Bij de boeren
Heel de zondagvoormiddag was één verlangen. Na de vespers immers trokken we met onze moeders en familie, of ook wel alleen naar de hofstede om er te spelen. Het plezier dat we daar gekend hebben is niet meer te geven. Wat zijn die arme stadsjongens toch te beklagen die hun vrije uren meestal doorbrengen onder de ogen van hun papatjes en mamatjes in mooie nette straten, langs keurig aangelegde wandeldreven, waar men zich immer zeer fatsoenlijk moet houden, of ook wel in ongezonde bioscoopzalen of in naar bier en tabakruikende drankhuizen.
Na de vespers en lof gediend te hebben, wierpen we zo rap het sacristie binnen, ons roket en soutane ’t kaske in, schoten ons vliegensvlug in ons zondags vestje, stoven de deur uit, liepen al dat we konden naar huis, waar we ons in onze wekekleers staken om vrij te kunnen mooschen en spelen.
Naar De Neckers, daar gingen we het meest naartoe. De moeders die hier elkenkeer meewaren, zaten bij boer en boerinne koffie te drinken en te vertellen, terwijl wij met Achielten heel de hoeve afspeelden. Eerst naar de grote weide waar al dat kachtel, koe, kalf, zwijn of schaap was meedoen moest, willen of niet.
We richtten grote wedrennen in voor de waggelende dikbalgige koeien, we liepen zelf om ter verst, ons vasthoudende aan de staart van een zot-springend kalf, te paarde rijden op een zwijn mocht hier niet gebeuren. Achielten peinsde altijd dat we ’t zwijn de leên in stukken zouden springen, en ook, had zijn vader dàt moeten zien, zijn zeuntje ging halfdood geslegen worden.
De beesten zo doen lopen was erg en voor ons reeds zeer gewaagd. We wisten wel dat de boer niet veel af en kwam om te kijken wat we deden, maar had hij er moeten opkomen, ’t zou toch wel met een paar kletsen en een halve pinne klaar gekomen zijn.
We zakten dan gewoonlijk af naar de wal, om er in een kuip of chicoreibak rond te varen. We verkeerden er soms in de meest netelige toestanden, vooral wanneer Achielten in ’t midden van de wal als een top de kuip deed ronddraaien. Duizelig en doodverlegen zaten we geplakt tegen de wand van de kuip. We verwachtten ons ieder ogenblik aan een enorme catastrofe…maar we kwam er telkens goed van af, dank zij de ervarenheid van onze menner.v
De choreiput was onze badplaats. Alles moest echter zeer in ’t geniep geschieden, want onze moeders hielden niet van baden. Niet zoveel omdat we zouden verdrinken want in die put bestond er niet het minste gevaar, maar wel uit vrees dat we ons onzedig zouden gedragen. Daar dachten we echter nimmer aan.
Het ontkleden geschiedde in de keete, waar Achielten daags te voren of de zondagmorgen de nodige lompen gelegd had om onze naaktheid te dekken. Van uit het woonhuis van de hoeve kon men van dat alles niets bemerken. Er bestond maar één gevaar van ontdekt te worden, namelijk wanneer de meisjes die eerst liefst samen speelden ons kwamen opzoeken. Dan werd de boel verbabbeld, maar vooraleer de boerin of één der moeders bij het chicoreiputje stond, waren we allang reeds gekleed, wat dan de graad van verbolgenheid en verontwaardiging grotendeels deed dalen.
Van Hauwaert was toen ten tijde de helde van de dag. Weinig dagen gingen voorbij of er werd gekoerst en gesprint. Het gebeurde meestal te voet want zoveel fietsen waren er dan nog niet. We konden dan ook weinig naar de hofstede trekken zonder dat we meestal in de weid, op onze blote voeten een ernstige wedloop inrichtten.
En dat kwam zo al meteens zonder de minste voorbereiding, binst dat we ievers aan het appels afwerpen waren was er ineens iemand die zei; ‘we zouden eens moeten koersen….’ en dadelijk namen we onze voorzorgen om licht te lopen. We wierpen vest, schoenen en kousen af, sloofden onze hemdemouwen en stropbroek op en zetten ons in rij tegen de pinnekensdraad. We liepen gewoonlijk tot aan de balie die diametraal tegenover ons lag. De grootste handicaps waren de verse koestronten. Ge waart in volle geweld en aan de kop, ge zag noch ge hoorde niets meer, de overwinning was zeker, en al met nen keer, ge schaverdijnde een halve meter verre en lag met uw smikkel op de grond, tot groot jolijt van de voorbijrennende partij.
–
Uit ‘De Ypersche Bode’ van 1928 – www.historischekranten.be –


