulf is hier de man niet voor. Hij is al lang dik tevreden met wat er van zijn graafschap is overgebleven. Het leven dobbert verder. In de streek van Boulogne gaat zich een groep Scandinaviërs vestigen vaar waaruit het graafschap Guines zich ontwikkelt. Het graafschap Boulogne-Ternois valt uiteen. De voogd van Arnulf, Boudewijn Baldzo, is al een hele tijd gestorven.
Kortrijk is nu in handen van een zekere Eilbodo. Het noordelijk deel van Vlaanderen behoort nu al tot het vorstendom van de graaf van West-Friesland. En Arnulf II laat het allemaal maar betijen. Arnulf treedt in het huwelijk met een niet zo jonge Italiaanse vorstin Rosela die hem een zoon schenkt: Boudewijn. Hijzelf sterft in 988 op zesentwintigjarige leeftijd. Vlaanderen gaat opnieuw van start met een kind als graaf. Zal het vorstendom dit overleven?
Aanvankelijk ziet het er zeker niet goed uit! De invloedrijke en machtige graaf van West-Friesland probeert via de Franse koning het hele grondgebied te verwerven. Koning Lotharius is al een tijdje gestorven en ook diens zoon geniet al van de eeuwige rust. Na hem is Hugo Capet op de Franse troon gekomen. De nieuwe Franse koning is de erfgenaam van een verarmd adellijk geslacht dat al veel robbertjes heeft gevochten met Arnulf I en door diens toedoen veel van zijn grondgebied heeft verspeeld.
Hugo Capet laat al vlug zijn oog laat vallen op het grondgebied van het vorstendom Vlaanderen. De dood van Arnulf II lijkt hem een ideaal ogenblik om zijn ambities kracht bij te zetten. Waarom zou hij niet in het huwelijk treden met diens rijpe weduwe en het voogdijschap over de jonge Boudewijn IV niet uitoefenen? Wie weet kan hij het hele grondgebied van Vlaanderen erven? De Franse koning speelt het slim. De Vlamingen weten al dat de Franse koning de minderjarige Vlaamse graaf zal beschermen tot aan zijn meerderjarigheid. Capet belooft de gebieden van Artois, Ostrevant en Pontheu terug te schenken aan de weduwe Rosela zodat het oude graafschap van Arnulf I hersteld zou worden. Het voorstel wordt in dank aanvaard.
Merci. Hugo Capet en Rosela treden rond het jaar 990 in het huwelijk. De graaf van West-Friesland krijgt op zijn expliciete vraag om Vlaanderen te verkrijgen een volmondige nul op het rekest. Vlaanderen lijkt ontsnapt aan een ramp. Maar zal het kunnen weerstaan aan de invloed van de machtige Franse kroon? Maar het huwelijk tussen de jonge Capet en de oudere Rosela loopt al snel op de klippen.
Rosela wordt buitengegooid door haar echtgenoot. De huwelijksbreuk blijft niet zonder politieke gevolgen. De Franse koning legt onrechtmatig de hand op alle eigendommen van zijn ex-vrouw. De Vlamingen kiezen natuurlijk de partij van hun vorstin. Ze sluiten een alliantie met de Odo, de graaf van Chartres, die in oorlog is met Hugo Capet. Het is niet duidelijk hoe die oorlog afloopt.
Er volgt een akkoord. Artois en Ostrevant komen terug bij Vlaanderen terwijl Pontheu met Montreuil naar de Franse kroon terugkeren. Rosela trekt zich terug bij haar zoon in Vlaanderen waar ze op 15 december 1003 overlijdt. Ze wordt begraven in de Sint-Pietersabdij naast haar echtgenoot Arnulf de Tweede. De jonge Boudewijn IV is ondertussen ouder geworden. De jonge man blijkt al snel over de durf en de assertiviteit van enkele van zijn roemrijke voorvaderen te beschikken.
Hij beslist al heel vroeg voor zichzelf dat de grafelijke invloed in Vlaanderen weer zal moeten hersteld worden. Het ziet er inderdaad allemaal niet zo goed uit. Het grafelijk gezag is tot op een dieptepunt gezakt. De graven van Gent, Kortrijk en Boulogne zijn zo goed als zelfstandig. Alleen in een klein deel van zijn rijk is hij werkelijk meester. Deze situatie moet en zal veranderen! Het is niet bekend of het ingrijpen van de nieuwe graaf zich baseert op diplomatie of op geweld. Vermoedelijk zal het wel een combinatie van beiden zijn geweest. Al vrij snel wordt Eilbodo, de heerser van de Kortrijkse gouw, van zijn onwettig eigendom verjaagd.
In West-Friesland is er een machtsvacuüm ontstaan na de dood van de graaf daar. Er is wel een minderjarige opvolger, maar in afwachting van diens machtsperiode aarzelt Boudewijn helemaal niet om de noordoostelijke graafschappen van zijn vorstendom, Gent en Waas weer rechtstreeks aan zijn gezag te onderwerpen. Overal doorheen Vlaanderen organiseert Boudewijn zich om zijn gezag beter te laten gelden.
Terwijl hij de opstandige graven aan zijn gezag onderwerpt kijkt de jonge Boudewijn al eens over de grenzen. Bestaan er mogelijkheden om het Vlaamse grondgebied uit te breiden? De graaf denkt inderdaad zoals zijn voorvaderen. Maar ja, die leefden in een tijd waarin een labiel Frans regime een twijfelachtige macht had op Noord-Frankrijk. Die tijden zijn echter sterk veranderd.
Er heerst nu rust en stabiliteit in Noord-Frankrijk. Hugo Capet mag dan niet al te machtig zijn, maar hij heerst niettemin met gezag over zijn territorium. Neen, er vallen niet veel opportuniteiten te rapen aan de zuidelijke grens van Vlaanderen. In het oosten liggen de zaken duidelijk anders. Er zijn signalen dat de voornaamste graven uit die streek steeds minder het keizerlijk gezag van de Duitsers kunnen verdragen. Voorbeelden hiervan zijn de graven van Leuven en die van Henegouwen. Het Duits gezag wordt uitgeoefend door de bisschoppen die de grafelijke rechten uitoefenen over uitgestrekte gebieden.
De Lotharingse graven beginnen zich stilaan te keren tegen deze bisschoppen met de bedoeling een deel van het bisschoppelijk vorstendom terug te winnen. De uitbreiding van Vlaanderen naar het oosten toe is natuurlijk niet evident want de versterkte zones aan de rechteroever van de Schelde vormen niet te onderschatten hinderpalen. Boudewijn IV krijgt meer en meer de ambitie om die hinderpalen uit de weg te ruimen. Aan de westelijke kant van de Schelde laat hij op zijn beurt vestingen bouwen.
Zo komen er vestingen in Gent, Oudenaarde en Doornik. De Schelde wordt steeds belangrijker. Niet alleen militair maar zo goed als alle handelsverkeer van het zuiden naar het noorden van het graafschap gebeurt via de Schelde. Het koren uit Artesië en de wol voor de Gentse lakenindustrie worden via deze imposante stroom aangevoerd, net zoals een aanzienlijk deel van de Vlaamse groothandelsproducten. Het risico dat de Duitsers deze stroom vanuit het oosten blokkeren stijgt met de dag. De bouw van die burchten is er dan ook vooral op gericht om die dreigende blokkade af te wenden. En vooral de ligging van Gent, na Atrecht, de voornaamste stad van Vlaanderen, baart de graaf zorgen.
Gent is aan de oostelijke kant van het vorstendom gelegen en zou in geval van oorlog amper te verdedigen zijn. De bevoorrading van graan komt voor een belangrijk deel uit de rijke graanstreek in de gouw van Aalst. De sterk toenemende bevolking in Gent vergt meer en meer graanvoorraden van de graanzolder van het Land van Aalst, dat voor alle duidelijkheid gelegen is in het Duitse keizerrijk.
En natuurlijk heeft Boudewijn de imperialistische trekjes geërfd van zijn voorouders. Als hij de kans krijgt om aan de oostelijke kant van de Schelde een gebied te verwerven ter grootte van zijn bezit aan de Westelijke kant, waarom zou hij dan nog twijfelen? In 995 worden de eerste pogingen van Boudewijn vastgesteld. Als de bisschop van Kamerijk sterft, dringt Boudewijn er op aan bij de keizer om Azelinus, een onwettige zoon van zijn vader, aan te stellen tot diens opvolger.
Het plan mislukt. Rond het jaar 1000 begint de strijd voor Lotharingen pas voorgoed. Als keizer Otto III in 1002 sterft is het al volle bak oorlog tussen Boudewijn van Vlaanderen en Arnulf, de keizerlijke markgraaf van Valencijn. In 1006 sluit de graaf van Vlaanderen een bondgenootschap met graaf Lambrecht van Leuven waardoor de keizersgezinden uit die streek verhinderd kunnen worden om tussen te komen in Valencijn.
Hierdoor kan Boudewijn zich meester maken van Valencijn. Die verovering zorgt voor een schokgolf. Niet alleen bij de Duitse keizer maar al evenzeer bij de Franse koning. De machtsstatus van Boudewijn baart hen beiden zorgen. Ze besluiten een bondgenootschap te sluiten tegen de imperialistische Vlaamse graaf. Ook de hertog van Normandië sluit zich aan bij dit bondgenootschap.
In september van het jaar 1006 daagt een reusachtig leger op voor de vestingen van Valencijn waar Boudewijn zich heeft verschanst. Maar de graaf verdedigt zich uitstekend. Als de winter aanbreekt kunnen de vijandelijke troepen niets anders doen dan hun beleg op te breken en onverrichterzake naar huis terug te keren. Boudewijn profiteert van die aftocht om lelijk huis te houden in de kerk van Kamerijk en haar bezittingen op vreselijke manier te verwoesten. De Duitse keizer die al in het verlies van Valencijn aan het berusten was, vindt de agressiviteit van de Vlamingen maar al te grof en wijzigt zijn plannen om Polen binnen te vallen.
Hij besluit zijn pijlen te richten op de aanmatigende graaf van Vlaanderen. Ter hoogte van Aken wordt een imposante strijdkracht geconcentreerd. Begin 1007 begint de mars op Vlaanderen. Via Luik, Leuven en Brussel bereikt het Duitse leger de Scheldegrens waar de Vlaamse strijdkracht de Duitsers in verspreide slagorde opwacht. Een afdeling slaagt er in om een eind verder stroomopwaarts de Schelde over te steken en voert een verrassingsaanval uit op de Vlamingen die zich noodgedwongen moeten terugtrekken van hun verdedigingsposities aan de Schelde.
Het keizerlijk heir dringt nu binnen in heel Vlaanderen. Het land wordt op onbeschrijfelijke wijze verwoest en geplunderd. Op 19 augustus 1007 bereiken de Duitsers Gent. Boudewijn begrijpt het nutteloze van zijn verzet en onderwerpt zich aan keizer Hendrik II. Hij moet natuurlijk de streek van Valencijn teruggeven aan de Duitsers. Maar wat Boudewijn in zijn kop heeft, heeft hij niet in zijn gat! In 1012 mislukt een nieuwe poging om zijn oom Azelinus te laten installeren als bisschop van Kamerijk. Maar deze keer speelt Boudewijn het slimmer: hij probeert de vriendschap te winnen van de nieuwe bisschop. Deze houding wordt erg op prijs gesteld door Hendrik II van wie het gezag zelf aan het wankelen is door een opstand van zijn edelen in Lotharingen.
Hij hoopt dat de Vlaamse graaf zijn macht zou ondersteunen en overlaadt hem plots met presentjes. Zo schenkt hij Walcheren met de bijhorende Zeeuwse eilanden en uit eilanden bestaande streek van de Vier Ambachten aan Boudewijn IV. Kort daarop, in 1015, maakt de graaf gebruik van de dood van Arnulf van Valencijn om deze stad opnieuw te bezetten. En deze keer gebeurt dat ongestoord. Boudewijn heeft dan toch vaste voet gekregen aan de andere kant van de Schelde. Over de jaren daarna is er vrij weinig geweten.
Er is in elk geval een verzwakking in Boudewijns machtspositie waar te nemen want in 1019-1020 is hij al weer in oorlog tegen zowel de Duitse keizer als tegen de Franse koning. In 1019 komt de Franse koning Sint-Omaars belegeren en in 1020 rukken de Duitsers binnen te Gent. Over de afloop van beide gebeurtenissen is niets bekend. Boudewijn is ondertussen wel tot het inzicht gekomen dat hij zijn Lotharingse politiek enkel ongestoord verder kan verder zetten door een bondgenootschap aan te gaan met de Franse kroon.
Dit is een fragment uit Boek 1 van De Kronieken van de Westhoek


